4. okt, 2020

CURSOR

Hij is in maanden niet zo besluiteloos geweest. Zal hij nu wel of niet op ‘zenden’ drukken? Het pijltje van de cursor staat verwachtingsvol op de juiste plek en zijn hand ligt op de muis, de wijsvinger rust links naast het wieltje. Eén klik en het is over. Maar de gedachte aan die klik brengt juist op dit moment aarzeling. Tien jaar geleden hoefde hij geen moment na te denken. Hij had die mail gewoon verstuurd. Zijn moeder wilde immers zielsgraag dat haar twee zoons goed met elkaar overweg zouden kunnen.
Dat was al heel lang niet meer zo. De twee jongens rolden niet vechtend met elkaar over straat en kwamen elkaar bij verjaardagen bij hun ouders thuis tegen, maar er was altijd die spanning, die ‘olifant in de kamer’, voor iedereen zichtbaar, waar niemand over wilde praten. Niemand, ook zijn ouders niet, kon zich meer herinneren waar het mis gegaan was. Voor hemzelf was het ook een raadsel. Als hij erover nadacht waren er wel vage aanwijzingen, maar een aanleiding, laat staan de échte oorzaak bleef ongrijpbaar.
Hij was de oudste, zijn broer kwam toen hij 4 jaar was. En al vanaf dat moment werd hem duidelijk dat hij nu niet meer zo in de belangstelling stond als daarvoor. Toen moeder de kleine de borst gaf zoals in die tijd gebruikelijk was stuurde de kraamverpleegster hem resoluut de kamer uit: ‘Ga jij maar even ergens anders spelen!’ Waar dat dan moest als alle speelgoed in de huiskamer lag waar moeder aanstalten maakte om zijn broer te voeden vertelde ze hem niet. Maar dat hij hier niet gewenst was, werd hem glashelder gemaakt. Moeder wilde misschien wel iets zeggen, hem misschien juist wél toestaan om toch bij dat intieme moment aanwezig te zijn maar kreeg de kans niet. De kraamhulp was onverbiddelijk: ‘Weg jij, laat je moeder en je broertje met rust!’
De jongste kreeg, dat werd in de loop der jaren duidelijk, veel meer vrijheid dan hij als oudste ooit had gekend. Natuurlijk, hij had altijd aan zijn moeders rokken gehangen en ‘die kleine’, zoals zijn vader het broertje altijd noemde, was veel ondernemender, maar toch: Jeroen kreeg het voor elkaar dat hij lid mocht worden van een voetbalvereniging. Hij, Chris, mocht dat niet. Dat voortrekken, zoals hij dat beleefde, werd er vaak de oorzaak van dat er felle ruzies tussen hen ontstonden: hij wilde dan zijn positie als oudste ten opzichte van Jeroen duidelijk maken, hem in een meer aan hem ondergeschikte rol krijgen maar dat lukte nooit. Moeder haalde beide kemphanen dan uit elkaar en had steevast een standje voor hem, want als jongste wist Jeroen altijd haar sympathie op te wekken en de situatie zo voor te stellen dat Chris als oudste en grootste de agressor was geweest. ‘Jij bent de oudste, wees dan ook alsjeblieft de wijste en hou op met dat ruziemaken.’
De jaren gingen voorbij en de twee broers groeiden verder uit elkaar. Na een verhuizing kregen ze elk een eigen kamer, wat de toenadering ook in de weg zat, ze hoefden elkaar immers niet meer te ontmoeten. Chris ging naar de middelbare school, een afdeling Atheneum van de scholengemeenschap in de buurt. Jeroen ging vier jaar later ook naar de middelbare, maar naar een wat verder weg gelegen Gymnasium dat géén onderdeel was van een scholengemeenschap. En waar Chris zich verloren voelde in de massa van meer dan tweeduizend leerlingen en daardoor steeds meer in een schulp kroop, bloeide Jeroen als persoon juist verder op tussen nog geen vierhonderd studiegenoten.
Chris haalde het diploma Atheneum, vervulde zijn militaire dienstplicht en kreeg een baan. Een baan die hij niet als eindpunt zag, hij wilde eigenlijk iets anders, al wist hij nog niet wat. Maar vader had gezegd dat hij geacht werd te gaan werken, ‘want parasieten die bij de samenleving hun hand ophouden voor een WW-uitkering zijn er genoeg’. Jeroen daarentegen besloot het laatste jaar van het Gymnasium eraan te geven om met de pas gescheiden buurvrouw samen te gaan wonen. Dat deed moeder ontzettend veel verdriet en ook vader was daar niet over te spreken, maar om Chris nu als voorbeeld aan Jeroen voor te houden? Nee. Dat gebeurde niet.
Jeroen moest in zijn eigen levensonderhoud voorzien en ook in dat van zijn vriendin. Hij deed dat door overdag op de lokale groenteveiling te gaan werken en in de avonduren het diploma rijinstructeur te halen, op kosten van de rijschool waar hij vijf jaar zo moeten blijven werken. Chris bleef trouw naar zijn werk gaan. Hij moest wel, ook al vond hij er niets aan: er was nauwelijks een kans om ergens anders aan de bak te komen. Nadat Jeroen zijn contract met de rijschool had uitgediend begon hij voor zichzelf. Hij was succesvol en verdiende geld als water, zo kwam het tenminste op Chris over. Hij vond dat oneerlijk: als oudste was hij, vond hij, altijd de wijste geweest, had zich keurig aan alle regels van wellevendheid en fatsoen gehouden. Maar hij had niks bereikt. Sterker: alles wat hij had geprobeerd om succes af te dwingen was bij zijn vingers afgebroken. En Jeroen, die schuinsmarcheerder, die zijn ouders zoveel verdriet had gedaan door de school niet af te maken, leefde er maar op los, had succes en deed alsof dat zo hoorde. Alsof hij daar recht op had omdat hij nu eenmaal Jeroen was. Het was meer dan Chris kon en wilde dragen. Vanaf dat moment was de relatie tussen de broers, áls die er nog was, verworden tot de plichtmatige ontmoetingen bij de verjaardagen van hun ouders.
Eén poging ondernam Chris nog, nu tien jaar geleden. Om de wens van hun moeder voor een goede relatie tussen haar zoons in vervulling te doen gaan stuurde hij een mail aan zijn broer. Een mail waarin hij zich, vond hij, blootgaf en zich kwetsbaar opstelde. Hij wist, schreef hij, niet meer waarom de broers uit elkaar gegroeid waren, maar omwille van hun moeder stelde hij voor om het verleden het verleden te laten en samen opnieuw te beginnen. Hij gaf die mail de titel ‘Mijn uitgestoken hand’. Het antwoord kwam snel en was vernietigend. Jeroen had helemaal geen zin om opnieuw te beginnen. ‘We zijn in de loop der jaren twee verschillende mensen geworden,’ schreef hij, ‘je moet geen relatie willen bouwen waar die niet meer bestaat’. En daarmee was voor Jeroen de kous af.
Chris kijkt weer naar het scherm. De cursor wacht nog steeds op een opdracht. Inmiddels is hun moeder vijf jaar geleden overleden aan een dubbele longontsteking, waarbij een zware griep haar de genadeklap gaf. Hij, zijn vrouw, Jeroen, inmiddels gescheiden en met een nieuwe vriendin, hebben toen een dag bij haar sterfbed zitten wachten op het onvermijdelijke. Chris heeft voor de uitvaart de muziek uitgekozen en de grafrede geschreven en uitgesproken. Ook hun vader is er niet meer. Die is kortgeleden onderdeel geworden van de Corona-statistieken. Opnieuw heeft Chris voor de muziek en de grafrede gezorgd. Omdat hij vond dat hij daartoe verplicht was. Jeroen heeft hem nooit iets over gezegd, nooit het talent en vakmanschap dat daarvoor nodig was erkend, vond het blijkbaar wel goed zo. En nu Jeroen de afwikkeling van het laatste overlijden heeft afgerond en Chris zijn deel van de nalatenschap heeft ontvangen is er geen enkele reden meer voor de broers om nog ooit bij elkaar te komen. Je moet immers geen relatie proberen te bouwen waar die al jaren niet meer bestaat?
Dat heeft Chris doen besluiten deze laatste mail op te stellen. Eén die eindigt met de woorden: ‘Het ga je goed. Tot nooit meer ziens. Vaarwel.’ Maar nu het zover is, weet hij niet meer of dit nu écht is wat hij wil, écht is wat hij moet doen. De praktijk is immers toch al dat hij zijn broer nooit meer zal zien. Moet hij, Chris, dat dan met zoveel woorden nog eens in een mail bevestigen? Wat maakt hij daarmee dan los? Hij is vastbesloten Jeroen niet meer te ontmoeten, zal ook niet meer reageren in het onwaarschijnlijke geval dat Jeroen contact zoekt. Jeroen zal er naar Chris’ vaste overtuiging precies hetzelfde over denken. Dus wat voor zin heeft die mail?
Onwillekeurig kijkt Chris opzij. Links van hem hangt een foto van zijn moeder, dezelfde foto die op haar kist heeft gestaan. Erboven de trouwfoto van zijn ouders. Een foto van zijn vader hangt er nog niet, die moet hij nog regelen. Zijn besluiteloosheid wordt door die aanblik opgelost. Hij heeft geen idee wat er op het moment van de dood met een mens gebeurt, maar hij wil uit alle macht, al is het tegen beter weten in, geloven dat dat moment niet het laatste is. Dat er daarna nog iets is, wat dan ook. En hij weet dat áls dat zo is, hij zijn moeder voor eeuwig ontzettend veel verdriet doet als hij op deze manier definitief met zijn broer breekt.
De cursor gaat op reis. Omhoog, naar rechtsboven, komt tot stilstand boven het schuine kruisje. Chris volgt het pijltje, zucht diep, kijkt nog een keer naar links en drukt dan zijn wijsvinger naar beneden. Even later nog een keer om te bevestigen dat hij zeker weet dat hij de mail wil verwijderen.
Misschien, mama, komt het toch nog een keer goed met Jeroen, denkt hij.

© Cees Geluk, Okt. 2020