26. sep, 2018

ALS DE NOOD HET HOOGST IS...

December. Tijd van de “donkere dagen voor Kerst”. Het maakt niet wie je bent of wat je doet, er is niemand die niet door die speciale sfeer wordt geraakt.

Vrijdag 24 december. Rotterdam Centraal, spoor 8/9. GertJan zit op een bank en staart voor zich uit. Zijn werkweek zit erop, hij kan naar huis. Niet alleen dat, hij heeft tot en met 2 januari vrij. Maar GertJan wil helemaal niet naar huis. Er is daar niets dat op hem wacht, hij is alleen. Zijn vrouw is bij hem weg. De kinderen zijn de deur uit. Die hebben de kant van hun moeder gekozen, hij zal ze dus deze Kerst niet zien. Zijn ouders zijn allang dood en vrienden heeft hij niet. Nee, deze tijd van het jaar met zijn valse gezelligheid en hypocriete vrolijkheid kan hem gestolen worden. Hij wil niet naar huis. Hij wil dat er definitief een einde aan komt.

In de aanloop naar deze periode heeft hij nagedacht over hoe het met hem zover kon komen. Het vertrek van zijn vrouw is zijn schuld, weet hij. Waarom kon hij niet gewoon met haar praten over wat hem dwarszit? Waarom kan hij daar pas nadat ze weg is over nadenken? GertJan laat alles nog eens de revue passeren.

Hij werkt al meer dan dertig jaar voor hetzelfde dienstverlenende bedrijf. In die tijd heeft hij alles zien veranderen, de maatschappij, de werkwijzen, maar ook de klanten. Klanten zijn mondiger, veeleisender geworden. Natuurlijk is de klant koning maar gedraagt zich, vindt GertJan, steeds meer als een keizer. De klant eist het onmogelijke en als dat niet tijdig gebeurt, is de klant boos, en de medewerker de klos. Als tijdens het werk de telefoon gaat, gieren GertJan dan ook de zenuwen door de keel: welke klant zal hem nu weer aanspreken, waarom, en zal hij de huizenhoge verwachtingen wel kunnen waarmaken? En als dat niet lukt, wat zijn dan de gevolgen? Staat zijn baan op de tocht? Daar komt bij dat het management met het opleggen van doelstellingen de werkdruk ook nog eens enorm opschroeft. Doelstellingen die op niets anders gebaseerd lijken dan de mededeling dat ‘de klant het zo wil’.

Hij heeft al verscheidene malen en in verschillende vormen geprobeerd duidelijk te maken dat, en waarom, hij hier ongelukkig mee is, maar steeds zonder resultaat. De enige reactie is dat het ‘nu eenmaal overal zo is’. GertJan, toch al geen toonbeeld van innerlijke rust, is daardoor steeds nerveuzer geworden. De veeleisende klanten en het feit dat het management geen oor voor zijn argumenten heeft of wil hebben maken dat hij zich bij alles wat hij doet onder een druk voelt staan die hij steeds minder goed aankan en die nu in een zware depressie is uitgemond.

Het feit dat GertJan psychologisch onherstelbaar beschadigd is, doet daar ook geen goed aan.

Vanaf zijn vroegste jeugd heeft GertJan geprobeerd ‘erbij te horen’. Altijd is hij een buitenbeentje gebleven. Klasgenootjes op de kleuterschool en de lagere school lachten hem uit en plaagden hem om het feit dat hij al vroeg een bril droeg en er dus anders uitzag of omdat hij niet goed in sport was. Dat hij er niet bij hoorde voelde hij nog het meest als er op het schoolplein gevoetbald werd en er ‘partijtjes’ gekozen werden. Twee klasgenootjes, de beste sporters uit de klas, kozen dan uit een rij ieder steeds één teamlid. GertJan bleef altijd als laatste over, en de beide aanvoerders maakten ruzie over wie hem ‘moest nemen’. GertJan leerde zo dat hij voor anderen van geen enkele waarde was, integendeel. Om erger te voorkomen koos hij zelf voor het isolement.

Op het VWO was het niet anders. Klasgenoten ontdekten het zelfgekozen isolement en dat maakte hem al snel tot onderwerp van een nieuw soort pestgedrag. Niet meer lichamelijk, zoals de vechtpartijtjes op de lagere school, nee, deze plaaggeesten hadden er plezier in hem vooral psychologisch te treiteren en te kleineren. Het laatste beetje eigenwaarde en zelfvertrouwen dat GertJan nog bezat werd op die manier vakkundig en volledig vernietigd, samen met het vermogen om ooit nog vertrouwen in mensen te hebben.

In de loop van zijn leven bouwde GertJan dus een denkwereld op waarin hij zich misschien niet gelukkig, maar in ieder geval wel veilig voelde: mensen waren niet te vertrouwen. Ze waren er alleen maar op uit je gevoelens te krenken of ten koste van jou lol te maken. Je kon mensen maar beter uit de buurt blijven. Vrienden had hij door zijn zelfgekozen isolement nooit gehad. De enkele keer dat hem werd gevraagd of hij vriendschap dan niet miste kroop hij direct in zijn veilige schulp: “wat je nooit hebt gehad kun je niet missen”.

Zijn vrouw was heel anders, die trad de wereld bijna roekeloos tegemoet. Ze verweet hem zijn depressiviteit, vond hem te zwaar op de hand. Dan wilde hij wel uitleggen hoe zijn denkwereld in elkaar zat en waarom dat zo was, maar dat lukte nooit. Dat hij ooit aan haar was blijven hangen had hem überhaupt verbaasd. Maar hij was zelfs met haar getrouwd, had twee schitterende kinderen gekregen en was daar heel blij en redelijk gelukkig mee geweest. Hij had alles geprobeerd om dat zo te houden. Tevergeefs.

En nu zit hij hier. Zijn vrouw is weg, de kinderen zal hij wel nooit meer zien. Allemaal omdat hij niet kan uitleggen waarom hij is wie hij is, doet wat hij doet en voelt wat hij voelt. Om dat uit te leggen moet hij mensen vertrouwen en dat kan hij niet meer, nooit meer. Zelfs zijn dierbaren vertrouwt hij niet volledig. Dat breekt hem nu in laatste instantie op. Hij heeft niets meer om naar te verlangen. Hij heeft geen zin in Kerstmis, hij wil eruit. Voorgoed.

GertJan staat op. Zijn besluit staat vast. Hij weet een hoog gebouw in de buurt en hij zal er daar een eind aan maken.

Als hij door de reizigerstunnel naar het Stationsplein loopt, hoort hij een stem. “GertJan, ben jij het?” Hij draait zich om kijkt in het gezicht van Irma Joustra, een klasgenote van het VWO. Hij herkent haar meteen. Ze is ouder geworden natuurlijk, maar nog steeds even mooi. Lang blond haar rond een regelmatig gezicht. Een goed gevormd lichaam, ondersteund door oneindig lange benen. Korte rok, hoge hakken. Op school was hij stiekem verliefd op haar, maar Irma hoorde bij de populaire meiden en was daarmee, zeker voor iemand als hij, onbereikbaar. Zijn ingebakken wantrouwen tegen de medemens gaat nu met hem op de loop. Waarom spreekt ze hem aan? Ze kan toch wel beter vinden? Daar moet iets achter zitten. Hij is op zijn hoede.

Irma nodigt hem uit voor een drankje en hij neemt dat aan. Waarom weet hij niet. Ze vertelt dat ze hem al vanaf de middelbare school zoekt. Ze heeft hem altijd stiekem bewonderd: steeds die pesterijen en toch geen enkele les gemist. “Ben je getrouwd?”, waagt GertJan te vragen. Nee, is het antwoord, dat is er nooit van gekomen. Wat doet ze hier, wil hij weten. Ze heeft een moeilijke periode achter de rug, zit financieel aan de grond. Haar huis is net verkocht en ze heeft nu geen onderdak. Ze wil een vriendin hier in Rotterdam vragen of ze mag logeren. In een opwelling vraagt hij of ze misschien de Kerst bij hem...? “Ja”, zegt ze.

Samen lopen ze terug naar het station. Onderweg valt het GertJan op hoe mooi alle winkels op de Lijnbaan verlicht en versierd zijn. Natuurlijk: Kerstmis. Hij ziet nu ook de heldere zwarte hemel en hoe mooi de sterren zijn: net als de lichtjes in de etalages. Het is koud. Irma rilt. Ze slaat haar arm om hem heen en trekt hem dicht tegen zich aan.

Op het perron staat hij zichzelf, ondanks alles, toe hoop te hebben. Misschien wordt deze Kerst toch anders dan hij zich had voorgesteld. Misschien dat Irma, juist omdat ze een deel van zijn verleden is, zijn vernietigde vertrouwen in mensen enigszins kan herstellen. Misschien dat...

De trein komt gierend en sissend binnen. De deuren gaan open. GertJan voelt Irma’s hand in de zijne. Hun ogen ontmoeten elkaar en ze stappen in. De conducteur fluit. Ze heeft haar hoofd op zijn schouder gelegd en is in slaap gevallen. Als ze vertrekken en de Millennium Toren uit het zicht verdwijnt, bijt GertJan op zijn lip. Hij weet dat hij een paar uur geleden dat gebouw in gedachten had en ook waarom. Hij kijkt strak uit het raam en vecht tegen de brandende tranen. Hoe en waarom juist op dit moment Irma in zijn leven gekomen is weet hij niet, maar ze is wat hem betreft van harte welkom, voor nu en altijd. Als, bij station Schiedam Centrum, ook GertJan door alle doorstane emoties in slaap valt, schiet hem een ‘tegeltjeswijsheid’ te binnen:

 “ALS DE NOOD HET HOOGST IS, IS DE REDDING NABIJ.”

 

© copyright by Cees Geluk, november 2010