2320 - TOEKOMST DER MENSHEID?

27. jun, 2020
PROLOOG
 
De wind waait zacht en is voor de verandering weldadig warm, niet zo bloedheet als anders. De zon is er nog, maar heeft haar gang naar de horizon al ingezet. Vandaag is al stervende, morgen moet nog geboren worden. ‘Nog één nachtje slapen,’ zou mijn kind gezegd hebben. Twintig jaar geleden alweer, waar blijft de tijd…
Ik sta op de boulevard en kijk uit over het strand en het water, vanavond bijna een spiegel. Wat moet ik doen met wat ik op mijn laatste tocht aan de overkant van dat water heb gevonden? Hoe vertel ik ze dat er hier geen hoop meer is?
De doden, vijf vandaag, hebben we een uur geleden op hun laatste reis gestuurd. Als ik goed mijn best doe kan ik rechts in de verte de rookwolken nog zien. Het oude ritueel uit het Hoge Noorden, dat ik óók aan de overkant vond, werkt. De doden, of wat ervan over is, komen niet terug aan land en we hoeven onze grond nu niet meer met ze te delen, niet te leven met die constante aanblik van wat ons allemaal gaat overkomen. 
Dat er even geen zieken zijn betekent niets. Volgens de verhalen die we nog steeds iedere volle maan aan elkaar doorvertellen werden mensen vroeger ook eens in de drie jaar massaal ziek, maar er werden er ook heel veel beter. Nu niet. Al een paar jaar niet meer.
En aan de overkant van het water… Ik móet het ze vertellen, maar hoe? Zullen ze me geloven? Zullen ze me wíllen geloven? Ik twijfel.
Ik draai me om, kan even de aanblik van het water en de gedachte aan wat ik moet doen niet meer aan. Als ik opkijk, zie ik onze nederzetting, in de diepte. De boulevard ligt op een dijk. Die moet ervoor zorgen dat het water de hutten niet iedere vloed meeneemt. En we kunnen niet in de oude stad gaan wonen, een stuk verderop, dat is te ver van het water en de vissen. We moeten ook eten.
Ik begin schoorvoetend aan de terugweg. Ik moet wel, Josei zal zich afvragen waar ik blijf. Misschien moet ik haar in vertrouwen nemen. Misschien kan zij me helpen, me raad geven hoe ik de anderen hun hoop moet ontnemen. Ze heeft me twintig jaar geleden immers ook uit het dal getrokken, nadat...
Nog een laatste blik op het water en dan ga ik definitief op weg. Ik zie de daken van de hutten en de oude stad. En de toren, waarvan ik, óók aan de overkant, de naam vond: Dom.