1. dec, 2019

JUF!!

De reis had nog wel wat voeten in de aarde gehad, maar ze wilden er per se bij zijn. Ze hadden hun klasgenoten van de VWO-examenklas al in geen jaren gezien en wilden die kans niet missen. Volgens de uitnodiging was de reünie bij één van de klasgenoten thuis en dat huis stond in een dorpje ergens voorbij Boskoop, in het Groene Hart. En het aan het eind van de middag, zo laat in het jaar, was het niet bepaald licht. De jongste had dan ook al haar rijvaardigheid moeten inzetten om niet links of rechts van de weg te raken en in een greppel te belanden. Of erger. Maar het was gelukt: de navigatie had de auto naar het opgegeven adres geleid en ze had gerustgesteld een plekje voor de auto op de parkeerplaats gevonden.

Een beetje vreemd was het wel: Barend, die de reünie had georganiseerd, bleek niet een woonhuis als ontmoetingsplaats opgegeven te hebben, maar een hotel-restaurant. Des te beter, dacht ze, dan kon ze hier misschien overnachten en morgenochtend bij daglicht terugrijden. Ze ging er daarbij van uit dat haar passagier het daarmee eens zou zijn, maar ze had geen reden om daaraan te twijfelen: ze woonden immers al jaren samen.

De warmte kwam hen in de deuropening tegemoet, een weldadig contrast met de midwinter-temperatuur van het open polderlandschap. Ze moesten zich in het halfdonker van de receptieruimte even oriënteren en zoeken waar de reünie precies was, maar dat mysterie werd snel opgelost. Een streep licht die hen eerst had verblind bleek vanachter een dubbel gordijn te komen dat dienstdeed als ‘toegangsdeur’ tot de feestzaal. Vanuit die richting klonken immers vrolijke stemmen en bekende muziek. Vooral de muziek, de hits van toen, brachten hen terug naar het examenfeest in 2009. De jongste spreidde de twee gordijnhelften, liet haar metgezel voorgaan en ze betraden de ruimte. Na even aan het getwinkel van een disco-bol gewend te hebben konden ze niet anders dan concluderen dat Barend de perfecte illusie had neergezet: de zaal was een bijna niet van echt te onderscheiden replica van de plek waar ze het behalen van hun Lyceum-diploma hadden gevierd: de aula van het ‘Segwaertcollege voor Mavo, Havo en VWO’ aan de Rozenstoklaan in hun geboortestad.

 

Ze hadden afgesproken dat ze op dit feest ieder hun eigen weg zouden gaan, zoals ze dat ook destijds op school gewend waren geweest. De oudste had tussen de mensen het buffet ontdekt en ging meteen die kant op, de jongste bleef nog even bij de ‘gordijn-deur’. Ze stond er wat verweesd bij, zocht in de menigte vergeefs naar bekende gezichten. Ze was zo op het zoeken naar klasgenoten gefixeerd dat er een rilling van schrik door haar heen ging toen achter haar een mannenstem haar naam in haar oor schreeuwde.

‘Verdorie, Cathryn, ben jij het?!’

Ze draaide zich om en keek Barend recht in het gezicht. Hij greep haar bij de schouders en begroette haar met een kus op elke wang. Barend was altijd al de organisator en ‘ritselaar’ van de klas geweest, het was dus niet vreemd dat juist híj dit feest bedacht en in elkaar gezet had. Ze herkende hem meteen aan de ‘tunnel’ in beide oren en de felgroene kleur van zijn asymmetrisch gekapte lange haar. Hij had altijd al een aparte smaak gehad als het om zijn uiterlijk ging, herinnerde ze zich. Ook op de vrolijke grijze ogen en de sensuele mond met de uitnodigende lippen had de tijd geen vat gekregen: Barend zag er nog steeds goed uit. En toen hij weer sprak hoorde ze ook dat hij het licht-Groningse accent nog had dat zo opgevallen was toen hij vanuit de Martini-stad verhuisd was en op het ‘Segwaert’ was gekomen.

‘Ben je alleen, is Sharon er niet?’

‘Natuurlijk ben ik niet alleen,’ gaf Cathryn terug, ‘Ik ga toch niet zonder mijn tweelingzus naar de reünie waar we samen voor zijn uitgenodigd? Sharon is bij het buffet, denk ik. Ik heb eigenlijk ook wel trek. Ga je mee?’

Ze beende zonder op antwoord te wachten richting het catering-gedeelte van de zaal. Nu ze had uitgesproken dat ze trek had, duldde haar maag geen enkel uitstel meer. Barend volgde haar op de voet.

 De lange tafel kreunde bijna hoorbaar onder de onwaarschijnlijke lading hapjes en drankjes die hij moest torsen. Gelukkig was er ook frisdrank. Cathryn had het niet op alcohol, Sharon evenmin. Ze vonden het niet lekker en bovendien volkomen onnodig om het gezellig te maken. Water en frisdrank waren eigenlijk de enige vloeistoffen die hen over de lippen kwamen. Cathryn nam een bord en begon langs de diverse delen van de buffet-tafel te gaan, hier en daar een hapje op haar bord stapelend. Ondertussen begon ze Barend uit te vragen.

‘Volgens de uitnodiging zou de reünie bij jou thuis zijn. Maar dit is toch niet “thuis”, dit is een hotel. Had je er toch geen zin in, zo’n groot feest in je huis?’

‘Nee, Cathryn, je vergist je. Dit is wel degelijk “thuis”. Ik woon hier. Ik heb dit hotel-restaurant in 2010 van mijn vader geërfd en tot een jaar of twee geleden samen met mijn partner gerund. Zij verdween uit beeld en nu doe ik het alleen.’

‘Zo, is het gezellig, jongens?’

Sharon had haar jongere zus en de ceremoniemeester van over de buffettafel gadegeslagen en vond het tijd het gezelliger wordende samenzijn even te onderbreken.

‘Sharon, welkom op het feest!’

Barend reikte naar haar hand en drukte er een kus op. 

‘Zeg,’ begon Barend, ‘Ik heb een idee. Ik heb jullie niet meer gezien sinds we in 2009 slaagden. Dat is langer dan wie dan ook hier in de zaal en ik wil jullie opnieuw een beetje leren kennen. Zullen we naar één van de kamers gaan en daar bijpraten?’

Sharon vond het een goed idee, zei ze.

‘Dan hebben we geen last van het rumoer en de muziek hier.’ 

‘Mooi,’ zei Barend, ‘Dan pak ik even een sleutel bij de receptie en neem jullie mee. Volg mij maar,’ en hij voegde de daad bij het woord.

 

Barend liep vooruit door een doolhof van gangen. De zussen volgden hem op een afstandje. Onderweg bauwde Cathryn haar zus sarcastisch na: ‘“Goh, Barend, wat een goed idee.” Hoezo, een goed idee? Ben je soms iets met Barend van plan of zo? Ik heb je nog nooit zo kalfs-verliefd zien doen. Is er misschien iets dat ik moet weten?’

‘Nee, hoe kom je erbij? Ik vond het gewoon inderdaad een goed idee. Even wat jaren bijpraten in de rust van een hotelkamer, weg van de herrie van al die mensen en die keiharde muziek. Da’s toch niet vreemd?’

‘Precies dat: een hotelkamer,’ bitste de jongste, ‘Wie weet wat hij daar straks allemaal met ons van plan is.’

‘Nou zeg, het lijkt verdorie wel of je bang bent! We kunnen hem samen echt wel van ons afslaan als dat nodig is. Laten we nou maar gewoon met Barend meegaan en dan zien wat er gebeurt.’

Cathryn had nog van alles in haar hoofd om Sharon toe te voegen maar Barend hield stil voor een deur. Hij duwde een key-card in de sleuf en haalde hem er weer uit. Het lampje werd groen en ze konden de schoot van het slot weg horen schuiven. Met een weids gebaar opende hun gastheer de deur en stapte opzij: ‘Welkom!’

 

De kamer bleek een luxe suite, misschien wel de beste in het hotel. De deur gaf toegang tot een slaapruimte met een king-size bed in het midden. Door een openstaande deur links van het bed konden ze de luxueuze badkamer zien en aan de andere kant ontwaarden ze door de halfopen tussendeur een kantoor met volledig uitgerust bureau en een zithoek. Barend liep naar het kantoor alsof hij thuis was. Waarschijnlijk, realiseerde Cathryn zich, was dat ook zo. Hij had immers gezegd dat hij hier ook woonde? Barend opende de minibar, schonk zichzelf wat in en nam plaats op één van twee stoelen.

‘Maak het jezelf gemakkelijk, dames. Neem wat te drinken, doe die verschrikkelijke dikke jassen uit en kom zitten.’

Nu Barend hun jassen noemde schrokken de zussen. Hadden ze echt al die tijd met hun winterjassen aan rondgelopen, ook in de feestzaal, ook aan de buffettafel? Nou, dan was het misschien maar beter dat hij hen beneden had weggehaald! Wat zouden de andere gasten gelachen hebben! Sharon was de eerste die haar schroom overwon. Ze deed haar jas uit, liep naar de slaapkamer en legde hem op het bed. Eenmaal terug keek ze in de minibar, zag twee flesjes Sprite, nam ze allebei, gaf haar zus er één en ging op de bank zitten, tegenover Barend. Cathryn volgde haar voorbeeld, legde haar jas over de rugleuning van de bank, nam het flesje van haar zus aan en zakte naast haar neer.

Barend keek hen geamuseerd aan. Hij legde zijn linkerbeen over het rechter en vroeg: ‘Goh, hoe lang is het nou geleden dat we elkaar voor het laatst gezien hebben? Ik denk toch zeker een jaar of tien, als het niet langer is. Hoe gaat het met jullie?’

De dames waren nog te verbouwereerd van de snelheid waarmee Barend hen naar deze kamer had meegetroond en kregen geen van beide een woord over hun lippen. Hij zag het en nam het gesprek weer over.

‘Nou, weet je, dan begin ik maar. Na ons examenfeest wilde ik in Leiden studeren. Ik wilde iets in de techniek gaan doen, ingenieur worden of zo, maar ik hoorde al snel dat mijn vader ernstig ziek was. Ik heb de studie op een laag pitje gezet en hem zo goed en zo kwaad als ik kon verpleegd, maar het was vanaf het begin een verloren strijd. Nog geen half jaar nadat ik hier in het hotel bij hem was ingetrokken overleed hij en ik erfde de zaak. Het personeel was geweldig. Ze vingen me op en hebben me van de grond af het hotelvak bijgebracht. Een deel van dat personeel werkt hier nog steeds en ik heb ze stuk voor stuk gedeeltelijk mede-eigenaar van het hotel gemaakt. Als dank voor wat ze voor me betekend hebben. Een jaar of drie daarna ontmoette ik mijn partner en van lieverlee runden we samen de onderneming. Ik deed de gasten, de promotie en de verzorging, zij ontfermde zich over de administratie en de geldzaken. Alles ging goed totdat ze achter mijn regeling met het personeel kwam. Ze was niet blij, wilde weten waarom de hulpjes wel mede-eigenaar van het hotel waren en zij als CFO en mijn echtgenote niet. We kregen er een langlopende ruzie over en een jaar of twee geleden zijn we gescheiden. Ik wilde haar de helft van mijn eigendomsrecht geven maar daar moest ze niets meer van hebben. Dat vond ze te weinig en te laat. Ze is daarna met de noorderzon vertrokken, ik heb haar nooit meer gezien. Gelukkig hadden we geen kinderen, anders was het misschien op een vechtscheiding uitgelopen. Hoe dan ook, dat is waar ik nu sta. Ik run dit hotel alleen, dat wil zeggen: samen met de mensen die al die tijd al bij me zijn. De zaken gaan goed, al zou ik het best beter willen. We zitten namelijk niet op een toplocatie maar dat laat ik maar voor wat het is. Ik kan er goed van leven en mijn mede-eigenaren ook. Zou ik weer een partner willen? Geen idee. Het heeft niet zoveel zin daarover na te denken want dat zit er voorlopig toch niet in, vrees ik. Ik heb het gewoon te druk met de zaak. Zo. Nu zijn jullie aan de beurt. Wat zijn jullie na het ‘Segwaert’ gaan doen?’

De zussen keken elkaar aan, alsof ze stilzwijgend afspraken maakten wie wat zou gaan zeggen. Sharon begon.

‘Wij hebben na het VWO allebei de PaBo gedaan en zijn met goed resultaat afgestudeerd. We staan al een jaar of wat zelfstandig voor de klas. Cathryn staat in een groep 1/2, ik geef les aan een groep 4.’

Sharon wilde nog meer vertellen maar kreeg daar de kans niet voor: nog voor ze het laatste woord had gezegd lag Barend met de slappe lach over de armleuning van zijn stoel.

‘Be.... Bedoel je... dat je... JUF bent?! Hahaha, dat méén je toch niet?! Nee, die is goed zeg, ze hebben een Lyceum-diploma gehaald, en naar ik me herinner met geweldige cijfers, ze konden naar de universiteit maar in plaats daarvan hebben ze het makkelijkste baantje gekozen dat er bestaat: juf. Nee, wacht: één van de twee is KLEUTERjuf! Wat een giller! Ik kan niet wachten om dat beneden te vertellen. Hahahahaha! KLEUTERjuf...

Barend stond op, veegde de tranen uit zijn ogen en wankelde naar de deur. Cathryn versperde hem de weg. Met alle woede die ze kon verzamelen gaf ze Barend een duw, zodat hij zijn evenwicht verloor en achteruit wankelde, terug zijn stoel in.

‘En wat is er mis met kleuterjuf zijn?!’ schreeuwde ze in zijn gezicht. Barend moest even bekomen van die uitbarsting maar deed dat in rap tempo.

‘Nou, daar kun je toch geen voldoening uit halen? Zeg nou zelf, een kleuterjuf doet niet veel meer dan fijn met de kindjes knippen en plakken, als het nodig is hun luiers verschonen en heerlijk in het zonnetje kijken hoe ze buiten aan het spelen zijn. Echt leren doen die kleintjes nog niet. Dat begint pas in groep 3 en zelfs dan nog maar heel geleidelijk. En jij, Sharon staat in groep 4, zeg je. Wat zit daar nou voor uitdaging in?’

‘Nou, Barend, meer dan in een beetje hotelgasten voeren,’ zei Sharon.

Nu voelde Barend zich in zijn beroepseer gekwetst.

‘Ik zal je vertellen dat ik maaltijden van de hoogste kwaliteit serveer. Dit hotel heeft bijna een Michelin-ster gekregen. Mijn uitdaging is het de gasten iedere dag naar de zin te maken. Jij praat een beetje met ouders en kinderen over ‘plus’ en ‘min’, over ‘keer’ en misschien over ‘gedeeld door’, maar dat is het dan wel zo’n beetje. Oh ja, je helpt kinderen ook de meest eenvoudige woordjes te lezen en hun eerste hanenpootjes kalken. Niet echt uitdagend, lijkt me. Toch? En dan ook nog op het Malieveld gaan zeuren over meer geld en dat de werkdruk zo hoog is. Mens, bedenk toch dat er mensen met een échte baan zijn voor wie elke werkdag écht een uitdaging is, van maandag tot en met vrijdag, acht of negen uur lang en soms nog langer.’

 Sharon dacht terug aan het afgelopen schooljaar. Ze herinnerde zich zoveel van wat ze allemaal had meegemaakt en wat ze eigenlijk al een plaatsje had gegeven. Ze móest Barend van repliek dienen, maar dan moest ze haar stem in het gareel krijgen. Ze slikte een brok weg en keek Barend met omfloerste ogen aan.

‘Dus juf zijn van een groep 4 is niet uitdagend? Ik heb in mijn groep dit jaar een kind gehad, een meisje. Een schattig lief kind dat het middelpunt van de groep was. Ze had veel vriendjes en vriendinnetjes. Maar ze werd ziek, kreeg een hersentumor. Ik heb samen met haar moeder een videolink geregeld, zodat ze tóch in de klas aanwezig kon zijn, tóch met haar klasgenootjes mee kon doen. Omdat ze dat zo dolgraag wilde. Ik heb bij haar aan een ziekenhuisbed gezeten. Ik kreeg toen ik op vakantie was te horen dat ze was overleden. Ik heb na die vakantie voor een uitgelaten groep kinderen gestaan, stuk voor stuk vol van de avonturen die ze hadden meegemaakt en die ze met me wilden delen. Maar ik moest ze uitleggen dat hun vriendinnetje niet meer terug zou komen. Ik heb ze moeten uitleggen wat ‘dood’ is. Ik heb haar uitvaart moeten meemaken en daar ook nog wat over haar moeten zeggen. Eén van de ouders van mijn groep heeft van lappen stof een enorme, bijna levensgrote knuffel gemaakt die we Boogy hebben genoemd. Daar prikken de kinderen briefjes op met dingen die ze aan hun dode klasgenootje hebben geschreven. Dat helpt ze het overlijden te verwerken. Boogy zit nu nog steeds in mijn lokaal en gaat met de groep mee totdat ze in groep 8 van school gaan. Daarna gaat Boogy naar de moeder van Bernadette. En weet je wat het ergste is, Barend? Dat meisje en die groep, het zijn kinderen van ZEVEN! Stel je dat voor: een kind van zeven moeten vertellen dat er iemand dood is. Ik heb dat allemaal moeten meemaken en doen. Dus kom me als–je–blieft niet aan met de smoes dat mijn baan in groep 4 niet uitdagend is!’

 

Cathryn viel haar zus bij. Ze kende het verhaal van het dode kind en wist hoe Sharon ermee geworsteld had. Als vanzelf vormden ze nu één front. Omdat tweelingen dat nu eenmaal zo doen.

‘Ik ben die kleuterjuf waar jij zo vreselijk om moet lachen. Jij vindt dat mijn baan gemakkelijk is omdat ik kinderen toch niets hoef te leren. Ik weet ook dat jullie buiten het onderwijs het idee hebben dat kleuterjuffen nooit een andere groep zullen kunnen lesgeven. Maar ik heb een HBO-opleiding voltooid. Ik kan lesgeven van groep 1/2 tot groep 8, ik mag zelfs de eerste klassen van het VMBO lesgeven. Maar dat doe ik niet. Omdat ik ervoor kies om aan kleuters les te geven.’

Barend maakte zich op om iets te zeggen.

‘Nee, hou je mond!’ ging Cathryn verder, ‘Ik kies daarvoor omdat ik dat het mooiste vind dat ik kan bedenken: kinderen van een jaar of vier, vijf leren hoe de maatschappij werkt, hoe je met elkaar moet omgaan. Dat is óók leren, al ziet de maatschappij dat niet zo. En geloof me, als het over ‘uitdagend’ gaat kan ik je ook nog wel het één en ander vertellen. Ga maar eens tegen ouders vertellen dat hun kind niet naar groep 3 gaat, dat het beter is om nog een jaartje door te “kleuteren”. En dat die ouders dan vinden dat hun kind, de nieuwe Newton, Darwin of Einstein, geen jaar mag “blijven zitten”. Ga dat gesprek maar eens aan. Dat is iets anders dan tegen een leverancier zeggen dat z’n Rochefort niet blauw genoeg is. Of de gasten vertellen dat een gerecht op de kaart niet verkrijgbaar is omdat de slager niet geleverd heeft. En over dat lekker buiten spelen: jij doet je werk met en voor volwassenen, ik doe het mijne met en voor kinderen. Kinderen van vier en vijf die op hun leeftijd zo overactief en onberekenbaar zijn als wat. En dan niet één, niet twee, maar dertig of veertig, soms vijftig ongeleide projectieltjes die op het schoolplein alle kanten op vliegen. Ik moet als juf ervoor zorgen dat er niemand een tand door z’n lip valt. Of erger, dat er niemand iets breekt. Maar ook dat er geen kinderen van het plein af lopen en zoek raken. Want ik ben daar verantwoordelijk voor. Ik ben hun moeder als hun moeder er niet is. Ik troost ze, ik knuffel ze, ik hou van ze. En ik doe dat ontzettend graag want ik krijg er het mooiste voor terug dat er bestaat: onvoorwaardelijke liefde en respect. Er zitten nu kinderen in groep vijf, zes en zeven die ik in groep 1/2 heb gehad. En nóg komen ze naar me toe en geven me een knuffel of een hand. Omdat ze in mij de juf herkennen bij wie ze zich hun eerste spannende schooljaren veilig hebben gevoeld. Dat zie ik jouw hotelgasten nog niet doen. Die komen één nachtje slapen en gaan daarna weer weg om nooit meer terug te komen. Ik durf wel te zeggen dat ze zich jou over drie jaar niet meer zullen herinneren. Mijn kinderen doen dat wel.’

 Barend had niet op deze reactie gerekend. Hij was de eerste schrik te boven gekomen, maar nog niet bereid zich zomaar gewonnen te geven. Zijn vak was, vond hij, vele malen zwaarder dan dat van deze schooljuffen.

‘Hou nou toch alsjeblieft op, zeg! Ach gossie, “dertig, veertig, soms vijftig kinderen”. Daar heb je verdomme toch zélf voor gekozen? Dat zeg je ook zelf. Ga dan niet op het Malieveld lopen klagen dat de werkdruk zo hoog is. En dan dat zielige verhaal over een kind dat doodgaat. Stel dát ik zoiets buitenissigs zou geloven, dan is het maar goed dat zulk soort dingen gebeuren: dan krijgen die kinderen tenminste meteen de belangrijkste les van het leven, namelijk dat het leven eindig is. Hoe eerder ze dat leren, hoe beter. Daar hoef je geen traan om te laten, dat hoort er gewoon bij.

Al die jank-verhalen rechtvaardigen geen demonstraties op het Malieveld. Meer geld, meer onderwijzers, en dat nog op hoge toon eisen ook? Laat me niet lachen! Ga gewoon eerst eens écht werken voor je geld! Jullie verdienen immers meer dan bijvoorbeeld verplegers. Weet je, jullie krijgen naast al dat geld één ding dat ik niet heb en nooit zal hebben, en velen met mij: ongelooflijk veel vakantie. In het hotelvak zijn we de vakantie maar hebben we nooit vakantie. Zeker niet zoveel als juffen en meesters. En dat....’

‘Ja, hoor, daar gáán we weer!’ onderbrak Sharon hem, rollend met haar ogen. ‘Wéér zo iemand die jaloers is op “al die vakanties” en “al die vrije tijd” die we in het onderwijs zouden hebben. Nou, laat me je even uit de droom helpen, meneer Ruftus,’ herinnerde ze zich opeens Barends unieke en lachwekkende achternaam, ‘Wij kunnen geen snipperdagen, geen “baaldagen” opnemen. Onze vakantieperiodes zijn door de minister vastgesteld. En dus hebben wij niet de luxe om buiten het hoogseizoen, lekker goedkoop, op vakantie te gaan. Wij hebben altijd te maken met “schoolgaande kinderen”. Daar komt bij dat we een groot deel van onze “vakanties” moeten besteden aan het bijhouden van literatuur over ons vak, aan het voorbereiden van de lessen voor het volgende schooljaar. En veel van onze zogezegde “vrije tijd” gaat zitten in het schrijven van de rapporten. En dat niet alleen. Oudergesprekken over die rapporten houden we in de avonduren. Als ouders niet meer op hún werk zijn, zijn wij dat juist wél. Soms tot negen of tien uur. Zonder een cent overwerkvergoeding, trouwens. Want het hoort bij ons vak. Dus ga jij nou maar lekker blij zijn met je geweldige hotelvak, wij zijn er trots op juf te zijn. TROTS, hoor je?!’

 

Cathryn nam het stokje naadloos van haar tweelingzus over.

‘Het enige dat we voor ons vak willen hebben is een salaris waar we van kunnen leven, voldoende collega’s om de werkdruk een beetje binnen de perken te houden en waardering. Waardering voor de belangrijke rol die we in de maatschappij spelen. Het is onze taak de kinderen die aan ons toevertrouwd zijn de basisvaardigheden bij te brengen die ze nodig hebben in de samenleving. Niet alleen rekenen, lezen en schrijven, maar ook hoe je met elkaar om gaat. Hoe je een samenleving máákt. Hoe je tolerant naar anderen bent. Dat je met elkaar moet delen. Dát is het mooie aan ons vak. Ik doe dat met mijn kleuters in groep 1/2, Sharon doet dat in groep 4. Dat doen we niet omdat we zo nodig moeten, maar omdat we dat heel graag willen. En ga jij je met je hotelgasten nou maar fijn belangrijk en uitgedaagd zitten voelen, Ruftus! Want als het allemaal zo makkelijk is, dat “juf spelen” zoals jij het noemt, kom dan gewoon gezellig eens een weekje met ons meelopen. Eens zien hoe simpel je dát vindt. Nou, wat heb je daarop te zeggen, hotelkwast?!’

 

De perfect ‘in tandem’ uitgeschreeuwde woede van de tweeling werd Barend teveel. Zijn ogen schoten vuur. Hij was zo ontdaan dat hij zelfs vergat zijn Groningse afkomst te verbergen. 

‘Noe bin ik 't zat! Ik heb jeluu uut’enodigd om een feest te vairen, nait om als het eerste het beste straetschoffie de les gelez’n te krieg’n deur een stelletje.....JUFFEN! Gae lekker snotneuz’n poets’n, bill’n afveg’n en wat ‘ie alles nog meer dut, maar sodemieter noe mien hotel uut. Hie’ bint jullie jass’n,’ en hij smeet ze de kledingstukken in het gezicht, ‘en flikker noe op!’

 

Een kwartier later zaten de zussen weer in de auto onderweg naar huis. Deze keer reed Sharon. Dat deden ze altijd: ze wisselden taken met elkaar af.

‘Toch jammer,’ zei Cathryn. 

‘Wat?’ vroeg Sharon. 

‘Nou, nu moeten we in het donker dat hele stuk terugrijden en we hebben onze klasgenoten niet terug gezien. Daar waren we immers voor gekomen? Maar weet je, misschien organiseer ik zelf nog wel eens een reünie. Maar dan in een betere accommodatie, en zonder “vriend” Ruftus.’

Opeens viel de oudste een licht op dat niet van de navigatie kwam. 

‘Wat ben je aan het doen?’ wilde ze van Cathryn weten. 

‘Oh niks,’ was het antwoord, ‘Ik heb op m’n telefoon de website van Barends hotel gevonden en daar laat ik nu een recensie achter. Ik vertel dat het hotel het niveau van de kleuterschool nooit is ontstegen en dat de eigenaar, Barend Ruftus, eindelijk eens volwassen moet worden. Ik heb daar speciaal een account voor aangemaakt, zodat in ieder geval Barend weet wie de recensie heeft gepost: voor die website heet ik “JUF!!”...’

Glimlachend voegde Sharon in op de snelweg.

 © Cees Geluk, Dec. 2019