23. apr, 2017

BABA

Donderdag

‘Juf!’

‘Ja?’

‘Heeft Jezus echt bestaan?’

‘Waarom vraag je dat?’

‘Omdat mijn papa zegt dat het niet kan. Als je dood bent, ben je dood.’

Het verhaal van Pasen had al vaker dit soort vragen opgeroepen. Kinderen, ook al zaten ze nog in het basisonderwijs, waren verbazingwekkend goed in het signaleren van tegenstrijdigheden in verhalen. En deze groep acht was pienterder dan ze sinds het begin van haar loopbaan had gehad. Normaal waren vragen naar aanleiding van wat ze vertelde geen probleem, ze was creatief genoeg om haar verhalen een acceptabele draai te geven. Maar omdat de school een Christelijke signatuur had moest ze extra goed opletten dat ze door haar antwoorden geen kiem van twijfel in de hoofden van de kinderen zou zaaien. De kinderen, zeker deze kinderen, zouden dat met hun ouders delen (sommige zelfs verplicht). Het zou haar via de schoolleiding door de soms streng Gereformeerde ouders kwalijk genomen worden dat ze zich niet aan de strikte uitleg van het Bijbelverhaal (‘de Bijbel is Gods Woord’) had gehouden en omdat ze nog steeds op een tijdelijk contract ‘stond’ was haar positie toch al niet zo sterk. Bovendien was de vragensteller, Kevin, nu net de zoon van een ouderpaar dat niets met het Geloof in het algemeen en met de strenge variant van sommige ouders in het bijzonder had. En die hadden daar al eerder de confrontatie over gezocht. Uitkijken dus.

‘Mag ik daar na het weekend op terugkomen? Dan kan ik het nog even precies nakijken.’

Gelukkig accepteerde de klas haar uitvlucht. Dat betekende niet dat ze nu achterover kon leunen: de leerlingen zouden een bull-terriër nog in vasthoudendheid naar de kroon kunnen steken. Ze zou dus dit weekend aan de bak moeten. Eerst maar eens haar licht opsteken bij de collega’s. Ze wenste haar klas een goed Paasweekend, begeleide ze naar het hek en de wachtende ouders en ging weer naar binnen.

‘Jeetje, wat zie jij eruit!’ Carola, haar collega uit de parallelklas, trok bijna wit weg toen ze na het opruimen van de klas de teamkamer binnenstapte voor de nabespreking van de week. ‘Kan ik een kop thee voor je inschenken?

‘Nee, dank je, het gaat wel,’ stelde ze haar gerust, ‘Kevin stelde vraagtekens bij de waarheid achter het Paasverhaal. Ik heb gezegd dat ik het dit weekend zou uitzoeken maar alles bibliotheken zijn natuurlijk dit weekend dicht.’

‘Zeker weten dat het Kevin was die de vraag stelde en dat hij niet zijn vader nabauwde,’ vroeg Carola, ‘die Van Wameren zoekt immers altijd de confrontatie op religieus gebied. Het lijkt soms wel een heilige oorlog, maar dan één die tot ontkerkelijking van de hele wereld moet leiden. Begrijp niet dat we Kevin ooit als leerling hebben toegelaten.’

‘Als het aan mij had gelegen was dat ook niet gebeurd.’ Wim, de directeur van de Ds. W.E. den Hertogschool, had in de deuropening van de teamkamer staan luisteren. ‘Maar toen de vorige directeur twee jaar geleden met pensioen ging zat Kevin van Wameren hier al op school en om een kind nu van school te verwijderen omdat de denkbeelden van de ouders ons niet aanstaan gaat wat ver. Vooral ook omdat de resultaten van Kevin daar totaal geen aanleiding toe geven.’

‘Hoe lang sta jij daar al,’ wilde Carola weten.

‘Lang genoeg om te weten dat Kelly hier een uitdaging heeft,’ gaf Wim terug, ‘Kelly, ik kan je alleen maar aanraden om je uitleg zo strak mogelijk tegen het verhaal van de Bijbel te construeren. Als je wilt heb ik nog wel wat documentatie voor je.’

‘Graag,’ bedankte Kelly.

Wim beende weg en kwam even later terug met twee boodschappentassen. ‘Hier,’ zei hij, ‘Uit mijn eigen collectie. Uitleg van het Bijbelverhaal, maar ook informatie over de maatschappij waarin Jezus leefde, zowel religieus als politiek. Kun je in het weekend even bijlezen. Dames, een vrolijk Pasen gewenst, tot dinsdag.’

En hij vertrok, Carola en Kelly verbaasd achterlatend.

‘Ben je echt van plan dat allemaal te gaan lezen,’ vroeg Carola, zich bijna vertillend aan de beide tassen.

‘Heb ik keus, dan?’ wilde Kelly weten.

‘Nee, ik denk dat je gelijk hebt. Staat je auto een beetje in de buurt, dan help ik je even die tassen inladen.’

‘Ja, toevallig hier voor de deur. Dank je.’

Ieder met een tas aan de arm liepen ze naar buiten. Carola zette haar tas in de bagageruimte van Kelly’s auto, Kelly zette haar last ernaast, wenste haar collega een prettig weekend, stapte in en vertrok.

Goede Vrijdag, Stille Zaterdag

Kelly had bij aankomst alle boeken uit de tassen gehaald en ze stuk voor stuk bekeken. Vijfendertig dikke pillen in diverse talen met uiteenlopende onderwerpen. Wim had haar goed voorzien. Ze had de boeken gesorteerd naar onderwerp Er waren geschiedenisboeken over de Joodse maatschappij rond het begin van de jaartelling, maar ook een uitgebreide vergelijkende exegese van het Bijbelverhaal. Verder een aantal boeken over de historische figuren van Jezus, Herodes, Pontius Pilatus, en Kajafas, de hogepriester. Verder een lijvig boek over de Romeinse rechtspraak en het strafrecht. Kortom, voldoende informatie om de vraag van Kevin afdoende en onderbouwd te kunnen beantwoorden en zich daarbij de kritiek van de ouders van het lijf te houden. Ze was begonnen met lezen en had doorlopend aantekeningen gemaakt. Zo kon ze zich, de volgende keer als er vragen kwamen, daarop baseren in plaats van de vijfendertig boeken nog eens te moeten doorworstelen. Vrijdagavond kwam ze erachter dat ze het, als ze gewoon zou doorlezen, niet zou redden: het was gewoon teveel informatie om binnen één weekend door te nemen. Maar omdat ze Kevin had beloofd dat ze dinsdag met een antwoord op zijn vraag zou komen en ze de gevolgen voor haar contract vreesde als ze niet beslagen ten ijs zou komen, trok ze de nacht van vrijdag op zaterdag door. Eigenlijk had ze daar niet eens zo’n moeite mee: tijdens haar studie aan de PaBo had ze vaak genoeg nachten door geblokt. Dit was niet anders dan zo’n nacht. Uiteindelijk, om twee uur in de nacht van zaterdag op zondag, had ze er de brui aan gegeven was ze volkomen uitgeput naar bed gegaan.

‘Esther!’

‘Ik kom, Baba.’

‘Haast je, mijn kind.’

Zo snel haar benen haar wilden dragen snelde Esther naar Baba, zoals ze haar overgrootmoeder noemde. Ze had de verzorging van de oude vrouw op zich genomen toen haar moeder was overleden. Grootmoeder leefde allang niet meer. Die was met de Zeloten naar Massada meegegaan en daar omgekomen. Baba had niet mee gewild en was met haar klein- en achterkleindochter voor het Romeinse geweld gevlucht. Ze hadden lang gezworven en waren neergestreken bij Caesarea.

‘Hier ben ik, Baba.’

‘Ik zal niet lang meer leven, mijn kind, en ik wil je voor ik naar mijn voorouders ga nog iets meegeven. Kun je me die bundel boekrollen eens aanreiken?’

Esther deed wat er van haar gevraagd werd.

‘Hiertussen,’ zei Baba, en haar vingers zochten in één van de rollen, ‘heb ik een verhaal verstopt dat ik heb opgeschreven. Het is het verhaal van hoe mijn meester met zijn geweten heeft geworsteld.’

‘Meester, Baba? Maar hoe...’

‘Rustig, kind, alles op zijn tijd. Eerst wil ik graag iets drinken.’

Esther schonk uit een Amfora wat water in een beker en gaf dat haar overgrootmoeder. Die dronk gulzig en begon.

‘Je moet weten, lieve kind, dat ik niet altijd vrij ben geweest. Mijn vader had nauwelijks geld om zijn gezin te voeden en daarom had hij me als slavin verkocht aan een Romeinse soldaat. Omdat de soldaten nogal stevig gokten en verloren kwam ik dan bij de één, dan weer bij de ander in bezit. Na verloop van tijd had mijn Meester er genoeg van en verbood het gokken. Iedereen die, net als ik, van hand tot hand waren gegaan, kwamen in zijn dienst terecht. Het was, hoe vreemd het ook moge klinken, een verbetering. Want hoewel ik niet vrij was, was het toch een rust dat ik niet meer van het ene op het andere moment een andere meester kreeg.

‘In die tijd kwam er onrust over het land. Er was een rabbi die, naar men zei, nogal radicale ideeën predikte. En het ergste voor mijn meester was: onze landgenoten liepen massaal achter die man aan. Het gerucht ging zelfs dat hij wonderen deed. Dat heb ik zelf nooit gezien, maar het waren hardnekkige geruchten.

‘Op een dag, het zal nu zo’n vijftig of zestig jaar geleden zijn – ik hou op mijn leeftijd de tijd niet meer zo bij – was het, net als ieder jaar, Pesach. Die keer kwamen de leiders van ons volk bij mijn meester. De hele binnenplaats van zijn paleis stond vol volk. Allemaal roepend en schreeuwend dat ze van die ‘Jeshua’ niets moesten hebben, dat mijn meester hem ter dood moest veroordelen. Ze duwden ‘Jeshua’ naar voren, tot voor de meester. Het was een zielig figuur: hij stond daar maar, deed niets. Mijn meester had geloof ik medelijden met hem, want hij zei tegen de mensen dat hij geen bewijs van een strafbaar feit had gehoord, laat staan van iets dat de doodstraf verdiende. Maar ze bleven roepen dat hun gevangene een oproerkraaier was die zowel hun positie alsook die van mijn meester en zijn meester, de Keizer in Rome, in gevaar bracht met zijn praatjes. En dat hij dat al vanaf Galilea had gedaan. Toen mijn meester Galilea hoorde was hij blij: Herodes, soort van koning die door de Romeinen werd getolereerd, had zeggenschap over Galilea en was toevallig in de stad. Dus liet hij het hele gezelschap naar Herodes gaan. Die moest maar beslissen.

‘Een uur later stonden ze er weer. Herodes, zo zeiden ze, kon en mocht geen doodvonnis uitspreken, dat moest mijn meester doen. Wat mijn meester ook probeerde, tot en met geseling aan toe, ze waren niet op andere gedachten te brengen. De rabbi moest dood, hoe dan ook. Als mijn meester het doodvonnis niet wilde uitspreken, dan zouden ze zich over zijn hoofd tot de keizer wenden. Op dat moment keek mijn meester mij aan. Ik had al die tijd achteraf ergens gestaan. ‘Breng mij water!’ schreeuwde hij. Ik hield hem een schaal voor en hij doopte zijn handen erin. ‘Ik wil hier niets mee te maken hebben,’ zei hij, ‘doe met hem wat je wilt, wat mij betreft hang je hem op of zo, maar laat mij er verder buiten.’ Ze grepen hem vast, bloedend en verzwakt van de zweepslagen, en gingen met hem de stad uit. Die avond kwam er een rijke man bij mijn meester vragen om het lichaam van de rabbi. Het was niet goed, zei hij, dat het lichaam van een mens op Sjabbat zo bleef hangen. Mijn meester gaf toe: ‘neem hem maar mee en doe wat je moet doen.’

‘Twee dagen daarna was er weer gedoe in het paleis. Twee soldaten werden ervan beschuldigd op wacht te hebben geslapen. Om de één of andere reden had mijn meester goed gevonden dat er bij het graf van de rabbi wachten waren geposteerd en nu was dat graf leeggehaald. De soldaten bezwoeren bij hoog en bij laag dat ze niet hadden geslapen maar dat ze ook geen idee hadden hoe het graf leeg kwam. Voordat mijn meester een straf kon uitspreken waren daar weer de mensen die de rabbi voor hem hadden gebracht. ‘Laat die soldaten gaan, we weten dat de vrienden van de rabbi zijn lichaam hebben meegenomen. Wij nemen dit verder wel voor onze rekening,’ waarna mijn meester opnieuw toegaf en de soldaten met hun verdedigers vertrokken.’

‘Maar Baba...’

‘Ja, kind?’

‘Dat verhaal heb ik nog nooit gehoord.’

‘Geloof me, kindje, dat verhaal zal nog heel lang verteld worden. Mensen zullen zich afvragen of het allemaal wel echt zo gegaan is. Hier,’ en ze gaf Esther een stuk papyrus, ‘staat het verhaal zoals mijn meester dat heeft opgeschreven. Ik was erbij en ik weet dat het de waarheid is.’

‘Maar... waar was het lichaam van die rabbi dan?’

‘Geen idee, kindje. Dat is nooit duidelijk geworden. Het is ook nooit teruggevonden. Er zijn mensen die beweren dat de rabbi niet écht dood was, er zijn er die ervan overtuigd zijn dat hij wel dood was maar weer levend is geworden. Wat er waar is, weet ik niet. Maar het was een vreemde tijd, het waren bijzondere dagen waarin de hele natuur van slag leek, zeker die vrijdag. Het enige dat ik zeker weet is dat toen ik die schaal water voor mijn meester vasthield, de rabbi nog geen twee el bij me vandaan stond. En dat ik heel rustig werd toen ik in zijn ogen keek. Hij had ogen die op een heel prettige manier dwars door je heen keken, zelfs toen hij voor de tweede keer, na de zweepslagen, werd weggevoerd.’

Baba kuchte even, legde haar voeten terug op het bed en leek in slaap te vallen.

‘Baba?’

Geen reactie.

‘Baba!’

Geen reactie.

Esther legde de deken over het hoofd van haar overgrootmoeder. Ze zou zo snel mogelijk de begrafenis regelen. Ze voelde het stuk papyrus dat Baba haar in handen had gedrukt en bekeek het. Bovenaan stond: ‘Pontius Pilatus aan Tiberius Ceasar’.

Dinsdag

Toen de wekker ging was Kelly volkomen uitgeslapen en helder. Ze had weliswaar het hele weekend doorgewerkt, maar was tevreden over het resultaat daarvan. In alle boeken had ze niet het enig juiste antwoord op Kevin’s vraag gevonden, maar ze had wel het antwoord bedacht dat ze zou geven. Het maakte haar niet meer uit of dat betekende dat ze op school geen plek meer had, dit was het enige antwoord dat ze wilde geven.

In de klas werd het stil. Kelly begon haar les met een kringgesprek.

‘Kevin, vorige week donderdag vroeg je me of Jezus echt bestaan heeft. Het antwoord is; ja, dat heeft hij. Er zijn genoeg dingen opgeschreven, ook al in die tijd, die aangeven dat Jezus echt bestaan moet hebben. Je zei ook dat je vader vond dat opstaan uit de dood niet kon. Daar heeft je vader gelijk in. Dat kan ook niet. Maar waarom is dat zo belangrijk? Het verhaal van Jezus is niet alleen maar het verhaal van Kerst of het verhaal van Pasen. Het is het verhaal van een man die vond dat je best mag twijfelen of wat de mensen met macht doen wel goed is. En dat je, als je daar heel erg in gelooft, bereid moet zijn om de straf voor dat twijfelen te dragen. Dát is het verhaal van Jezus. En daar geloof ik in.’

 Die middag kreeg Kelly haar vaste aanstelling.

‘Ik heb je vanmorgen in je klas bezig gezien,’ zei Wim, ‘en erg veel christelijker dan wat jij deed kun je niet worden. Gewoon praktisch, geen gedoe. Knap gedaan!’

In gedachten bedankte Kelly Esther en vooral Baba, die haar in de nacht van Stille Zaterdag op Paaszondag op het juiste spoor hadden gezet.

 

© Cees Geluk, april 2017