22. jan, 2017

KARMA

In de nacht van woensdag 4 op donderdag 5 maart was in het huis van mijn ouders een enorme klap te horen. Op weg naar bed na een toiletbezoek had mijn moeder haar evenwicht verloren en was gevallen. In paniek had mijn vader nog tevergeefs geprobeerd haar overeind te krijgen. Het ontbrak de bejaarde man (hij was 83, zij 84) simpelweg aan kracht. Met behulp van de buren lukte het uiteindelijk toch. De volgende ochtend werd de huisarts gebeld en die aarzelde geen moment: mijn moeder had een longontsteking, de val was mede veroorzaakt door zuurstofgebrek en ze moest opgenomen worden.

Zaterdag 7 maart, de 58e huwelijksdag van mijn ouders. Mijn vader hing ‘s morgens vroeg al aan de lijn. “Het gaat opeens heel slecht met je moeder,” zei hij met een door tranen verstikte stem. “Gistermiddag zakte ze weg en toen hebben ze haar naar een andere afdeling verhuisd.” Ik zei dat ik me nog moest aankleden (zaterdag: uitslapen) en dat ik er zo snel mogelijk aan zou komen. Kort daarna ging de telefoon opnieuw: mijn broer, vanuit het ziekenhuis. Blijkbar ad mijn vader hem eerst gebeld en was hij al onderweg geweest. “Ik denk dat het handig is als je hierheen komt,” zei hij, “Het gaat ècht niet goed met Ma”. Ik kleedde me in allerijl aan en ging, gesteund door mijn vrouw, naar het ziekenhuis. Daar bleek dat mijn broer volkomen gelijk had gehad: mama lag op een aparte kamer, en van enig bewustzijn leek geen sprake meer. Het meest opvallend toen ik de kamer binnenkwam vond ik de manier waarop ze lag te ‘pompen’: iedere ademtocht leek ze voor de poorten van de hel te moeten wegslepen. We hebben daar de hele zaterdag gezeten, met z’n vijven: mijn vader, mijn broer, zijn vriendin, mijn vrouw en ik. Kijkend naar een ogenschijnlijk slapend lichaam. Maar dit was mijn moeder en wat op slapen leek, werd me pas in de loop van de dag duidelijk, was het proces dat onvermijdelijk tot haar dood zou leiden. Ik begon bij iedere ademhaling nu te hopen dat het de laatste zou zijn, dat mijn moeder uit haar lijden verlost zou worden. Dat gebeurde niet. Het was een ellendig beeld de vrouw die me had grootgebracht zo te moeten zien knokken voor haar leven. De verpleging probeerde haar (en ons?) te helpen door een beetje morfine in te spuiten en haar anders, comfortabeler, neer te leggen. Het mocht allemaal niet baten.

De dag werd avond, de avond werd nacht. Rond 01:00 keken we elkaar aan. Mijn broer was de eerste die de vraag die we allemaal hadden stelde en ook beantwoordde. “Ik geloof dat het weinig zin heeft hier de hele nacht te blijven zitten,” vond hij. “Laten we naar huis gaan en morgen verder kijken hoe het gaat.” Ik had mijn bedenkingen maar was op dat moment, na een hele dag wachten op het onvermijdelijke, niet meer in staat en ook niet bereid met hem in discussie te gaan. We vertrokken, gaven de nachtdienst onze telefoonnummers voor het geval dat nodig mocht zijn en gingen weg. We spraken af de volgende ochtend rond een uur of negen weer present te zijn. Ik weet nog dat ik, toen ik m’n bed instapte, twijfelde of ik wel zou kunnen slapen. Toch lukte dat. Het lichaam vindt kennelijk altijd wegen om te krijgen wat het nodig heeft.

Zondag 8 maart. Ik werd rond 08:00 wakker. Mijn vrouw wilde nog even ontbijten, ik niet. Ik heb nooit ontbeten en nu kreeg ik al helemaal geen hap door mijn keel. Rond kwart voor negen vertrokken we, ingesteld op een nieuwe dag van kijken naar een stervend lichaam, wachten op het onvermijdelijke. Dat bleek anders. Toen we aankwamen was mijn broer er al, druk telefonerend. Zijn vriendin lichtte ons in: aan het leven van mijn moeder was al een einde gekomen.

Een week na de uitvaart kwam het. Het besef dat noch mijn vader, noch mijn broer, noch ik bij mijn moeder waren in haar laatste uren, minuten, seconden. Hebben we haar daarmee in de steek gelaten? Misschien. We zullen nooit weten of ze in haar laatste ogenblikken nog behoefte heeft gehad aan de steun van haar man, haar zoons. Ik maak me daar nu verwijten over. Had ik niet toch..? Hoe mijn broer daarover denkt weet ik niet. Ik heb niet de moed hem daarnaar te vragen. Ik ken hem als een even groot ‘ijskonijn’ als mijn vader, met een even kort lotje.

Inmiddels gaat het met mijn vader langzaam maar zeker ook steeds verder bergaf, zowel lichamelijk als geestelijk. Zijn geheugen laat hem steeds vaker en steeds ernstiger in de steek. Hij gebruikt bijvoorbeeld de draadloze huistelefoon als afstandsbediening om de tv uit te zetten, is bij tijd en wijle zijn gevoel voor datum en tijd volledig kwijt en haalt ook de namen van zijn zoons, schoondochters en kleinkinderen door elkaar. Daarbij is hij, vanwege een kunstheup en zijn leeftijd, niet meer zo stabiel en valt regelmatig in huis. Soms met lelijke plekken en verwondingen tot gevolg. Ik woon het dichtst bij en dus zijn mijn vrouw en ik vaak de aangewezen personen om op te komen draven als hij weer eens gevallen is. Dat vind ik aan één kant niet erg: hij heeft, samen met mijn moeder, zevenentwintig jaar voor me gezorgd en het is niet meer dan billijk dat ik dan op die manier wat terug doe. Aan de andere kant knaagt het: wat als we op die achtste maart wèl bij mijn moeder aan het bed hadden kunnen zijn op het ultieme moment? Zou de wereld, mijn wereld, ónze wereld, er dan ook zo hebben uitgezien? Zouden we dan nu ook aan het wachten zijn totdat mijn vader voor de laatste keer valt? Of dat we gebeld worden dat hij gevonden is?

Gisteren zijn mijn vrouw, mijn kinderen en ik in het Tropenmuseum geweest. De tentoonstelling over Boeddha. Daarbij viel me ergens het woord ‘Karma’ op. ‘Karma’, dat wat mij betreft het best te vergelijken valt met het gezegde ‘Wie goed doet, goed ontmoet’. En dus: ‘wie slecht doet, slecht ontmoet’. Is dat het? Straft de Kosmos me nu omdat ik het niet kon opbrengen een nacht met mijn moeder te waken? De vraag die ik me nu ook stel is: als de situatie waarin we ons nu bevinden inderdaad Karma is, hoe kan ik het dan verhelpen? Wat kan ik doen om dat slechte Karma om te zetten in een goed? Of om het slechte Karma in ieder geval te stoppen? Ik weet het niet, ben nog niet zo thuis in het Boeddhisme. Misschien is dat een eerste stap: me verdiepen in de leer van Boeddha om me zo vrij te pleiten van de straf die de Kosmos me oplegt. Mijn vader zal ik er niet beter door maken, dat Karma zal ik tot het eind toe moeten dragen. Maar misschien kan ik, door me in het Boeddhisme te verdiepen, mijn vrouw en kinderen het nodige besparen. En op die manier goed Karma voor mezelf verzamelen als tegenwicht.

© Cees Geluk, januari. 2017