11. dec, 2016
Het is warm in het etablissement waar ik een uur geleden ben neergestreken. Half april en de opwarming van de aarde laat zich al weer voelen, buiten en dus ook hier binnen. Door de manier waarop het café is opgezet kunnen er geen ramen open. Aan de andere kant is het ook wel prettig, het had ook stervenskoud kunnen zijn en dan was hier moeten zitten wachten geen plezierige bezigheid geweest. Het is vrijdag, bijna weekend en ik heb net een tweede biertje gekregen. Ik houd het hier nog wel even uit. Ik heb mijn colbertje uitgedaan en over mijn stoel gehangen, zo is het goed te doen. Dan gaat de deur open, wat gek genoeg een weldadig koel aanvoelende luchtstroom oplevert, en ik zie ze. Ik ken ze, zie ze bijna dagelijks op tv. Druk pratend nemen ze plaats aan een tafel waarvan ik al wist dat die voor hen gereserveerd zou zijn, reden waarom ik aan deze tafel ben gaan zitten: uit hun gezichtsveld want achter een pilaar, maar dicht genoeg in de buurt om hun gesprek goed te kunnen volgen.
Eén van de twee is het meest aan het woord. Dat is logisch, bij de laatste verkiezingen is zijn beweging, die in de media steeds als gedoodverfde winnaar werd afgeschilderd, inderdaad als grootste uit de bus gekomen. Het gesprek gaat over de onderhandelingen voor een nieuw kabinet. De leider van de grootste fractie houdt voet bij stuk: ondanks dat niemand met hem wil samenwerken is hij de aangewezen persoon om leiding aan dat nieuwe kabinet te geven. Zijn beweging vertegenwoordigt immers het grootste deel van het volk?
“Ja, maar,” brengt de leider van de ‘nummer twee’ in, “met zulke standpunten zal niemand zich willen verenigen. Je kunt van niemand verwachten dat ze daarmee instemmen.”
“Toch hebben miljoenen mensen in mijn programma aanleiding gezien daar hun stem aan te geven.
Ik zie niet in waarom de rest van de partijen daar niet in mee wil, al was het maar voor een deel.”
“Omdat het raakt aan de kern van wie we in dit land willen zijn. Jij hebt hekel aan de eeuwenlange traditie van tolerantie en verdraagzaamheid, aan alles dat mooi en goed is in dit land. Mensen en dus ook hun gekozen vertegenwoordigers vinden het waard om dat te verdedigen tegen ideeën van het soort dat jij voorstaat.”
“Dat zou je niet zeggen, als je ziet hoe de elite tegenwoordig de belangen van juist het volk aan Brussel verkwanselt. Maar ik wil het daar niet over hebben, het gaat me om de ‘top job’ en dar weet je. Ik ben niet alleen de beoogd premier van dit land omdat mijn beweging de grootste is, ook moreel. Jouw partij is me dat na al die jaren gewoon verplicht. En jij persoonlijk al helemaal.”
“Hoezo dat?”
“Ik kan me niet voorstellen dat je dat niet meer weet. Ongeveer twaalf en een half jaar terug waren we nog collega’s. Jij werd toen de staatssecretaris die ik vond dat ik had moeten zijn, ik bleef gewoon Kamerlid. Ik heb dat toen, naïef als ik was, getolereerd. Ik kon niet anders. Maar op enig moment moest ik van de partij mijn mening inslikken, matigen, me aan de fractiediscipline conformeren en verder vooral mijn bek houden. Daar kon ik niet mee leven. Op dat moment hebben we in de voorganger van dit café gezeten. Jij had de opdracht me uit te leggen dat, en waarom, ik uit de partij zou worden gezet. Jij hebt me toen verteld dat een breuk tussen de partij en mij misschien niet zo’n heel erge ramp zou zijn. Ik zou de leden van de partij die achter mijn standpunten stonden een politiek ‘thuis’ kunnen bieden en, zo zei je, als ik ooit de grootste zou weten te worden en jij de nummer twee, dan zouden we samen optrekken om dit land om te vormen tot wat het altijd al had moeten zijn. Ik ben in jouw opdracht doorgegaan met het ventileren van mijn mening, heb me in jouw opdracht de partij uit laten zetten en ben dus in jouw opdracht geworden wie en wat ik nu ben. Ga me niet vertellen dat je dat vergeten bent. Ik wil nu verdomme gewoon wat me toekomt, wat je me toen beloofd hebt!”
Als om de laatste opmerking kracht bij te zetten beukt de leider van de grootste fractie zo hard op het tafeltje dat de glazen rinkelend op de plavuizen vloer kapot vallen. Ik leun even achterover, zodat ik om de pilaar heen het tafereel kan gadeslaan. Beide heren kijken wat verlegen om zich heen: ik ben niet de enige die in hun richting kijkt. Ze zijn even het middelpunt van een nieuwsgierige belangstelling. De leider van ‘nummer twee’ herneemt zich: “Kom, we gaan. We hebben hier ons welkom wel even verspeeld, denk ik.”
“Als je wilt,” is het antwoord, “Maar denk nu niet dat ik mijn positie ga veranderen.”
“Helemaal niet, maar we moeten hier ergens anders, op een rustiger plek, over verder praten. Kom.”
Dat is mijn teken. De heren staan op en ik ook. Verdorie, ik heb nog niet afgerekend! Snel loop ik naar de bar, zeg waar ik gezeten heb en leg wat geld op de toog. Zonder op wisselgeld te wachten draai ik me om en zie de twee nog net de deur uitlopen. Op een holletje loop ik terug naar mijn tafeltje, schiet mijn colbertje aan, pak de beugel van de ‘trolley’ met mijn gereedschap en vertrek. Buiten zie ik ze nog net in een auto stappen. De chauffeur van wat nu nog de demissionaire premier is rijdt in volle vaart weg. Geen probleem, ik weet waar hij heen gaat. Zo is dat immers afgesproken. Ik steek mijn rechter arm omhoog en als afgesproken stopt mijn collega naast me. Ik zet de ‘trolley’ op de achterbank en neem plaats op de passagiers-stoel.
“Waarheen,” wil mijn collega weten.
“Park C,” is mijn korte antwoord. Dat is de locatie die ik volgens de afspraak heb opgemaakt uit de manier waarop het gesprek tussen de twee politici eindigde. Mijn collega herhaalt mijn antwoord in zijn mouw en we rijden weg.
Een half uurtje later stoppen we bij het park. De auto van de premier staat er al, ik heb de signalen dus goed begrepen. Hier zal ik mijn opdracht uitvoeren. Ik neem de ‘trolley’ van de achterbank en ga het park in. Ik weet waar ik de heren kan vinden. Twee dagen geleden ben ik hierover geïnstrueerd. Ik loop een pad in, links, rechts en weer links en dan een lange klim een heuvel op. Op de top daarvan is een uitkijktoren die al is ontruimd. ‘Vanwege de veiligheid van de premier’. Ik open de ‘trolley’. Vreemd, hoe koud het metaal toch aanvoelt, ondanks dat het best warm is. In de zak van mijn colbertje vind ik de chirurgische handschoenen. Ik wil immers geen vingerafdrukken. Snel assembleer ik mijn gereedschap en neem plaats op het bankje in de uitkijktoren. Ik leg het wapen aan mijn schouder en laat de loop op de balustrade rusten, op de zandzak die daar al voor me is neergelegd. Zo ontstaat een stabiel scherpschuttersnest vanwaar ik bijna niet kan missen. Ik controleer het vizier. Dat werkt en voor de tweede keer vandaag wacht ik.
Gelukkig hoef ik niet lang te wachten. Na wat ik denk een kwartier is (ik verlies als ik aan het werk ben altijd mijn gevoel voor tijd) zie ik ze. Druk gebarend en in hevig gesprek. Ik kan dat gesprek nu niet meer volgen maar dat is niet erg, ik weet wat me te doen staat. Precies op de afgesproken plaats gaan ze in het gras zitten. De beveiliging van beiden is op afstand gebleven, het park is immers ontruimd en afgezet. Daarmee zijn de twee heren beneden veilig. Denken ze. Ik weet dat ze net zo lang in gesprek zullen blijven als nodig is. Mijn opdrachtgever heeft dat zo geregeld. Ik heb alle tijd om aan te leggen, het beeld in mijn vizier te controleren, mijn vinger aan de trekker te brengen en langzaam, oh zo langzaam steeds harder te knijpen.
Als het wapen afgaat schrik ik daar even van. Doe ik altijd: door het steeds harder knijpen is het exacte moment van het afvuren niet helemaal te bepalen. Ik schrik niet van het geluid, de demper doet immers zijn werk, maar van de terugslag, hoe klein die ook is. Het schrikmoment duurt echter maar een fractie van een seconde, dan neemt mijn professionaliteit het weer over. In mijn vizier zie ik dat het eerste schot meteen voldoende is geweest. Eén van de heren ligt roerloos op de grond, de ander speelt zijn rol subliem: hij doet alsof hij volledig in paniek is. Hij zal worden afgevoerd naar een locatie waar hij van zijn ‘schrik’ kan bekomen. Ik haal mijn wapen uit elkaar, berg het op in de ‘trolley’ en loop op m’n dooie akkertje weg. Via een sluipweg die me is uitgelegd verlaat ik het park en loop op de auto van mijn collega af.
De hand op mijn schouder brengt me van mijn stuk. Dit is niet wat ik verwachtte, niet wat we hebben besproken. Ik zou naar het vliegveld worden gereden, waar het ticket voor de reis klaar zou liggen. Over twee dagen zou ik de rest van mijn honorarium krijgen en dan de rest van mijn dagen onder de tropenzon kunnen slijten zonder voor uitlevering te hoeven vrezen. Ik draai me om en zie een compleet onbekend gezicht.
“Mag ik eens zien wat u daar in die roltas heeft,” vraagt het gezicht dreigend. 
“Waarom,” probeer ik.
“Omdat je zojuist een belangrijk politicus hebt omgebracht, klungel, daarom! Je denkt toch zeker niet dat we dat over onze kant zouden laten gaan?”
“Ja maar ik dacht...”
“‘Dachten’ moet je aan een paard overlaten, knul, die heeft een veel grotere kop. Wat je allemaal denkt te hebben afgesproken is ons bekend. Met je vliegticket zal een dubbelganger vertrekken en het geld is van de rekening teruggeboekt naar waar het vandaan kwam. En jij? Jij gaat met ons mee naar een lekker warm hokje dat we speciaal voor figuren als jij hebben.”
Ik kijk in de auto waar ik in had zullen stappen. Op de bestuurdersstoel zit mijn collega, alsof hij nog steeds op me wacht zoals de afspraak was. Zijn hoofd staat in een onmogelijke hoek en zijn donkere overhemd ziet er in de inmiddels invallende schemering uit alsof het natgeregend is. Maar het heeft vandaag helemaal niet geregend. Ik voel hoe mijn handen achter mijn rug worden gebracht en mijn polsen doen pijn als de tie-rip hard wordt aangetrokken. Ik word zo hardhandig aan mijn armen getrokken dat mijn schouders uit de kom lijken te schieten. We lopen richting een derde wachtende auto, langs de auto van de premier. Vreemd dat de chauffeur dáárvan ook al in zo’n vreemde houding zit. In mijn hoofd springen alle mogelijkheden en onmogelijkheden als gek geworden chimpansees door elkaar. De man die me nu beet heeft hoort duidelijk niet bij mijn opdrachtgever, maar blijkbaar ook niet bij die ander. Wat dan? Wie heeft hier de touwtjes in handen? Het portier gaat open en ik word weinig ceremonieel op de achterbank gegooid. Naast me zie ik het gezicht van mijn opdrachtgever.
“Wat...”
“Dacht je nou werkelijk dat ik maar één van die twee klungels om zeep wilde hebben? Natuurlijk niet. Op dit moment leven ze al geen van tweeën meer. Waarom alletwee? Dat is voor jou van geen belang. Het mooie is namelijk dat we jouw wapen hebben om aan te tonen dat jij ze hebt omgebracht. Alleen jammer dat niemand de moordenaar ooit zal vinden. Jij gaat voor ons in allerlei verre buitenlanden dingetjes doen, vergelijkbaar met wat je net gedaan hebt. Onder streng toezicht, dat wel. We kunnen ons niet veroorloven dat je in een onbewaakt ogenblik je memoires gaat publiceren.”
“Mijn wapen? Hoezo: aantonen dat ik het was? Ik heb immers helemaal geen...”
“...vingerafdrukken achtergelaten, bedoel je? Jammer voor jou, maar die hadden we al. Toch lekker, zo’n glaasje bier op een warme dag in april, niet?”
Stom! Ik ben er volledig ingetuind! Het wachten in het café hoorde bij het plan, maar niet zoals ik had gedacht. Vanaf het begin heeft mijn opdrachtgever de bedoeling gehad mij voor de moord op beide politici op te laten draaien. En ik heb het nooit doorgehad. Wat ben ik stom geweest. Geraffineerd spel, dat moet ik toegeven.
De auto zet zich in beweging. De ramen zijn geblindeerd dus ik kan niet zien waar het heen gaat. Dat interesseert me ook niet want ik zal het hoe dan ook nooit overleven. Ooit zal één van de ‘dingetjes’ die ik blijkbaar voor deze figuur moet gaan doen me fataal worden. Het enige dat ik kan doen is iedereen op het laatste moment nog een hak te zetten.
“Okay, ik begrijp het,” zeg ik. “Het zal me ook worst zijn hoe je te werk bent gegaan en waarom. Ik overleef dit niet en dat accepteer ik, dat is het risico van het vak dat ik gekozen heb. Maar doe me één lol: maak mijn handen los wil je, want mijn neus jeukt alsof er een bende mieren doorheen loopt.”
 Mijn opdrachtgever kijkt me geamuseerd aan. “Ach, je komt toch niet weg, de deuren zijn vergrendeld.” Uit zijn zak haalt hij een mes, ik voel hoe hij de tie-rip doorsnijdt en hoe heel pijnlijk de bloedvaten van mijn handen zich weer vullen. In een fractie van een seconde pak ik mijn linker voet en draai de hak van de schoen een kwartslag. Wat een vreselijk cliché, maar wel een dat werkt: een huurmoordenaar met een zelfmoordcapsule in de hak van zijn schoen! Mijn opdrachtgever heeft me echter door. Met een beweging die in de beperkte ruimte eigenlijk niet mogelijk zou moeten zijn slaat hij de capsule uit mijn hand. “Nee, verdomme! Mijn opdrachtgever wil je levend hebben..!” Als hij de verbazing in mijn gezicht ziet zegt hij: “Ja, denk je nou werkelijk dat iemand, wie dan ook, in deze wereld alleen voor zichzelf bezig is? Natuurlijk niet. Jij werkte, dacht je, in opdracht van een politicus, maar die werkte in mijn opdracht. Ik heb zelf ook een opdrachtgever en ik maak me sterk dat hij óók weer een baas heeft. Iedereen werkt voor iedereen. Wie aan het eind van die hele rij bazen en uitvoerders uiteindelijk aan alle touwtjes trekt? Ik heb geen idee, maar waarom zouden we dat willen weten? Al die opdrachten achter elkaar zorgen immers voor een geldstroom die dagelijks bijna sneller dan het licht de hele wereld over gaat en daar pikt iedereen, groot of klein, zijn graantje van mee. En nu ga jij lekker slapen, knul...” 
Met eenzelfde soort beweging als waarmee hij de capsule uit mijn hand sloeg geeft hij me een klap op mijn achterhoofd met iets dat in het schrale schemerlicht glinstert als metaal. Voordat de sterrenregen donker wordt flitst er door m’n hoofd: waar haalt-ie dát ding nou ineens vandaan..?
 
© Cees Geluk, december 2016
5. sep, 2016

1961.

Een toilet kon het niet genoemd worden. Het waren twee metalen bakken, één aan elke kant van de ruimte. Hier moest iedereen, dat wil zeggen de jongetjes, doen wat jongetjes er normaal gesproken doen. Hij was al klaar, wachtte totdat de juf hem en zijn klasgenootjes zou terugbrengen. De deur ging open en daar stond juf Knosse, een grote en (besefte hij veel later pas) foeilelijke vrouw. ‘Allemaal klaar?’ Tweeënwintig koppetjes gingen instemmend op en neer: ‘Ja, juf.’ Juf Knosse inspecteerde de ruimte om te zien of ze iedereen had. ‘Wat is dít nou?’ Juf brulde het bijna uit. ‘Wie heeft dít gedaan?!’ Hij stond er het dichtste bij en zag wat juf bedoelde. Op de grond, op de witte tegels, lag een plas geel gekleurd vocht. Iemand had het blijkbaar niet op kunnen houden en zijn ding gedaan nog voor hij de bak had kunnen bereiken. Hij voelde twee vingers die hard aan zijn oor trokken. ‘Jij viespeuk!’ De vingers trokken naar beneden, hij werd met zijn gezicht bijna op de grond gedrukt. ‘Als je moet plassen, doe je dat in de bakken! Nu heb je de wc vies gemaakt. Voor straf mag je hier nooit meer plassen!’

Doodongelukkig liep hij naast zijn moeder naar huis. ‘Hoe was het vandaag,’ vroeg ze. Hij zweeg. Hij was pas vier, hoe kon hij het gevoel van onrecht dat hem overweldigd had onder woorden brengen? Juf Knosse had gezegd dat hij buiten de bak had geplast, maar dat had hij niet. Toch durfde hij het zijn moeder niet vertellen, bang als hij was dat hij van haar óók straf zou krijgen. Hij zou zich stil houden en op school dan maar niet meer plassen.

 

1969.

Met vier hoopjes kleren waren aan weerszijden van het schoolplein twee ‘doelen’ gemaakt, dertig meter uit elkaar. In het midden had een groepje jongens een kring gevormd. In het centrum van die cirkel stonden twee van de jongens, de beste voetballers van de klas. Ze waren aan het ‘poten’, een ritueel dat moest worden uitgevoerd vóór er gevoetbald kon worden. Ieder zette de ene voet met de hak vóór de teen van de andere en zo kwamen ze naar elkaar toe. Degene die de laatste volle voet kon neerzetten, had ‘gewonnen’ en had de eerste keuze bij het samenstellen van zijn voetbalploeg. Om en om werden de namen van de omstanders genoemd, waarna ze zich achter hun ‘aanvoerder’ opstelden. De kring werd dunner en dunner. Totdat er nog één over was. ‘Neem jij die maar,’ zei de ene aanvoerder. ‘Nee, ik wil hem niet,’ zei de ander, ‘hij kan niet voetballen. Als ik hem neem verlies ik zeker en daar heb ik geen zin in.’ Zo werd er nog wat heen en weer geruzied.

Het onderwerp van de onenigheid had zich in de tussentijd al teruggetrokken. Hij leunde tegen de muur van de school en keek hoe de andere jongens zich vermaakten met het voetbalspel. Gelukkig, dacht hij, was hij vandaag niet ‘gepakt’, zoals dat heette. Dat gebeurde bijna iedere dag. Al bij het hek werd hij opgewacht door drie of vier klasgenoten die hem achterna zaten en hem, als ze hem ingehaald hadden, een paar rake klappen verkochten. Klappen waarvan hij wel last had, maar die niet zichtbaar waren. Ontsnappen kon hij er niet aan, hij moest immers naar school. En zijn moeder kon hij het niet vertellen. Niet meer. Hij had het wel eens gedaan maar het enige dat ze zei was: ‘Laat het nou maar, jongen. Doe er maar niets tegen. Je zult zien, als je er niet tegenin gaat, gaat de lol er vanzelf vanaf en stoppen ze wel.’ Daarna had hij het er nooit meer met haar over gehad. Hoezeer het gevoel van onrecht, van uitsluiting hem ook pijn deed, hij zou het alleen dragen.

 

1976.

De bel ging en wéér was een lesuur voorbij. Omdat er een leraar ziek was maar er die dag nog meer lessen waren ontstond er een ‘tussenuur’. Er waren klasgenoten die dat tussenuur gebruikten om huiswerk te maken of de volgende les voor te bereiden. Er waren er ook die de gelegenheid aangrepen om buiten het hek te gaan roken. Daar zag hij ze staan, de ‘populaire’ jongens en meiden. Druk met elkaar in gesprek, lachend en grappend. Hij wist dat het geen zin had ernaartoe te gaan en mee te doen. Om mee te beginnen rookte hij niet. Nog niet, al wilde hij er misschien wel mee beginnen, roken, net als zij. Maar dan zou hij alsnog niet tot die exclusieve club toegelaten worden. Hij droeg niet de juiste kleding, zijn haar zat niet zoals de anderen het droegen en hij had een ‘ouderwetse’ schooltas in plaats van het gebruikelijke vierkante ‘klm-koffertje’. Hij was bovendien niet goed in sport. Hij was een paria, een ‘outcast’. Hij zette zijn tas op de grond en ging ernaast zitten. Uit de tas haalde hij het plastic zakje met boterhammen dat hij van thuis had meegekregen. Ook al zoiets dat hem anders maakte dan de rest. Die kochten in de snackbar in de buurt belegde broodjes. In stilte at hij zijn brood. Nog twee uur hierna, dan kon hij naar huis fietsen.

Daaraan denkend keek hij angstig om zich heen: was Arie ook op school vandaag? Arie kende hij van de lagere school. Arie was samen met Kees. Het waren twee vrienden die eigenlijk niet, maar volgens de logica van de middelbare school misschien ook weer wel tot de ‘populaire’ groep behoorden. Iedere dag dreigden ze hem van zijn fiets te zullen slaan en als dat lukte schepten ze erover op bij de populaire jongens en meiden. Die hadden dan weer stof om over te lachen en te grappen. Iedere dag werd zo een martelgang want alleen het gezicht van Arie en Kees te zien betekende dat hij, in zijn beleving, na het laatste uur moest fietsen voor zijn leven. Ontsnappen kon hij niet: zijn ouders wilden hem niet van school halen. ‘Nog maar een jaartje, dan heb je je diploma en is het allemaal voorbij,’ had zijn moeder hem voorgehouden. Dat dit onrecht hem vanaf de lagere school naar deze school was gevolgd verzweeg hij dan maar. Wat wist zijn moeder nou helemaal?

 

1978.

De sfeer in de manschappenkamer was vol van verwachting. Cas, de artistiekeling van groep 1, tweede peloton, Charlie-compagnie zou een zelfgemaakte film gaan draaien. De tien zaten rond de tafel in het midden, waar de projector was neergezet. Het scherm stond aan de kant van de kamer waar ook de ramen zaten. Dat voorkwam dat het licht van de lantaarns buiten naar binnen kwam. Hij had een plaatsje apart gevonden. Hij had al zijn hele diensttijd moeite gehad zich aan te sluiten bij zijn dienstmaten. Niet alleen omdat hij hun taal niet sprak (er waren Drenten, Groningers en ook Friezen bij) maar ook omdat hij hun gevoel voor humor niet deelde. En van hun kant hadden zijn kamergenoten hem vanaf het begin duidelijk gemaakt dat ze hem op de een of andere manier vreemd vonden. Hij werd getolereerd, de diensttijd was nu eenmaal een verplichting waaraan niet te ontkomen viel, maar meer ook niet.

Op het scherm verscheen het exercitieterrein. Cas had blijkbaar zijn camera meegesmokkeld tijdens het ochtendappel en had het hele ritueel gefilmd. Maar in plaats van de gebruikelijke commando’s had hij er marsmuziek aan toegevoegd. ‘Nu,’ zei Cas, ‘moeten jullie goed opletten. Er komt nu een geweldig komisch stukje’. Het beeld versprong en zijn hart sloeg over. Op het scherm zag hij zichzelf, diep in slaap. In beeld verscheen ook de kop van een bezem waarmee door zijn haar werd gewoeld. Zijn slapende evenbeeld draaide zich om en nam in die beweging de bezemsteel mee in zijn armen, zodat het leek alsof hij die omhelsde. Als muziek had Cas ‘Je t’aime, moi non plus’ van Jane Birkin en Serge Gainsbourg gekozen. De hele kamer brulde van het lachen. ‘Goh, wat zal jouw vrouw blij met je zijn, wat kan jij goed vrijen, zeg!’ Hij hoorde het nauwelijks, zijn ogen brandden. Maar hij kon zijn gevoel van onrecht niet op die manier uiten, wist hij. Hij moest immers nog een half jaar met deze kerels doorbrengen. Hij deed of hij het ook leuk vond, lachte vrolijk mee, klopte Cas op de schouder. ‘Goeie grap, Cas, werkelijk heel goed.’ Van binnen knakte er iets.

2016.

De onterechte beschuldiging van de kleuterjuf. Het besef op de lagere school dat hij niet goed genoeg was om mee te doen. De uitsluiting op de middelbare school omdat hij niet ‘paste’. De zieke grappen en grollen van zijn dienstmaten. Het waren maar een paar van de dingen die hij in zijn leven had meegemaakt. Er was nog meer gebeurd, veel meer dan hij zich kon of wilde herinneren. En steeds was ontsnappen aan de situaties waarin dat soort dingen gebeurden, onmogelijk geweest: eerst was er de leerplicht, later de dienstplicht en weer later de verplichting om voor zijn gezin in het levensonderhoud te voorzien. Hij was er een misantroop door geworden. Hij had geen reden meer om mensen zomaar te vertrouwen. Vrienden had hij niet, ruimtes met veel mensen meed hij als de pest. En ook dat werd hem onmogelijk gemaakt want iedere dag weer moest hij met het openbaar vervoer naar zijn werk in een andere stad. En dan deed hij wat hij in de loop van zijn leven had geleerd: stil zijn, niet reageren, wachten tot het over ging.

Maar ergens in het diepst van zijn ziel wist hij dat er buiten zijn vrouw en kinderen mensen moesten zijn die hij wél kon vertrouwen. Hij besloot daarnaar op zoek te gaan. Zijn zoektocht zou lang zijn, maar hij was vastbesloten te vinden wat hij zocht. En op dat moment zou hij juf Knosse, de twee jongens op het schoolplein, Arie en Kees van de middelbare school en dienstmaat Cas uit zijn hoofd kunnen bannen, hen kunnen zeggen: ik ben wél goed genoeg, ik hoor er wél bij, ik mag er wél zijn! Morgen zou hij ermee beginnen. En met die gedachte draaide hij zich om en viel voor het eerst in jaren in een diepe en weldadige slaap.

© Cees Geluk, september 2016

7. mrt, 2016

De banden waren niet pijnlijk, maar belemmerden wel de bewegingsvrijheid. Gefixeerd aan een metalen tafel, met riemen om hoofd, borst, polsen, heupen en net boven de knieën, kon hij zijn hoofd wel bewegen maar niet meer dan een paar centimeter naar links of rechts. Met zijn ogen helemaal in de hoeken kon hij, nu hij gewend was aan het zwakke schijnsel van de nachtverlichting, links de witte tegelwand zien met het metalen aanrecht met spoelbakken. Aan de andere kant bestond de wand geheel uit metalen deuren, elk ongeveer een meter breed en half zo hoog en met een centimeter of tien tussenruimte rondom. De tafel waarop hij lag was niet vlak maar liep naar het midden toe enigszins af, zodat bewegen van het lichaam, voor zover de riemen dat toelieten, lastig was. Van boven naar beneden helde de tafel ook, iets sterker dan naar het midden. Verder was hij voorzien van een afvoer, die voorkwam dat het water in de ronding van de tafel bleef staan. Jan wist waar hij was en waar hij lag: in de autopsieruimte, op een onderzoekstafel. Waarom hij hier lag was hem een compleet raadsel. Hoe hij hier terecht was gekomen had hij voor zichzelf inmiddels gereconstrueerd.

Vanochtend, – of was het gisterochtend? – had een chauffeur hem afgehaald en naar het ziekenhuis gebracht. Hij, Jan Breedijk, zou worden geïnstalleerd als het nieuwe hoofd palliatieve zorg. Zijn voorganger, met wie hij al jaren intensieve zorg verleende aan mensen in hun laatste levensfase, ging met pensioen. De installatie, kon Jan zich herinneren, was precies verlopen zoals hij zich had voorgesteld. Zijn voorganger had hem in zijn afscheidsspeech gekenschetst als iemand die gedreven was door de zorg voor juist de meest kwetsbare patiënten in hun meest kwetsbare momenten. Het feest erna herinnerde hij zich ook, zij het met moeite en dan nog schetsmatig. De aangeboden champagne had hij geweigerd, hij gaf er de voorkeur aan een simpel biertje te drinken. In tegenstelling tot alle andere afdelingshoofden kwam hij niet uit de gegoede burgerij, maar was hij een gewone ‘jongen uit het volk’. Begonnen als co-assistent was dit het summum dat Jan had kunnen bereiken en nu dus ook bereikt had. En dan smaakte een biertje hem toch beter dan wijn. Maar na twee (of drie?) biertjes voelde hij zich wat licht in het hoofd. Logisch, dacht hij, de emotie is me wat teveel geworden. Een lang gekoesterde droom was immers uitgekomen: leiding geven aan de afdeling die het verplegend personeel voor de grootste uitdaging stelde die de medische wetenschap te bieden had: zorg voor stervenden. Hij herinnerde zich nog dat hij naar het toilet was gegaan om zich wat water in het gezicht te deppen, daarna was alles zwart geworden. Hij was hier op deze tafel weer bij kennis gekomen.

 In de hoek van het vertrek, vanuit Jan’s positie boven zijn hoofd en dus voor hem onzichtbaar, zoefde de schuifdeur open, zoals dat al vier keer eerder was gebeurd. Vanuit zijn ooghoeken kon hij zien hoe de persoon in het zwart opnieuw een emmer in de spoelbak zette en die vol liet lopen. De schim draaide zich om en liep op de sectietafel af. De handdoek, nog nat van de vorige keer, werd weer over Jan’s neus en mond gelegd en gefixeerd. En langzaam, tergend langzaam, werd de volle emmer over de handdoek leeggegooid. ‘Waterboarding’ heette dat, wist Jan. Hij wist ook dat, hoezeer het er ook op leek dat hij zou verdrinken, dat niet zou gebeuren. Toch was daar de instinctieve angst voor de verdrinkingsdood, het oerinstinct tot zelfbehoud dat ervoor zorgde dat niet de ratio van het weten dat je niet zult sterven maar juist de angst voor de dood de overhand kreeg. Zijns ondanks vocht Jan tegen het water, tegen de riemen die hem al te veel beweging ontzegden. In een echt verhoor zou dit ertoe leiden dat het slachtoffer alles zou verklaren wat de dader wilde horen, als de marteling maar zou ophouden. Daarom ook was deze ondervragingstechniek zo omstreden, want de informatie was ‘van nature’ onbetrouwbaar. Maar er kwamen geen vragen. Na wat een eeuwigheid leek was de emmer leeg, werd de handdoek weggehaald en kreeg Jan de gelegenheid weer op adem te komen.

“Wie ben je en waarom ben ik hier,” bracht Jan uit. In tegenstelling tot de voorgaande vier keren draaide de zwarte figuur zich nu naar de tafel om. Het gezicht werd aan het oog onttrokken door een bivakmuts, alleen twee donkerbruine ogen en twee smalle lippen, bijna strepen, waren zichtbaar. Uit de weinige huid die door de gaten te zien was maakte Jan werktuigelijk op dat hij in handen was van een blank iemand, en dat die iemand er ontzettend bleek moest uitzien, op het witte af, mogelijk zelfs een ziekte onder de leden had. Achter het  masker knipperden de ogen langzaam. Voor het eerst produceerde de onbekende geluid.

“Wie ik ben is niet belangrijk,” klonk een donkere, hese mannenstem, “wie jij bent en wat je gedaan hebt veel meer.”

“Maar wat heb ik dan gedaan?”

“Mijn leven geruïneerd, maar dat zul je je niet herinneren, denk ik. Laat me je geheugen nog maar weer eens opfrissen.”

En daarmee liep de gemaskerde opnieuw naar de spoelbak, vulde de emmer en begon het hele ritueel opnieuw: de handdoek, het gevecht om voldoende zuurstof, de angst en de paniek, om weer te eindigen met de opluchting dat de verdrinkingsdood wéér niet had toegeslagen. De gemaskerde zette de emmer op de grond, haalde de handdoek weg en vroeg: “Je geheugen alweer een beetje op orde?”

“Ik heb geen idee wat je tegen me hebt, maar ik heb nooit de bedoeling gehad het leven van wie dan ook te ruïneren, ik begrijp echt niet wat je bedoelt.”

“Kan ik me voorstellen. Oké vooruit, ik leg het je uit. Hoe oud ben je?”

“Wat heeft dat ermee te maken?”

“Ik kan zó weer een emmer vullen, ik hou dit spelletje langer vol dan jij. Hoe oud ben je?”

Jan zag in dat het geen zin had met deze figuur in discussie te gaan. “Zevenenvijftig.”

“Dan is het precies vijftig jaar geleden dat je mijn leven hebt verpest. Een jubileum dat ik niet meer dacht te kunnen meemaken. Maar gelukkig is het me vergund.”

“Maar hoe heb ik vijftig jaar geleden... toen was ik zeven, idioot! Ik kan me van die tijd niets meer herinneren!”

“Maar ik des te meer. Stel je voor: jij en ik, beiden lid van dezelfde gymnastiekvereniging. Mijn ouders moesten kromliggen om de contributie daarvoor op te kunnen brengen. En na iedere gymles stond jij me onderweg op te wachten. Hoe je het presteerde weet ik niet, maar je was altijd eerder omgekleed dan ik en je wachtte me op.”

“Het zegt me nog steeds niets.”

“Iedere keer wachtte je me dus op, je mond vol met kraanwater. Dat spuugde je in m’n gezicht en dan rende je gierend van het lachen naar huis. Dat was het begin. Later had je vriendjes die je ertoe bracht hetzelfde te doen, zodat ik drie, vier monden water over me heen kreeg. Water en speeksel.”

Langzaam kwam de herinnering aan die tijd bij Jan terug.

“Wim? Wim van Andel, ben jij het?”

“Wie ik ben is, nogmaals, niet belangrijk. Het verhaal gaat verder. Door die constante dreiging en het niet kunnen ontsnappen aan steeds die volle monden water en speeksel werden de gymlessen een hel voor me en smeekte ik m’n ouders me van de vereniging af te halen. Vanaf dat moment heeft mijn vader me niet meer aangekeken. Ik had me aangesteld, vond hij, ik had geen doorzettingsvermogen getoond, ik was niets waard.”

“En dat verwijt je mij?”

“Kop dicht. Op de lagere school was het niet anders. We zaten immers op dezelfde school, jij een klas hoger dan ik. Jij wist jouw klasgenoten en de mijne te vertellen hoe makkelijk het was om me uit mijn evenwicht te brengen: een simpele mond water was voldoende. Ik heb van de klasgenoten geen plonzen water in mijn gezicht gehad, maar gepest ben ik zeker. En omdat ik jouw watermarteling vreesde, kon ik er weinig tegenover stellen.”

“Als je excuses wilt kun je die krijgen.”

“Te weinig en te laat. Na de lagere school was ik mentaal al zó ingesteld op het vermijden van anderen dat ook de middelbare school op zijn zachtst gezegd geen prettige periode voor me was. Ik heb weliswaar een Vwo-diploma gehaald maar een universitaire vervolgopleiding kon ik psychisch niet meer aan. Daardoor heb ik nu op de huidige neoliberale arbeidsmarkt nauwelijks tot geen kans meer op een fulltime baan. Ik ben vorige week bij een reorganisatie boventallig geworden en kan het verder als vijftigplusser zonder universitaire graad wel schudden. Ik moet zien rond te komen van een bijstandsuitkering. Mijn leven is geruïneerd.”

“Alleen maar vanwege een paar mondjes water vijftig jaar geleden? Kom op, zeg!”

“‘Iedere reis begint met een eerste stap,’ leert een oud Chinees gezegde. Die eerste stap was jouw watermarteling vijftig jaar geleden. Die gymnastiekvereniging moest ervoor zorgen dat ik meer zelfvertrouwen, meer gevoel voor eigenwaarde kreeg. Jouw pesterijen en de manier waarop je anderen ertoe bracht hetzelfde te doen hebben ervoor gezorgd dat ik daar nooit aan toegekomen ben. In die zin heb jij mijn leven verwoest en daarvoor ga je nu de prijs betalen.”

“Kom op nou, Wim! Als je vindt dat ik je leven heb verwoest dan spijt me dat ontzettend. Dat is nooit de bedoeling geweest. Het was gewoon een geintje onder vrienden. Vertel me hoe ik je kan helpen en ik doe wat ik kan.”

De figuur in het zwart zweeg verder, draaide zich om en liep weg. Jan stelde zich in op een nieuwe sessie waterboarding. Maar deze keer hoorde hij geen water lopen. En Wim stond ook bij een andere spoelbak, het verst van de tafel verwijderd. Wim draaide zich om en liep op de tafel toe.

“Geen handdoek deze keer. We doen iets anders. Zoals je ongetwijfeld weet, je bent tenslotte arts, is speeksel van zichzelf iets zurig. Dat helpt bij de eerste stap op weg naar vertering van ons voedsel. Ik heb de zuurgraad een beetje versterkt. Zo krijg je alle water en speeksel terug die ik jaren geleden van jou kreeg, met een redelijke rente...”

“Wim, wat ben je van pl...”

Voordat Jan zijn zin kon afmaken werd heel langzaam maar ook heel zeker, de emmer boven zijn hoofd omgekeerd. Druppel voor druppel voelde hij het vocht op zijn voorhoofd vallen. En met iedere druppel werd een branderig gevoel dat eerst nog te verdragen was, steeds heftiger.

“Wim, hou op, alsjeblieft! Zeg me wat je wilt en ik doe alles!”

“Dat begrijp ik, maar destijds wist je ook niet van ophouden, al wist je donders goed dat ik dat graag wilde. We gaan gewoon nog even verder. Ik wil zeker weten dat je overtuigd bent van je voornemen om alles voor me te doen.”

En weer tipte de emmer voorover. Deze keer viel het vocht op Jan’s hals en schouders. Het voelde aan alsof zijn huid één grote schaafwond was die met jodiumtinctuur bewerkt werd.

“Wim, ik smeek je, hou hiermee op! Wat moet ik doen om je te laten stoppen?!”

“Niets, Jan, de emmer zal straks leeg zijn en dan ben ik klaar. Dan heb ik jouw leven verwoest zoals jij het mijne. Nog één keertje. Oh, wacht. Dat is waar ook, dat zou ik bijna vergeten.”

Jan reikte onder de tafel naar iets dat het geluid maakte van een tas of een rugzak.

“Zo, deze kunnen we niet missen.”

Jan’s oogleden werden opengesperd met klemmen die een oogarts gebruikt om ogen open te houden bij staar-operaties.

“We kunnen natuurlijk niet hebben dat je ogen uitdrogen op deze manier. Ik heb nog wat vocht in de emmer zitten, maar dat is denk ik nét niet genoeg voor mijn doel. Ik doe er nog wat zuur bij om hem af te vullen.”

“Wim, ik smeek je, stop hiermee! Ik heb destijds toch ook niet jouw ogen vernield?”

“Nee, maar wel mijn leven en op deze manier zal jouw leven ook niets meer waard zijn. Wie wil immers een dokter die niets kan zien? En als je je vak niet meer kunt uitoefenen heb je binnen de kortst mogelijke keren geen baan meer, net als ik. Eens zien hoe jij dat gaat overleven.”

En daarmee tipte de emmer weer. Door de opengesperde ogen zag Jan de straal op zich afkomen. Uit alle macht probeerde hij, tegen de druk van de klemmen in, zijn oogleden te sluiten. Tevergeefs. De straal kwam dichter en dichterbij, alsof er een film in 'super-slo-mo' werd afgedraaid. Jan zag het vocht op zich afkomen en kon alleen maar vermoeden hoe pijnlijk het zou zijn als zijn ogen door het zuur weggevreten zouden worden.

“Jan, jongen, wat is er in godsnaam met je?!”

Gretha, Jan’s vrouw schudde Jan wakker. Kletsnat van het zweet keek hij verwilderd om zich heen. Zijn vrouw, zijn bed, zijn slaapkamer, zijn huis. Geen sectietafel, geen emmer, geen zuur, geen Wim. Hijgend van emotie kuste hij zijn Gretha.

“Ik heb een nachtmerrie gehad. Maar zó levensecht dat ik werkelijk dacht dat ik... Nou, laat maar. Ik ga even naar de huiskamer, ik moet even op adem komen.”

“Natuurlijk, schat. Heb je iets nodig, kan ik je wat brengen?”

“Nee, ga jij maar weer slapen, ik kom zo weer terug.”

In de keuken trok Jan een biertje uit de koelkast, opende het flesje en zette het aan zijn mond. Het verbaasde hem dat hij zo levensecht had gedroomd over iets dat wel was gebeurd, maar dat hij allang vergeten was. Wim van Andel. Hij kon zich dat joch nog vaag herinneren. Het was een wat zonderlinge jongen geweest en inderdaad, een makkelijke prooi voor een verveeld opgeschoten knulletje als Jan.

Het biertje was op, Onderweg terug naar bed nam hij zich voor morgen zijn secretaresse eens uit te laten zoeken of Wim van Andel nog leefde. En misschien kon ze er ook achter komen hoe het met hem ging. Jan wilde zijn excuses maken, dit stukje verleden kunnen afsluiten. Het was ooit weliswaar alleen maar als geintje bedoeld maar nóg zo’n nachtmerrie hoefde hij niet meer mee te maken. En terwijl hij zijn ogen liet dichtvallen en in slaap zakte verbaasde hij zich erover dat zijn hals zo schraal aanvoelde...

© Cees Geluk, maart 2016

2. aug, 2015

De verjaarsvisite vandaag bij mijn vader ging voorspoedig. Het was gezellig. Een oom, broer van mijn moeder, en zijn vrouw waren er. En wij, mijn vrouw, kinderen en ik. Er werd gezellig over koetjes en kalfjes gepraat, er werd gelachen er was gebak en drank. Niets aan de hand. Mijn broer was er niet, terwijl ik hem juist op deze dag wel verwacht had. Waar hij was? Ik heb er werkelijk geen idee van maar hij trekt wel vaker zijn eigen plan. Misschien dat hij een dezer dagen nog komt. Mijn vader had er ogenschijnlijk geen moeite mee en zolang dat zo is laat ik het maar zo. Hij heeft het al zwaar genoeg.

Voordat we bij mijn vader langsgingen moesten we een ander bezoek afleggen. Ondanks dat ik er tegenop zag voelde ik ook de morele plicht om het te doen. Gelukkig kon ik op vrouw en kinderen rekenen maar zelfs als zij verstek zouden hebben laten gaan had me dat niet kunnen tegenhouden. Ik zou mijn plicht gewoon alleen vervuld hebben.

Bij de ingang vroegen we ons af waar ze precies zou zijn, mijn moeder. Mijn oudste dochter vond een informatiezuil, een digitale index die ons, na het invoeren van mijn moeders naam, haarfijn informeerde over haar exacte verblijfplaats. Welgemoed en toch wel een beetje gespannen gingen we op weg en we vonden haar op de aangegeven plaats. Ze lag bij drie andere personen, twee heren en nog een dame. In stilte, mijn moeder kon immers niets terugzeggen, bespraken we hoe ze erbij lag. De omgeving, de rust, dat soort zaken. We hadden er toch wel gemengde gevoelens bij. Ze lag hier helemaal alleen, zonder enig eigen herkenningspunt. En toch, vonden we, was dat ook weer niet zó erg. Iedereen die wilde kon haar dankzij de informatiezuil bij de ingang vinden, net als wij.

Na nog wat heen en weer babbelen tussen mijn vrouw, mijn kinderen en mezelf besloten we dat het tijd was haar de bloemen te geven. We hadden gekozen voor rode rozen met lange stelen. Dat vonden we voor deze dag wel passend. En toen het tijd werd om afscheid te nemen deed ieder dat op zijn eigen manier. De kinderen en mijn vrouw in stilte en ik... ik vond dat ik iets speciaals moest doen, iets dat voor mij op dat moment betekenis had en nog steeds heeft. Ik bracht mijn handen voor de borst, handpalmen tegen elkaar. Ik liet mijn hoofd iets zakken en raakte met mijn voorhoofd bijna mijn vingertoppen aan. Met een lichte buiging en een gefluisterd “Namasté” nam ook ik afscheid van mijn moeder. ‘Namasté’, ik groet je mama, misschien kom ik later nog weer eens op bezoek... Onderweg naar de verjaarsvisite bij mijn vader stond ik mezelf toe te ontspannen en tevreden te zijn. Alles was goed verlopen, vandaag net als vijf maanden geleden.

Volgens het spreekwoord is er voor alles een eerste keer. Een eerste keer die uniek is, er is hiervoor nooit een eerste keer geweest en er zal hierna ook nooit meer een eerste keer zijn. Het klinkt cryptisch maar het is absoluut waar: vandaag was de vijfentachtigste verjaardag van mijn moeder, maar de eerste zonder haar. Ze overleed vijf maanden geleden. Hopelijk liggen de bloemen die we haar hebben gegeven nog in de kruisvorm waarin we ze op haar graf gelegd hebben.

Namasté, mama, vaarwel.

© Cees Geluk, augustus 2015

19. apr, 2015

Het is half negen in de morgen als mevrouw Voskamp bij Herman wordt binnengereden. Ze is zijn eerste afspraak deze dag.

“Goedemorgen, mevrouw. Mijn naam is Herman. Ik ga u verzorgen vandaag. Nou, u heeft een mooie dag uitgekozen, zeg! Er is geen wolkje aan de lucht en het ziet er naar uit dat het de hele week dit soort weer zal zijn. Overmorgen schijnt zelfs de beste dag van deze maand tot nu toe te gaan worden. Een prachtige dag. Nou, we gaan er maar eens voor zorgen dat u dan voor de dag kunt komen.”

Mevrouw Voskamp blijft stil, maar dat deert Herman niet. Hij weet dat ze niet kan praten. Daarom houdt hij in z’n eentje het gesprek maar gaande. Onverstoorbaar verder babbelend helpt hij haar naar zijn werkplek. Hij merkt dat de gewrichten van de oude dame wat stram zijn en masseert daarom eerst haar vingers, handen en ellebogen tot ze weer soepel zijn. Ook de voeten, enkels en knieën krijgen een beurt.

“Zo, dat is klaar. Kunt u weer een beetje bewegen. Vindt u het goed als ik verder ga?”

Zonder op een antwoord te wachten helpt hij de vrouw uit haar nachtkleding en draait een kraan open. In een mum van tijd vult de geur van zeep de ruimte. Hermans keuze is deze keer op Lavendel gevallen. Vol aandacht wast hij met weldadig lauwwarm water en een zacht washandje gezicht, benen, armen, haar hele lichaam. Er wordt geen stukje huid overgeslagen. Met een milde shampoo verzorgt hij daarna de haren. Als hij klaar is droogt hij alles af met zachte en donzige handdoeken en legt haar op een vers en schoon nieuw badlaken.

“Zo. Lekker schoon en droog. Dan ga ik nu eens zien hoe mooi ik u kan maken.”

Herman opent een metalen koffertje en haalt er kwastjes, poederdoosjes, crèmes, nagellak en meer attributen van de schoonheidsspecialist uit. Dit is het onderdeel van zijn werk waar hij het meest van houdt, waar hij de meeste voldoening aan beleeft. Hij begint met het insmeren van de armen en handen met een licht gekleurde crème die de kleur van haar huid net even dat ietsje natuurlijker laat overkomen. Dan zijn de nagels aan de beurt. Hij kiest een kleur nagellak die spreekt, maar vooral niet te uitbundig is. Dat past niet bij mevrouw Voskamp, maar vooral niet bij de manier waarop hij zijn taak beleeft. Hij wil dat zijn werk wordt gezien, maar niet dat het overheerst. Als Herman het goed heeft gedaan, weet hij, is duidelijk dat er iets gebeurd is, maar niet precies wat. Aanwezig zonder opvallend te zijn. Dat is waar hij naar streeft.

Na de armen, handen en nagels is het gezicht aan de beurt. Met een zachte spons brengt hij een foundation aan. Dan pakt hij een kwastje en brengt wat poeder op. Ook hier zorgt hij ervoor dat de kleur de huid het benodigde accent geeft zonder te schreeuwen. Een penseel zorgt ervoor dat ook de lippen kleur krijgen. De wat blauwige waas die er nu over ligt, weet Herman, vindt niemand prettig om te zien. Tenslotte borstelt hij de lange grijze haren, kamt ze netjes en brengt ze met haarspelden in een wrong achter het hoofd bij elkaar. Mevrouw Voskamp reageert niet. Natuurlijk niet. Niemand reageert hier. Herman neemt een paar passen afstand en bekijkt zijn werk.

“Netjes. U ziet er goed uit. Ik zal u nu maar verder aankleden want zo kunt u niet vertrekken.”

Met mevrouw Voskamp zijn ook haar kleren meegekomen. Een mooi blauw mantelpakje en een witte blouse. Een fraaie goudkleurige broche bezet met diamantjes maakt het geheel compleet. Met enige moeite, de gewrichten willen nog steeds niet echt goed meewerken, helpt Herman zijn klant in de kleding. Als laatste zet hij haar de bril weer op. Ze kan niets meer zien, maar die bril maakt het gezicht gewoon af. Opnieuw neemt hij afstand en kijkt. Kritisch, want hij weet dat zijn werk, ook al mag het niet te duidelijk zijn, voor heel veel mensen vaak heel belangrijk is.

Op dat moment wordt er geklopt. Als Herman de deur opent staat daar de collega die mevrouw Voskamp tweeënhalf uur geleden heeft gebracht.

“Is ze klaar?”

“Ja hoor, kijk maar. Ik mag best tevreden zijn, al zeg ik het zelf. Is ze geen plaatje voor haar leeftijd?”

“Ja. Je zou haar de negentig niet geven.”

“Zal ik je even helpen,” vraagt Herman.

“Graag,” antwoordt de collega, en kijkt Herman nadenkend aan.

“Wat is er,” wil hij weten.

“Hoe doe je het toch, Herman, iedere dag weer. Vier, soms vijf keer per dag.”

“Ach, weet je,” zegt deze, ik ben blij dat ik dit doen kan. Ze kunnen het zelf niet meer en iemand moet het voor ze doen. En uiteindelijk helpt het de nabestaanden bij de verwerking. En dat vind ik een mooie gedachte. Zullen we dan maar?”

“Is goed.”

Samen tillen ze mevrouw Voskamp op. Herman neemt de schouders, waarbij hij voorzichtig het hoofd ondersteunt, de collega tilt aan het voeteneind. Ze tillen haar van de werktafel over in de klaarstaande kist. Herman vleit het hoofd op het satijnen kussen en slaat de deken over de benen van de dode vrouw. Dan legt hij de handen liefdevol op elkaar op haar buik. In opwelling kust hij de toppen van zijn wijs- en middelvinger en drukt die op het voorhoofd van de overledene. De collega kijkt het wat bevreemd aan.

“Evengoed toch triest,” zegt Herman.

“Wat,” vraagt de collega.

“Nou, dat mevrouw overmorgen helemaal alleen zal zijn. Ik heb begrepen dat ze via haar huisarts in de hospice is geplaatst. Dat ze helemaal alleen was, dat er niemand bij haar op bezoek is geweest. Ze had helemaal niemand meer. Geen man, geen kinderen, geen familie, geen vrienden, helemaal niemand. En overmorgen gaat ze voor het laatst op reis, met niemand om afscheid van haar te nemen.”

“Jezus, Herman! Ga je daar nou niet druk om maken, wil je? Dat soort dingen gebeuren nu eenmaal. Hoe ouder mensen worden, hoe vaker het voorkomt dat ze hun vaste kring overleven, alleen achterblijven. Dat hoort bij het leven, is niks aan te doen. Zet het van je af, is mijn advies. Als je daarover gaat zitten piekeren, kun je straks misschien dit werk niet meer doen.”

“Toch vind ik het jammer voor zo’n mevrouw. Ze heeft toch ook geleefd? Wie weet zou ze het wel plezierig hebben gevonden om te weten dat er nog iemand om haar gaf. Weet je, ik ben overmorgen toch vrij, ik ga haar gewoon dat laatste stukje begeleiden.”

“Moet jij weten. Ik breng deze mevrouw terug en breng je dan de volgende patiënt. Oké?”

“Ja hoor,” zegt Herman en kijkt de collega nadenkend na.

De collega rijdt de kist met mevrouw Voskamp naar buiten, naar de koelruimte. Vandaar, weet Herman, zal ze overmorgen naar de aula worden gebracht. Daar zal iemand van de hospice zijn, om te registreren dat de uitvaart is geweest. Verder niemand. Er zal geen plechtigheid zijn, er is immers niemand voor wie dat zin zou hebben? Door een administratieve vergissing heeft hij haar vanochtend niet alleen ter verzorging gekregen maar gisteren, samen met de aankondiging, ook het deel van haar achtergrond dat voor de burgerlijke stand bedoeld was. En dat heeft hem geraakt. Mevrouw Angela Voskamp, negentig jaar oud, overleden in een hospice, zonder verdere bekende familie of kennissen. Hij denkt aan zijn eigen moeder, inmiddels vijfentachtig. Die belt hij iedere avond om te vragen hoe het gaat. En deze vrouw had niemand. Niet toen ze definitief afscheid van het leven moest nemen, en straks ook niet als ze voor het laatst op reis gaat. Dat kan niet, dat mag niet. Dáárom heeft hij besloten de vergissing niet te melden en heeft hij haar verzorgd alsof het voor een normale uitvaart was. Daarom ook zal hij overmorgen zijn vrije dag opofferen en erbij aanwezig zijn als mevrouw voor het laatst weggaat.

Als de collega de volgende ‘patiënt’ binnenbrengt wrijft Herman zijn ogen droog, klaar om opnieuw te beginnen aan wat hij een wondermooie taak vindt. Hoe doet hij het, wil zijn collega weten? Misschien wel omdat hij simpelweg van mensen houdt…

© Cees Geluk, april 2015