16. aug, 2016

Ik heb, voor zover ik daar aan heb willen meewerken, een prima opleiding gehad. Eerst twee jaar kleuterschool, zo heetten de groepen 1 en 2 van het basisonderwijs in mijn tijd nog. Daar-na was er de ‘Grote School’, want als je eenmaal het ‘kakschooltje’ achter je had gelaten was ‘Lagere School’ een te min woord. Na zes jaar werd met enig ceremonieel afscheid genomen van de ‘bovenmeester’ en volgde de middelbare vervolgopleiding, in mijn geval het VWO (Atheneum). Verder leren aan HBO of universiteit is er nooit van gekomen, dáár wilde ik mijn medewerking niet meer aan verlenen. Had ik dat maar wel gedaan dan zou ik de tegenwoordige tijd misschien beter begrijpen.

In Cannes heeft de burgemeester, ongetwijfeld iemand die wél heeft gestudeerd anders wat hij geen burgemeester geworden, een verbod uitgevaardigd tegen ‘badkleding die getuigt van een religieuze overtuiging, terwijl Frankrijk nu doelwit is van terroristische acties’. Hij doelt, las ik in het ‘Dagblad van Wakker Nederland’ met name op de ‘boerkini’, de lichaamsbedekkende kleding van gelovige moslima’s . Op het artikel kon gereageerd worden. Allemaal mensen die hebben doorgeleerd, want ik ben blijkbaar te dom om de reacties te begrijpen. Reacties die op mij overkomen onderbuikgevoelens, meningen dus, die men als feiten, als waarheid de wereld in slingert. Op stranden in delen van het Midden-Oosten, staat er, hoeft een vrouw ook niet te proberen een bikini’s te dragen. En dus moeten hier dan de boerkini’s maar in de ban. Voor wat hoort wat immers. Het merendeel van de erudiete en evenwichtig geformuleerde reacties laat ik hier maar onbesproken want ik begrijp het taalgebruik en de logica erachter niet. Zal aan mijn gebrekkige opleiding liggen.

Maar het gaat me niet om een artikeltje in een landelijk dagblad. Er is iets heel anders dat ik niet begrijp en waarbij ik de hulp wil inroepen van u die ongetwijfeld wél hebt doorgeleerd. Waarom, zo vraag ik u, is het nodig vrouwen een dwingend kledingadvies op te leggen en daarbij als reden aan te voeren dat Frankrijk doelwit is van aanslagen? Wordt de dreiging minder als een vrouw opeens in bikini op het strand verschijnt? Zou de religieuze overtuiging door een ander kledingstuk anders worden of zelfs verdwijnen? En, zo vraag ik u, waarom exclusief (islamitische) vrouwen? Stel u voor: op het strand wordt de plaats van de boerkini dragende vrouw (overigens, de foto bij het artikel komt helemaal niet dreigend over) ingenomen door een man met dezelfde religieuze overtuiging. Hij hoeft niets, maar dan ook helemaal niets te doen of te laten. Zijn kleding (al droeg hij driedelig grijs!) is van geen belang. Waarom wordt er niet tegen zijn baard geprotesteerd, gezichtsbeharing die evenzeer een uiting is van een religieuze overtuiging? En als we dan toch bezig zijn, hoe zit het dan met Joodse keppeltjes en pijpekrullen of de tulband van Sikhs? 

‘Nee’, hoor ik u zeggen, ‘het gaat er vooral om dat de Islam een achterlijke religieuze overtuiging is. Een overtuiging die geen religie, maar een politieke beweging is die vrouwen onderdrukt, waar mannen vrouwen opdragen bepaalde kledingstukken te dragen. Een overtuiging tenslotte die in het Heilige Boek oproept de Westerse samenleving te verwerpen, zo niet te vernietigen.’ Ik heb nooit Koran-onderwijs gehad maar er is bij mij wel de nodige Bijbelkennis ingestampt. En van daaruit lopen soms de rillingen over mijn rug als ik lees hoe ons eigen Heilige Boek omgaat met bijvoorbeeld homoseksualiteit of vreemdgaan, hoe het Heilig Land het resultaat is (toen en nu wéér!) van oorlogszuchtigheid die ik alleen maar kan omschrijven als ‘Jihad’. Om over de kruistochten maar te zwijgen.

En met betrekking tot vrouwenonderdrukking: ik ben al wat ouder en ik meen me te herinneren dat ook in onze ‘verlichte’ en ‘vrije’ westerse samenleving het nog tot halverwege de vorige eeuw gebruikelijk was dat vrouwen als ze trouwden ontslagen werden. Ze mochten geen eigen geld hebben en moesten voor de kinderen zorgen. Haar enige recht was het aanrecht. Een getrouwde vrouw gold als ‘wilsonbekwaam’, wat betekende dat ze geen bezit kon hebben en geen contracten kon afsluiten. Wilsonbekwaam, door het simpele feit van haar huwelijk. En wie van de wat oudere dames kan zich niet herinneren dat er van vrouwen verwacht werd dat ze ‘netjes’ in rok verschenen? Broekpakken? Nee, dat kon helemaal niet! Wie zonder zonden is, werpe de eerste steen, wil ik maar zeggen.

Terroristen zijn over het algemeen, dat zal ik niet ontkennen, van islamitische afkomst of worden (aan)gestuurd door organisaties die voor islamitisch versleten willen worden. Maar dat betekent niet, en laten we alstublieft die fout niet maken, dat iemand die een hoofddoek of – want daar ging het om – een boerkini draagt, automatisch kwade bedoelingen heeft. En nog minder dat die kwade bedoelingen als sneeuw voor de zon verdwijnen als het kledingstuk verandert.

Maar misschien denk ik er te simpel over. Ik heb immers niet doorgeleerd...

© copyright Cees Geluk, augustus 2016

16. nov, 2015

Ik zit achter mijn laptop en staar naar het scherm. Veilig. Warm. Buiten is het donker, maar hier binnen brandt licht. De wereld lijkt ver weg, maar is om de hoek: Parijs is nog maar nauwelijks bekomen van de verschrikkingen die daar hebben plaatsgevonden. 129 doden, meer dan driehonderd gewonden. Meer nog dan na Charlie Hebdo stel ik mezelf de vraag: wat moet ik hiermee, wat kan ik hieraan doen? Kan ik wel wat doen?

Een jaar of wat geleden kwam ik een uitspraak tegen die me raakte en sindsdien mijn motto is geworden: ‘Be the change you want to see in the World”. Vrij vertaald houdt Mohandas Karamchand ‘Mahatma’ Ghandi ons daarmee voor dat als we de wereld willen veranderen, we vooral bij onszelf moeten beginnen. Dat is nogal wat, als je erover nadenkt. Ben ik in m’n eentje in staat een verandering in de wereld te bewerken? Nee, natuurlijk niet. De gedachte erachter is echter dat als ik begin, anderen mijn voorbeeld wellicht zullen volgen. En dat, als een steentje in een vijver, mijn kleine, op zichzelf misschien onbelangrijk lijkende daad grote gevolgen kan hebben. Dat de rimpels in die vijver uiteindelijk de hele wereld over kunnen gaan. Het lijkt zinloos idealisme, een roze zonnebril, luchtfietserij, maar ik geloof daar wel in. Bovendien: baat het niet, schaden doet het zeker niet. Ik volg immers mijn hart, mijn eigen wens?

Terug naar de nasleep van Parijs. Op sociale media, Facebook en Twitter vooral, staan meningen lijnrecht tegenover elkaar. De virtuele wereld bestaat alleen maar uit zwart en wit. Alle grijstinten daartussen zijn verdwenen, om over het hele scala van echte kleuren maar te zwijgen. Ik lees dat wie probeert de nuance te vinden, wie tracht het verstand te laten zegevieren over de emotie als ‘mongool’ wordt weggezet. Ik zie hoe een collectieve onderbuik een discours uitbraakt dat griezelig sterk doet denken aan een periode uit de recente geschiedenis waarvan we, dacht ik, hadden afgesproken dat we die niet meer, nóóit meer wilden meemaken, een afspraak die we ieder jaar begin mei met elkaar hernieuwen. Dacht ik. Maar ik dacht kennelijk verkeerd. ‘De-islamiseren’ is een term die voorbijkomt. ‘Grenzen dicht’. Zeventig, tachtig jaar na dato zijn het nu de Moslims die niet gewenst zijn, is de Islam nu de gemeenschappelijke vijand. Zeventig, tachtig jaar na dato wordt een vreemdeling weer primair beoordeeld op wat hij gelooft, in plaats van op zijn mens-zijn. Dat gaat er bij mij niet in, dat wil ik niet, dat moet veranderen.

Ghandi stelt dan dat je zelf de verandering moet zijn die je wilt zien. Die uitdaging neem ik met graagte van de Mahatma aan. Mijn actie, mijn daad? Maandag om twaalf uur is heel Nederland een minuut stil. Uit respect voor de 129 en mogelijk meer slachtoffers van een volkomen zinloze slachtpartij. Ik zal op mijn werk, vanachter mijn bureau, ook stil zijn. Het kan me dan niet schelen hoe druk het is. Een telefoon neem ik niet aan: ze wachten maar een minuutje. De wereld is al jachtig genoeg. Maar meer nog: ik zal in die minuut mijn Religie afzweren. Dat lijkt iets kleins, iets gemakkelijks, maar het is wel degelijk een grote stap en niet alleen maar symbolisch. Want ik zweer mijn Religie af, maar niet mijn Geloof. Geloof is iets tussen je god (of welk ander opperwezen dan ook) en jezelf. Religie is het instituut, de organisatie waar (vooral) mannen met macht willen bepalen hoe je die relatie vorm moet geven. Ik geloof dat ik intelligent genoeg ben om dat zelf te bepalen. Daar heb ik geen machtige mannen, priester, imam, dominee of wat dan ook voor nodig. Geloof gaat uit van de goedheid in een mens, ieder opperwezen bestaat immers uit liefde. Religie daarentegen ziet vooral de vijandschap in de ander, het gevaar in zijn anders-zijn. Ik geloof ook dat ik niet de enige intelligente mens op deze aarde ben, integendeel. Er zijn vast en zeker meer mensen als ik, velen ongetwijfeld intelligenter dan ik. Door mijn eigen kleine actie nu wereldkundig te maken gooi ik dat steentje in de vijver. Aan de vele anderen de vraag om de rimpels vorm te geven.

Hoe mooi zou het zijn als vanuit dat kleine begin de religieuze instituten en organisaties van de wereld hun machtsbasis verliezen. Als alle gelovigen, overtuigd van de goedheid van hun relatie met hun opperwezen, elkaar vanuit Geloof tegemoet treden, zonder zich door machtswellustelingen vanuit de Religie te willen laten voorschrijven dat ze bang moeten zijn. Dán valt onvermijdelijk de voedingsbodem weg die 9/11, Londen, Madrid, Charlie Hebdo, Beiroet, Parijs en al die andere rampen mogelijk hebben gemaakt. Dan ook, en dáár gaat het me om, valt de bodem weg onder het gevaarlijke discours van hen die vooral de eigen welvaart willen beschermen en die aan anderen willen onthouden om geen andere reden dan hun anders-zijn. We zouden, als de rimpels groter worden, zelfs een wereld kunnen zien ontstaan die eerlijker, vredelievender, humaner is. Een wereld waarin misschien wel geen oorlog meer is. Dat zou toch geweldig zijn? En de Mahatma gaat ons voor: hij droeg een hindoe die een moslim had gedood op een moslimkind te adopteren en dat als moslim op te voeden. Vanuit Geloof, niet vanuit Religie. Een simpel handje zout was de eerste stap op weg naar India’s onafhankelijkheid. Een kleine daad met grote gevolgen. Wees de verandering die je wilt zien in de wereld. Inderdaad.

Ik zweer op maandag om twaalf uur Religie af maar behoud mijn Geloof. In de hoop en de overtuiging dat als anderen mijn voorbeeld volgen de wereld er uiteindelijk beter van kan worden. Zo zijn de 3.000 van New York, de 191 van Madrid, de 52 van Londen, de 37 van Beiroet, de 129 van Parijs en die ontelbare anderen in de wereld die door Religieus geweld om het leven kwamen niet voor niets gestorven.

© Cees Geluk, november 2015

19. okt, 2015

Beste Geert, beste Halbe,

Een goede titel kiezen voor dit stuk heeft me heel wat hoofdbrekens gekost want wat dekt nu precies de lading zonder direct de inhoud te verraden? ‘Een hart’ vind ik een goede keuze.

Jullie hebben beiden, ieder vanuit jullie verschillende invalshoeken, grondige bezwaren tegen het feit dat Nederland vluchtelingen opvangt en tegen de manier waarop dat gebeurt. Ik noem dat ‘NIMBY’-gedrag. ‘NIMBY’, voor het onwaarschijnlijke geval dat jullie die term niet kennen, staat voor ‘Not In My Back Yard’, letterlijk: niet in mijn achtertuin. Daarmee wordt bedoeld dat iemand de oplossing van een probleem wel ziet, het er ook wel mee eens is, maar het vooral niet in zijn of haar directe omgeving wil hebben.
Terug naar de vluchtelingen. Omdat er meer asielzoekers, vluchtelingen, naar Nederland ko-men dan verwacht is het COA gedwongen in samenspraak met diverse gemeenten noodop-vang te regelen omdat reguliere asielzoekerscentra vol zitten en zij die inmiddels een verblijfs-vergunning hebben niet kunnen doorstromen de samenleving in. En op het moment dat bur-gers in de buurt van een geplande locatie voor noodopvang daar lucht van krijgen komen ze in een deel van de gevallen in verzet. Natuurlijk, de vluchteling moet érgens opgevangen wor-den, maar toch niet hier..? Ziedaar ‘NIMBY’.
Het vuurtje van ‘Nimby’ stook jij Geert, handig op. Heel handig, ik kan niet anders zeggen. Inspelend op de angst en onzekerheid van mensen die het, na alle klappen van de bijna voorbije crisis, ook niet meer weten, spiegel jij de maatschappij een beeld voor waarin de opvang niet vol zit met vluchtelingen maar met gelukszoekers. Gelukszoekers zijn het, want als je vlucht voor het geweld in bijvoorbeeld Syrië dan ben je in Turkije al veilig. Maar nee, deze economische vluchtelingen blijven niet in Turkije, ze komen naar Nederland, het achtste veilige land dat ze op hun route vanuit Griekenland tegenkomen. En ze komen om te profiteren van onze hard bevochten sociale voorzieningen. Voorziening die in jouw optiek toch vooral voor de eigen bevolking bedoeld zijn. Daar komt bij dat deze lieden vast en zeker terroristi-sche motieven hebben. Het zijn immers moslims en die doen toch niet anders? Grenzen dicht, dat is de enige oplossing die je ziet. En vooral dat ‘tuig’ opvangen in de regio, waar ze lekker moslims onder elkaar kunnen zijn. Alles beter dan dat ze hierheen komen.
Opvang in de regio zou op zich nog wel te begrijpen zijn als alternatief voor opvang hier, ware het niet dat de regio al zoveel vluchtelingen opvangt. Turkije bijvoorbeeld telt al dik anderhalf miljoen asielzoekers. En voor de opvang van die en mogelijk nog meer vluchtelingen, of de verbetering van bestaande opvang, is geld nodig. Veel geld. Dan is het vreemd dat je stampij maakt als Nederland in Europees verband met Turkije in overleg gaat, juist voor de opvang in de regio, en daar 3 miljard euro voor beschikbaar stelt. Politici zijn volgens jou kennelijk ‘knettergek’ geworden.
En dan je stelling dat we écht geen vluchtelingen meer kunnen opnemen, dat Nederland vol is. Ik heb er de cijfers van het COA eens bijgehaald. Op 12 oktober 2015 was de bezetting van de centrale opvang 39.204 personen. Vergelijk dat met de 83.801 personen in 2001 en je ziet dat het best meevalt. En zelfs al zouden het er honderdduizend worden, dan nog is dat (bij een bevolking van 16 miljoen) nog maar 0,625% van de Nederlandse bevolking, of anders gezegd: zes en een kwart persoon op de duizend. Moet te doen zijn, toch?

Dan richt ik me tot jou, Halbe. Wellicht uit angst voor het virtuele electorale gewin dat Geert met zijn oproepen tot verzet schijnt te hebben heb jij je uitgesproken voor versobering van de regelingen voor statushouders. Geen asielzoekers, maar statushouders dus. Containerwoningen zijn goed genoeg voor hen. En vooral geen bijstandsuitkering, zorgtoeslag of andere voorzie-ningen. Dat is alleen maar een gevaar voor, nee, een aanslag op de Nederlandse welvaart. Beter is het om deze mensen van een dagelijks leefgeld te voorzien. En werken? Nou nee, we moeten vooral uitkijken voor verdringing op de arbeidsmarkt. Deze nieuwe arbeidskrachten zouden eens banen kunnen krijgen waar de zeshonderdduizend werklozen al zo lang op zitten te wachten.
Halbe, statushouders zijn mensen die na een rechtvaardige procedure het recht hebben gekregen zich in Nederland te bevinden. En zoals je weet worden in dit land ‘Allen die zich in Nederland bevinden, in gelijke gevallen gelijk behandeld’. Je weet vast wel waar ik dat vandaan heb. Misschien kun je me eens laten zien waar het staat dat ‘zich in Nederland bevinden’ permanent moet zijn, of een bepaalde periode geduurd moet hebben voordat er sprake kan zijn van ‘gelijke gevallen’, en hoe lang die periode vooraf dan is? Bovendien wil ik je artikel 23 van het vluchtelingenverdrag in herinnering brengen, waarin staat dat ‘De Verdragsluitende Staten de rechtmatig op hun grondgebied verblijvende vluchtelingen op dezelfde wijze zullen behandelen als de onderdanen...’ Als ondertekenend land hebben we ons er dus toe verplicht!

En dan de arbeidsmarkt. Op dit moment mogen statushouders geloof ik niet werken, bang als we zijn voor verdringing. Laten we even aannemen dat er geen sprake is van oneerlijke con-currentie, zoals willen werken onder het cao-loon of zo. Dan zal de statushouder die een baan krijgt daar waarschijnlijk beter geschikt voor zijn dan een andere kandidaat. Of, en dat lijkt meer in de rede te liggen, de statushouder neemt werk aan waar de ‘Henk en Ingrid’ van Geert te beroerd voor zijn, zich te goed voor vinden. Het mechanisme waardoor een werkge-ver een statushouder boven het ‘eigen volk’ kan verkiezen heet ‘vrije markt’ Halbe, en dat zou jou als liberaal toch moeten aanspreken. Nee, Halbe, ik zeg het Emile Roemer na, met deze aanpak creëer je tweederangs burgers en dat moeten we met z’n allen niet willen.

Geert en Halbe. In tegenstelling tot jullie ben ik niet van ‘NIMBY’. Als er geschikte locaties zijn moeten die vooral voor opvang worden gebruikt, zeker als het een noodmaatregel is totdat meer permanente opvang geregeld kan worden. Je kunt deze mensen gewoonweg niet in de kou laten staan. Ik ben blij dat ik in een land mag leven dat in de wereld bekend staat als één van de rijkste, want dat is het ook. En ik gun dat genoegen ook aan anderen, zeker als die an-deren uit een traumatische situatie komen. Dan moet je, vind ik, ruimhartig zijn.
Ik ben er trots op dat een vluchteling voor Nederland kiest om een nieuw bestaan op te bou-wen, boven landen als Turkije, Griekenland, Macedonië, Hongarije, Servië, Oostenrijk, Italië of noem ze maar op. Kennelijk hebben wij iets dat die landen (en jullie beiden) missen: een hart. Een gewoon warm kloppend menselijk hart dat zich niet voor kan stellen, niet voor wíl stellen, hoe het moet zijn om je vaderland, je vrienden, vaak je hele familie op je vlucht te moeten achterlaten. Een hart dat zoveel als maar enigszins mogelijk is een warm welkom wil heten aan allen die hier een goed heenkomen zoeken, die hier op veiligheid en de opbouw van een nieuw bestaan hopen.

Tenslotte een vraag: is jullie hart even hard als de (economische) vluchteling niet uit Syrië, maar bijvoorbeeld uit Argentinië, Brazilië, Chili of Midden-Amerika komt? Ben benieuwd naar het antwoord.

© Cees Geluk, oktober 2015

24. jan, 2015

Ik ben een laatbloeier. Dat is me al lang bekend. Aan de ene kant is dat vervelend want van wat ik nu begin kan ik nooit erg lang genieten. De rest van mijn leven, natuurlijk dat, maar niet mijn leven lang meer. Aan de andere kant is het ook wel gunstig: ik kan heel doordacht, want niet verblind door jeugdige impulsiviteit, aan een nieuw hoofdstuk als schrijver beginnen. En dan te bedenken dat ik Abraham allang heb zien komen. En ook weer heb zien gaan, mosterd en al.

Het levert ook de wat mij betreft unieke kans op om te zien of, en wat, er veranderd is in de samenleving, de maatschappij waar ik deel van uitmaak. Politici hebben het, als ze over de toekomst praten, over het algemeen over een periode van 25 jaar. Ik heb de kans om te zien wat er is veranderd in het dubbele van die politieke standaardperiode. Ik ga daarvoor terug naar 1965. Anders dan politici concentreer ik me niet op geld, economie en concurrentievermogen, maar op hoe in die tijd het denken over en de omgang met onszelf en de ander is veranderd. Als er al een verandering is. En of die verandering ook een verbetering, een vooruitgang is. Terug dus naar 1965, het jaar waarin ik 7 was, nog 8 moest worden (ook dáárin ben ik laat: ik ben geboren in december).

Even het plaatje tekenen. Beginnen we buiten op straat. Auto’s waren er wel, maar veel minder dan nu. Een auto was vaak ook nog voorbehouden aan de beter gesitueerden: de rijksambtenaar, de dokter, de notaris, de dominee. Een pastoor zie ik niet zo in een auto. Het beeld dat me daarvan bijstaat is vooral dat van een fiets, maar mogelijk speelt een bepaalde televisieserie mijn geheugen parten. Niet teveel auto’s op straat dus. Kinderen konden ongestoord buiten spelen. Er was ook niets anders, tv was er alleen ’s avonds en internet… nee, dat begrip kende nog niemand. Ikzelf reed voor mijn plezier graag op een door mijn vader van diverse links en rechts gevonden onderdelen in elkaar gezette fiets. Urenlang fietste ik steeds hetzelfde stuk rond het huizenblok waar mijn ouders, broertje en ik woonden. En dat kon ik doen zonder bang te hoeven zijn door één of ander snelheidsmonster met verschrikkelijke haast het ziekenhuis in gereden te worden. Als je tegenwoordig niet snel genoeg uit de weg bent heb je op zijn minst een middenvinger op je netvlies en veel ‘nieuwe woorden’ geleerd. Want we moeten voort, alles moet snel, sneller, snelst in een race tegen de klok, want tijd is geld. Het konijn uit ‘Alice in Wonderland’ is er niks bij. Vooruitgang? Nou, nee…

De exacte tijd verschilde van gezin tot gezin, maar tussen half zes en zes uur had iedere moeder haar keel wel schor geschreeuwd: ‘Aan tafel!’ Als kind had je dan maar te komen. Een eigen mening of eigen initiatief (‘ik blijf nog even lekker spelen, ik kom zo’) werd niet op prijs gesteld. Moeders wil is wet, Vaders wil een heilig gebod. Eenmaal aan tafel, onder de met stoffen kap (denk aan de franjes!) beklede enkele schemerlamp, was er een duidelijke rangorde. Gebaseerd op een ongeschreven, nooit uitgesproken of uitgelegde wet had Vader de beste plek en zat moeder ter rechterzijde van hem. De kinderen hadden de ‘mindere’ plaatsen. Voordat er gegeten kon worden legde Vader met zijn ogen de kinderen het zwijgen op. Handen gevouwen en ogen dicht, moest er gebeden worden. Vader bad eerst, de kinderen maakten daarna, op volgorde en onder toeziend oog van Vader, hun eigen devote dankbaarheid aan het Opperwezen kenbaar. Denk aan het beeld uit de tv-serie ‘Bartje’. Na het gebed werd het eten verdeeld. Vader kreeg vanzelfsprekend als eerste, Moeder schepte dan zichzelf op, en de kinderen kregen als laatsten, in volgorde van hun geboorte. Een plechtig ritueel, dat opscheppen, dat in stilte werd uitgevoerd. Ook tijdens de maaltijd werden kinderen geacht hun mond te houden, in ieder geval niet eerder te spreken dan nadat ze aangesproken werden. Vader en Moeder zeiden ook niet veel. De gezamenlijke maaltijd (‘gezellig, zo aan tafel!’) werd vooral in stilte genoten. Het enige geluid was het getik en gekras van bestek op aardewerk. Gelukkig stellen we nu aan tafel zelfs de jongste kinderen in staat hun ervaringen van de dag te delen. Vooruitgang? Zeker weten!

Vader, Moeder, kinderen. Het gezin, hoeksteen van de samenleving. En al die hoekstenen samen vormden de maatschappij, of eigenlijk diverse maatschappijen. Want de maatschappij bestond niet. Nederland in 1965 kan het best worden vergeleken met een colonnade, een zuilengalerij, waar elke burger zich het liefst schaarde rond de eigen zuil. Er was een Katholieke zuil, een Gereformeerde, een Hervormde, een Socialistische, een Humanistische, een Commu… het beeld moge duidelijk zijn. Elk van die zuilen had zijn eigen… alles! Een eigen krant, een eigen sportvereniging, een eigen politieke partij, enzovoort, en zo verder. Zondags ging men naar de eigen Kerk en luisterde naar de eigen donderpreek. Vanaf de kansel en van achter het altaar kregen de gelovigen door de pastores en voorgangers ingeprent hoe ze moesten leven, wat ze moesten denken, welke krant ze moesten lezen, op wie ze moesten stemmen. In Katholieke kring was stemmen op de KVP een heilige plicht. Het begrip ‘doorbraak’ bestond al wel, maar was lang nog niet ingeburgerd. Verbreken van het pastoraal gebod om Katholiek te stemmen kon je op ‘Eeuwige Verdoemenis’ komen te staan. Nu ik dit schrijf vraag ik me af hoe ‘meneer Pastoor’ er achter kon komen hoe je gestemd had. De biechtstoel? Hoe dan ook, er lag een kloof tussen al die zuilen die zo diep was dat overbruggen onmogelijk leek.

De toekomst van deze verdeelde samenleving werd veilig gesteld door de kinderen in die zin vooral op confessionele scholen (met instemming en in opdracht van de ouders) te indoctrineren. Neem bijvoorbeeld de Christelijke School (leg bij het uitspreken de nadruk op ‘Ch’, waarbij de huig flink moet trillen) waar ik naartoe ging. Een eindje verderop in de straat stond een ‘Openbare’. De meester (ik zat in wat tegenwoordig de bovenbouw heet en dus stond er een meester voor de klas) verbood zijn leerlingen, met een overtuiging alsof zijn voorvaderen in de schoolstrijd waren gesneuveld, ten strengste om contact met de leerlingen ‘van de overkant’ te leggen, ‘want die bidden niet voor het eten’. En zo kon het gebeuren dat kinderen liever een straat verderop met leeftijdgenoten van dezelfde ‘zuil’ gingen spelen dan met hun buurjongens of –meisjes.

1965. Vijftig jaar geleden. Een verzuilde samenleving. ‘Allemaal hetzelfde, en toch ieder op ons eigen lekker verschillend,’ zei Simon Carmiggelt in de film ‘Alleman’. De ‘goeie ouwe tijd’. Maar is er eigenlijk wel zoveel veranderd in die vijftig jaar? Ik denk het niet. In feite zijn we nog steeds zo verzuild als de pest, alleen herkennen we dat niet meer, willen we dat niet herkennen. Natuurlijk, er zal niemand meer schromen, op een enkele uitzondering na, om als Protestant een Katholieke kerk binnen te stappen of andersom. Maar een moskee, een Synagoge, een Tempel…? Er zal niemand meer gek opkijken of, wat erger is, er kwaad van spreken als een Katholiek meisje trouwt met een Protestantse jongen. ‘Twee geloven op één kussen…’ is niet meer van deze tijd, zeggen we dan. Maar wat als onze dochter verliefd wordt op een moslim? ‘Papa, Khalid en ik willen in de Moskee trouwen.’ Wees eerlijk: hebben we daar geen moeite mee? Echt niet? Ik geloof er geen barst van!

We krijgen nog steeds van alle kanten een mening over ‘die anderen’ aangepraat, alleen is het nu niet meer Meneer Pastoor, maar de buurman met wie we de goede vrede willen bewaren, de baas van wie we afhankelijk zijn voor behoud van onze baan, of een enkele politicus die, laat ik het maar plat zeggen, aan onze zachte onderbuik appelleert en ons angst als enige raadgever aanprijst. Geen enkele van die meningen is onverdeeld positief, en we schreeuwen elkaar als even zoveel papegaaien na. Maar praten we ook met de Turk, de Marokkaan, de Moslim, de Jood, de Hindoe, de… noem het maar op? Hoe kunnen we dan weten hoe zij over onze samenleving denken en waarom ze dat doen? Willen we dat wel weten? Waarom niet? Staan we open voor hun denkbeelden of verwerpen we die nog voor we ook maar iets gehoord hebben? En waarom? Waarom zouden we niet eens aannemen dat een Turk of Marokkaan, een Moslim of Jood net zo goed als wij zinnige dingen kunnen zeggen over hoe we met elkaar omgaan? Waarom gaan we dat gesprek niet gewoon aan? Maar nee, Vijftig jaar geschiedenis heeft ons niets geleerd. Geen vooruitgang. We zijn nog steeds verzuild. Alleen hebben de pilaren andere etiketjes gekregen. Wat jammer.

© Cees Geluk, januari 2015

18. jan, 2015

Laat ik beginnen met je, net als Diederik Samsom, mee te delen dat ik me er geen voorstelling van kan maken hoe het is om 24 uur per dag, zeven dagen in de week, een aantal dubbelgespierde kleerkasten om je heen te moeten hebben die opdracht hebben je te volgen tot, bij wijze van spreken, het toilet aan toe. En mag ik, net als Samsom, de hoop uitspreken dat je weer heel snel het genoegen zult smaken je natuurlijke behoefte te kunnen doen zonder die kleerkasten om je heen. Tot zover de vergelijking tussen Samsom en mij want, om misverstanden te voorkomen, hij is, net als jij, absoluut niet mijn politieke vriendje.

Beste Geert.

De afgelopen tijd heb je méér dan luidruchtig je gelijk gehaald. Eén en andermaal heb je geroepen dat de Islam wortel is van alle kwaad. Met de aanslagen in Parijs nog vers in het geheugen zag je je kans schoon. Je voegde het Kabinet toe dat het bij de volgende aanslagen, mochten die er in Nederland van komen, bloed aan de handen heeft, dat het – jouw woorden – ‘niet meer kan wegkomen met “Wir haben es nicht gewusst”’. Een duidelijke verwijzing naar een donkere periode uit de recente geschiedenis. Een verwijzing die ik niet erg kies vind, maar wie ben ik?

Beste Geert.

Meen je nu werkelijk dat het er veiliger op wordt als we allemaal als lemmingen aanhollen achter een slogan uit diezelfde donkere tijd, namelijk, en ik parafraseer: ‘Die Muslime sind unser Unglück’? Werkelijk?! En gesteld dat er genoeg lemmingen te vinden zijn om jou aan het pluche te helpen als coalitiepartner of, erger: als grootste partij, wat dan? Een verbod op de Koran heb je al aangekondigd. Sluiting van alle moskeeën heeft je collega Machiel de Graaf, ongetwijfeld op jouw instigatie, al voorgesteld. Moslima’s zouden moeten gaan betalen (‘kopvoddentaks’, hoe kwetsend wil je het hebben?) om in de uitvoering van Soera ‘Al-Nur’, vers 30 en 31 hun haar met een stukje stof om te mogen bedekken. Terwijl ook in ‘onze’ Bijbel (1 Corinthiërs 11, vers 5 en 6) iets staat over hoofdbedekking voor vrouwen. Denk je echt dat dit soort maatregelen aanslagen en dergelijke gaan voorkomen? Ik niet. Ik pretendeer niet de oplossing te kennen, maar deze 'oplossingen' zullen zeker niet werken.

 Beste Geert.

Wat je doet is – de vergelijking gaat mank, maar dat geldt voor iedere vergelijking – de auto-industrie verwijten dat er verkeersdoden vallen als individuele bestuurders te hard rijden. Natuurlijk kun je met een auto te hard rijden, maar als dat gebeurt is dat dan de schuld van de industrie of van die individuele bestuurder? Showrooms sluiten omdat er mensen zijn die hun rechtervoet niet in bedwang hebben. Dat kun je toch niet serieus menen?! Nee, dat kan niet.

Met Mark Rutte – overigens óók al geen politieke vriend – ben ik van mening dat wat je doet héél makkelijk is. Je gilt dat je de moed hebt de problemen te benoemen ‘daar waar anderen dat niet doen’. Dat moge zo zijn, maar daar laat je het dan ook bij. Oplossingen noem je niet. Nee, ik lieg. Je noemt wèl oplossingen, ik heb ze hierboven geschetst. Maar je toont niet aan dat, en hoe, die oplossingen gaan werken om Nederland veiliger te maken. Het is roeptoeteren, het is de massa bang maken en vervolgens die bang gemaakte massa naar de mond praten, het is naar mijn bescheiden mening net zo gevaarlijk als jij de Islam vindt.

Beste Geert.

Gelukkig leven we in Nederland. Een land waar, daar ben ik van overtuigd, de ‘onderbuik’ waar jij aan appelleert, in de minderheid is en zal blijven bij het weldenkende (wèl denkende) deel van de bevolking. ‘Minister-President Wilders’ gaat er dus, God en Allah gedankt, niet van komen…

© Cees Geluk, januari 2015