11. mrt, 2018

OPAATJE

Dit kamertje was de enige ruimte die hij nog in gebruik had. Samen met het keukentje en de slaapkamer. De andere vertrekken had hij niet nodig. Bovendien kon hij alle kamers niet verwarmen, dat was te duur. Tegen een van de muren stond de tweezits met de salontafel ervoor, tegen de andere muur de eettafel met twee stoelen. Meer paste niet. Hij had er meer dan genoeg aan. De vloerbedekking had zichtbaar betere tijden gekend, vandaar dat de tweezits stond waar hij stond. Op de eettafel stelde de blèrende tv vandaag een daad van zinloos verzet tegen de verveling en vooral de eenzaamheid. Hij keek niet vaak, moest de energierekening zo laag mogelijk zien te houden. Aan de muur fladderde een los geraakte vergeelde reep behang in de tocht die door het gebarsten vensterglas kwam. Op de salontafel stond het vaasje verlepte fresia’s, haar bruidsbloemen. Hij had ze, net als ieder jaar, op hun trouwdag gekocht. Na achtendertig jaar kon hij van die traditie geen afscheid nemen. Niet dat ook nog. Het was eigenlijk teveel, zeker omdat hij het boeketje vanwege zijn steeds vaker dienst weigerende benen moest laten bezorgen. Maar de vriendelijke mensen van de voedselbank kenden hem, hij kwam er immers al jaren. En dus zat er in het pakket van deze week iets extra’s. Zo hoefde hij zich over deze aankoop niet schuldig te voelen. De schaamte over het afhankelijk zijn van dat soort liefdadigheid werd er echter niet minder door.

Zijn bezoek zat achterstevoren op één van de hoge stoelen. De armen lagen op de leuning, de kin rustte daarop. Hij zat wijdbeens, zijn buik tegen de leuning. Zijn T-shirt was te kort, gunde zo de gastheer een blik op een donkerbehaarde buik waarin de navel als een zwart gat alle aandacht naar zich toe trok. Paul dwong bewust zijn blik ervandaan. Aan het ronde, kale hoofd van de bezoeker vielen de oorringen op. Ze weerkaatsten het laatste daglicht met een vaal gele gloed. Door het gewicht waren de gaten in de oorlellen uitgezakt. Paul dacht onwillekeurig aan het beeld van een Chinese Boeddha dat hij ooit eens had gezien.

Op de salontafel lagen zijn dierbaarste bezittingen uitgestald. Die wilde hij verkopen, zodat hij financieel weer wat lucht zou krijgen. Hij haalde zijn hand door het stro op zijn hoofd en keek zijn gast met waterige, fletsbruine ogen hoopvol aan. De handelaar blikte brutaal en zelfverzekerd terug.

‘Nee, opaatje, ik ken niks foor je betekene. Er is gewoon geen mart meer voor die soort spulle. Ik raak het sellufs aan de straatstene nog niet kwijt, laat staan dat ik d’r een stuiver an verdient.’

Hij liet zijn worstvingers over het ringetje gaan. Paul zag de verzameling gouden en zilveren ringen die ze nog dikker deden lijken. De hand pakte het ringetje op, bracht het naar het dikke hoofd met de ronde neus en de kleine oogjes. Net ‘Animal Farm’, dacht Paul met een glimlach. De handelaar bekeek het sieraad ogenschijnlijk aandachtig.

 -.-.-.-

Ze staan samen bij de juwelier, Emmy en Paul. Drie weken geleden hebben ze elkaar voor het eerst echt ontmoet. Emmy was ‘Maid of Honor’ op de bruiloft van Marja, Pauls zus. Logisch, ze zijn beste vriendinnen en onafscheidelijk. Waar Emmy is, is Marja en andersom. Paul heeft Emmy daarom al wel vaker gezien, maar daar nooit bij stilgestaan. Emmy is gewoon onderdeel van zijn omgeving thuis. Op de bruiloft ging hij, als broer van de bruid en ceremoniemeester, als tweede koppel na het bruidspaar, met de ‘Maid of Honor’ de dansvloer op. Toen hij zijn arm om haar middel legde en haar hand de zijne vond kregen beiden het gevoel dat er iets speciaals gebeurde. Emmy had onder zijn arm een stevig lichaam, en ze danste verrukkelijk. In elkaars ogen zagen ze dat dit goed was: ze hoorden bij elkaar.

Hij wil met een ring hun prille relatie bezegelen en weet precies welke: het moet een Claddagh-ring zijn, de Ierse liefdes-ring. De juwelier legt Paul uit hoe hij de ring straks om moet doen: aan haar rechterhand en met de punt van het door twee handen vastgehouden gekroonde hart naar haar toe. Dat betekent dat ze verliefd is. Op hem. Emmy kijkt Paul aan met die diepbruine ogen waarin hij verdrinkt en kust hem.

‘Dank je wel, schat, ik hou van je.’

‘En ik van jou.’

Paul rekent af, neemt het doosje met de ring van de juwelier aan en steekt het in zijn zak. Hij en Emmy hebben afgesproken dat ‘het moment van de ring’ heel speciaal zal zijn. Ze lopen samen naar haar het huis waar ze al sinds haar achttiende alleen woont. Emmy heeft Paul altijd wel leuk gevonden maar nooit gedacht dat dat wederzijds zou zijn. Tot die dans. Nu lopen ze samen, arm in arm, en zal ze van hem een ring krijgen. Straks. Eenmaal in haar huiskamer valt ze hem wild in de armen.

‘Schat, ik wil je. Nu.’

Paul had iets anders bedacht voor dit speciale moment, maar Emmy is niet te stuiten. Ze trekt hem mee de slaapkamer in. In een mum van tijd heeft ze haar jas op de grond laten vallen, haar schoenen uitgeschopt, haar broek en trui uitgegooid en staat ze in haar lingerie voor hem.

‘Jij ook.’

Paul weet niet goed hoe te reageren, aarzelt. Emmy huppelt van ongeduld.

‘Toe nou!’

Hij kan niet anders, haar ogen dwingen hem. Het is niet dat hij haar niet wil, maar hij had dit nog niet verwacht. Het is immers nog maar drie weken officieel? Toch begint hij aan de rits van zijn jas te trekken. Het lukt niet, het ding loopt vast op de stof.

‘Hier, laat me je helpen.’

Ze komt dichterbij. Paul wordt overvallen door de geur die van haar lichaam komt. Zo zoet, zo uitnodigend, zo... alsof ze dit al van te voren heeft gepland. Ze laat de rits zonder enige moeite naar beneden glijden en tilt de jas van zijn schouders. Het lukt hem zelf het overhemd en de jeans uit te doen en dan staat ook hij in zijn ondergoed. Hij ziet haar voor het eerst zo. Ze ziet er bedwelmend uit. Haar donkere ogen, het platinablonde haar, de volle borsten, de platte buik met de snel op en neer gaande navel... Terwijl Pauls ogen de reis naar beneden maken heeft Emmy haar bh uitgedaan. De ogen gaan weer naar boven, naar de strak vooruit staande tepels en de chocolade tepelhoven. Zwaartekracht bestaat niet.

‘Kom,’ zegt ze en voegt de daad bij het woord, neemt zijn hand en trekt hem naar het bed. Vlak voor zijn knieën het begeven heeft ze zijn boxershort met een simpel rukje op zijn hielen gekregen. Ongemakkelijk omdat hij zijn lichaam niet meer onder controle heeft vált hij meer op bed dan dat hij gaat liggen. Emmy heeft inmiddels ook haar slipje verloren en kruipt op haar knieën naar hem toe. De blik op de driehoek tussen haar benen, een echo van de kleur van haar hoofdhaar, wordt Paul teveel. Hij kan nauwelijks meer normaal ademen.

‘Maar...’

‘Ik weet het, schatje,’ zegt ze, ‘Blijf maar rustig liggen. Dit is wat ik al veel eerder had moeten doen. Laten we elkaar nu eindelijk heerlijk verwennen.’

Drie uur en vier hoogtepunten later liggen ze naast elkaar. Pauls hand rust op haar haar, dát haar, Emmy heeft nog steeds zijn aanhangsel vast. Ze zwijgen, weten dat dit eigenlijk nooit anders kon aflopen. Hij draait zich om, reikt naar zijn jas, vindt het doosje met de ring en schuift die, precies zoals de juwelier heeft uitgelegd, om haar rechter ringvinger.

‘Bedankt, schat,’ zegt hij.

‘Ik laat je nooit meer alleen,’ antwoordt zij.

 -.-.-.-

‘Nee, opaatje, wat mot ik hier nou voor prijs mee make?’

Paul schoot uit zijn mijmering en zag de handelaar de ring bekijken die hij om het eerste kootje van zijn pink had gedaan.

‘Ik weet het nie, hoor.’

‘Hoeft ook niet,’ zei Paul ineens, ‘die ring wil ik eigenlijk helemaal niet verkopen.’

‘Nou, dan niet. Wat anders dan. Dat kruis-ding?’

De worstvingers grepen naar het grootste sieraad op de salontafel. Een zware zilveren ketting met een crucifix van vijf bij tien centimeter. De Jezus-figuur is versierd met smaragdjes om het hoofd en robijntjes op handen, voeten en in de zij.

‘Kijk, dát zou ik nou wél kenne slijte,’ wist de dikke. Hij haalde uit de zak van zijn trainingsjasje een kleine juweliersloep en gluurde naar de ledematen van het figuurtje.

‘Ik wip die juweeltjes eruit, dáár ken ik wel kleingeld van make.’

-.-.-.- 

Het ziekenhuis. Hier heeft Paul zichzelf beloofd nooit meer te komen. Niet sinds hier Jacco geboren is. Hij was hier immers ook toen zijn vader, zijn moeder en zijn zus stierven. Maar hij moet nu wel bij Jacco op bezoek. Al zal Jacco hem niet zien, niet horen. Nooit meer. Hij moet ook bij Emmy langs. Emmy leeft nog, al is dat een wonder.

Vanmorgen ging de bel. Paul was thuis, het was zijn vaste ‘thuiswerkdag’. Aan de deur stonden twee hem onbekende heren. Ze stonden hem zwijgend aan te kijken. Paul dacht aan geloofsfanaten die hem wilden bekeren en wilde de deur al dichtsmijten maar de oudste van de twee stak letterlijk een voet tussen de deur.

‘Bent u meneer Gravenstein?’

‘Ja?’

‘Ik heb slecht nieuws voor u,’ hernam de oudere ‘we hebben uw naam en adres uit de mobiele telefoon van uw echtgenote. Ze is hier vlakbij aangereden en in kritieke toestand naar het ziekenhuis afgevoerd. De jongen waarmee ze samen was hebben we van de foto’s herkend als uw zoon. Ook die is naar het ziekenhuis gebracht maar bij aankomst daar is zijn dood vastgesteld. Het spijt me u dit te moeten vertellen.’

De grond zakte onder Paul’s voeten weg.

‘Hoe... wat...?’

‘Ik denk dat u het beste zo snel mogelijk naar het ziekenhuis kunt gaan. Als u wilt kunnen we u brengen.’

En nu loopt hij hier verweesd rond, onzeker welk bezoek hij eerst af moet leggen. Aan het mortuarium, om Jacco officieel te identificeren, of naar Emmy, om haar bij te staan. De agenten in burger konden hem alleen maar bij hoofdingang afzetten: ze waren met spoed ergens anders opgeroepen. Het leven gaat door, ook al staat het zijne nu volkomen stil.

‘Kan ik u helpen?’

Een verpleegster in uniform. Ze lijkt op Emmy, verdomme!

‘Ja, mijn vrouw, mijn zoon.... een ongeluk...’

‘Ik begrijp het, ik heb de opname van uw vrouw gedaan. Ik zal met u meegaan.’

Door een wirwar van gangen en trappen daalt Paul achter de zuster af in de catacomben van het ziekenhuis. Kennelijk vindt men het hier belangrijker te weten wie de doden zijn.

‘Als u hier even wacht, zal ik vragen of ze uw zoon voor u willen halen.’

Na een minuut of tien komt de verpleegster terug. Ze neemt Paul bij de schouder en loopt met hem naar de overkant van de gang. Voor een raam dat hem eerst niet was opgevallen worden gordijnen weggeschoven en komt de blik vrij op een rijdende brancard met daarop een vorm onder een laken. Er is geen fantasie voor nodig om te zien dat die vorm een mens is. Of was. Een man in witte jas loopt om de baar heen en licht een hoek van het laken op, zodat het hoofd eronder zichtbaar wordt.

De verpleegster vraagt: ‘Kent u deze jongen?’

Hij heeft de platinablonde kop van zijn moeder. Ook de rest van zijn gezicht is een kopie van het hare. Een schok gaat door Pauls lijf: hij kijkt naar het lijk van zijn zoon! Bij die gedachte wordt alles vloeibaar. De wanden bewegen, de grond golft en zuigt aan hem, alles wordt zwart...

Als hij zijn ogen weer opent zit hij in een stoel, een beker water in zijn hand.

‘U bent even weggeweest, meneer...?’

‘Gravenstein,’ antwoordt Paul de verpleegster automatisch.

‘We zullen de identificatie van uw zoon als afgedaan beschouwen. Na de autopsie geven we het lichaam vrij voor de uitvaart. Kunt u het al aan om naar uw vrouw te gaan? Ik moet u wel waarschuwen: haar toestand is kritiek en ze ligt op onze intensive care.’

‘Ja..., ja... Emmy. Laten we maar gaan.’

Als in een droom volgt Paul opnieuw de zuster. Gang uit, lift in. Lift uit, gang in, deur door. Een chaos van draden, slangen, schermen, piepjes en ergens in het midden daarvan een blond kapsel. Emmy. Ze ziet hem, herkent hem, glimlacht bijna achter haar zuurstofmasker.

‘Dag schat,’ zegt hij, ‘hoe is ’t nou met je?’

Stom! Hij kan toch zien hoe het met haar is! Ze houdt een legioen aan apparaten aan de gang!

Emmy praat niet, maar gebaart. Naar het tafeltje dat naast het bed staat.

‘Die hanger moesten we afdoen,’ zegt een broeder en hij drukt Paul het sieraad in de hand, ‘het zat ons werk in de weg. U vrouw bleef maar protesteren en zeggen dat we die aan Paul moesten geven. U bent Paul, neem ik aan?’

‘Ja...’

Opeens verandert de kamer in een wervelstorm van rennende verpleging. Piepjes worden irritante constante tonen, er gaan alarmbellen af. Op de schermen gaan golflijntjes over in strepen. De verpleger duwt Paul enigszins ruw uit de weg: ‘Even ruimte maken, meneer, dan kunnen we ons werk doen.’

Na een half uur is ook Emmy er niet meer. Bezweken aan haar verwondingen.

 -.-.-.-

Paul schrok wakker uit zijn droom. Hij had zich dit niet willen herinneren, wist nog hoe het verder ging. Een dubbele uitvaart, veel genodigden. Daarna een periode van veel aandacht en ongeveer een jaar daarna, alsof het afgesproken werk was, niets meer. Paul had het allemaal niet aangekund, was aan drank ten prooi gevallen, had zijn werk verwaarloosd en was ontslagen. Hij had zijn spaargeld vergokt in een poging de bijstandsuitkering aan te vullen, maar het had hem alleen maar verder aan lager wal gebracht.

Tegenover hem zat nog steeds die vetvlek met zijn varkenshoofd en worstvingers de herinnering aan wat ooit Pauls leven was te bepotelen.

‘Nou wat sullen we segge...,’ wil de dikke weten, ‘Een meiertje voor dat kruissie?’

‘Nee, laat maar.... het spijt me dat ik u heb laten komen. Ik heb eigenlijk besloten toch maar helemaal niets te verkopen.’

‘Nou, seg, dat is ook een mooie! Kom ik hier uit de goeiigheid van me hart om je te hellupe, opaatje, en dan krijg ik dát? Stank foor dank? Wie denk je eigelijk wel dat je ben, joh?!’

Paul zei niets meer, zag ook niets meer. Zijn toch al fletse ogen verloren bij die uitbarsting alle kleur. De handelaar foeterde nog even verder, zag daarna wat er aan de hand was: Paul was van de tweezits op de grond gezakt. Hij zag zijn kans, griste de kleinoden van de salontafel en stopte ze in de zak van zijn broek. Na nog een blik op Pauls zielloze lichaam draaide hij zich om, de kamer uit, de gang uit en de voordeur door. Hij trok die zorgvuldig achter zich dicht en stak over. Toen hij in zijn auto stapte speelde een glimlach om zijn lippen.

‘Is dat opaatje er toch nog lekker van afgekomme...,’ zei hij bij zichzelf.

 

© Cees Geluk, Maart 2018