11. dec, 2016

OPDRACHT

Het is warm in het etablissement waar ik een uur geleden ben neergestreken. Half april en de opwarming van de aarde laat zich al weer voelen, buiten en dus ook hier binnen. Door de manier waarop het café is opgezet kunnen er geen ramen open. Aan de andere kant is het ook wel prettig, het had ook stervenskoud kunnen zijn en dan was hier moeten zitten wachten geen plezierige bezigheid geweest. Het is vrijdag, bijna weekend en ik heb net een tweede biertje gekregen. Ik houd het hier nog wel even uit. Ik heb mijn colbertje uitgedaan en over mijn stoel gehangen, zo is het goed te doen. Dan gaat de deur open, wat gek genoeg een weldadig koel aanvoelende luchtstroom oplevert, en ik zie ze. Ik ken ze, zie ze bijna dagelijks op tv. Druk pratend nemen ze plaats aan een tafel waarvan ik al wist dat die voor hen gereserveerd zou zijn, reden waarom ik aan deze tafel ben gaan zitten: uit hun gezichtsveld want achter een pilaar, maar dicht genoeg in de buurt om hun gesprek goed te kunnen volgen.
Eén van de twee is het meest aan het woord. Dat is logisch, bij de laatste verkiezingen is zijn beweging, die in de media steeds als gedoodverfde winnaar werd afgeschilderd, inderdaad als grootste uit de bus gekomen. Het gesprek gaat over de onderhandelingen voor een nieuw kabinet. De leider van de grootste fractie houdt voet bij stuk: ondanks dat niemand met hem wil samenwerken is hij de aangewezen persoon om leiding aan dat nieuwe kabinet te geven. Zijn beweging vertegenwoordigt immers het grootste deel van het volk?
“Ja, maar,” brengt de leider van de ‘nummer twee’ in, “met zulke standpunten zal niemand zich willen verenigen. Je kunt van niemand verwachten dat ze daarmee instemmen.”
“Toch hebben miljoenen mensen in mijn programma aanleiding gezien daar hun stem aan te geven.
Ik zie niet in waarom de rest van de partijen daar niet in mee wil, al was het maar voor een deel.”
“Omdat het raakt aan de kern van wie we in dit land willen zijn. Jij hebt hekel aan de eeuwenlange traditie van tolerantie en verdraagzaamheid, aan alles dat mooi en goed is in dit land. Mensen en dus ook hun gekozen vertegenwoordigers vinden het waard om dat te verdedigen tegen ideeën van het soort dat jij voorstaat.”
“Dat zou je niet zeggen, als je ziet hoe de elite tegenwoordig de belangen van juist het volk aan Brussel verkwanselt. Maar ik wil het daar niet over hebben, het gaat me om de ‘top job’ en dar weet je. Ik ben niet alleen de beoogd premier van dit land omdat mijn beweging de grootste is, ook moreel. Jouw partij is me dat na al die jaren gewoon verplicht. En jij persoonlijk al helemaal.”
“Hoezo dat?”
“Ik kan me niet voorstellen dat je dat niet meer weet. Ongeveer twaalf en een half jaar terug waren we nog collega’s. Jij werd toen de staatssecretaris die ik vond dat ik had moeten zijn, ik bleef gewoon Kamerlid. Ik heb dat toen, naïef als ik was, getolereerd. Ik kon niet anders. Maar op enig moment moest ik van de partij mijn mening inslikken, matigen, me aan de fractiediscipline conformeren en verder vooral mijn bek houden. Daar kon ik niet mee leven. Op dat moment hebben we in de voorganger van dit café gezeten. Jij had de opdracht me uit te leggen dat, en waarom, ik uit de partij zou worden gezet. Jij hebt me toen verteld dat een breuk tussen de partij en mij misschien niet zo’n heel erge ramp zou zijn. Ik zou de leden van de partij die achter mijn standpunten stonden een politiek ‘thuis’ kunnen bieden en, zo zei je, als ik ooit de grootste zou weten te worden en jij de nummer twee, dan zouden we samen optrekken om dit land om te vormen tot wat het altijd al had moeten zijn. Ik ben in jouw opdracht doorgegaan met het ventileren van mijn mening, heb me in jouw opdracht de partij uit laten zetten en ben dus in jouw opdracht geworden wie en wat ik nu ben. Ga me niet vertellen dat je dat vergeten bent. Ik wil nu verdomme gewoon wat me toekomt, wat je me toen beloofd hebt!”
Als om de laatste opmerking kracht bij te zetten beukt de leider van de grootste fractie zo hard op het tafeltje dat de glazen rinkelend op de plavuizen vloer kapot vallen. Ik leun even achterover, zodat ik om de pilaar heen het tafereel kan gadeslaan. Beide heren kijken wat verlegen om zich heen: ik ben niet de enige die in hun richting kijkt. Ze zijn even het middelpunt van een nieuwsgierige belangstelling. De leider van ‘nummer twee’ herneemt zich: “Kom, we gaan. We hebben hier ons welkom wel even verspeeld, denk ik.”
“Als je wilt,” is het antwoord, “Maar denk nu niet dat ik mijn positie ga veranderen.”
“Helemaal niet, maar we moeten hier ergens anders, op een rustiger plek, over verder praten. Kom.”
Dat is mijn teken. De heren staan op en ik ook. Verdorie, ik heb nog niet afgerekend! Snel loop ik naar de bar, zeg waar ik gezeten heb en leg wat geld op de toog. Zonder op wisselgeld te wachten draai ik me om en zie de twee nog net de deur uitlopen. Op een holletje loop ik terug naar mijn tafeltje, schiet mijn colbertje aan, pak de beugel van de ‘trolley’ met mijn gereedschap en vertrek. Buiten zie ik ze nog net in een auto stappen. De chauffeur van wat nu nog de demissionaire premier is rijdt in volle vaart weg. Geen probleem, ik weet waar hij heen gaat. Zo is dat immers afgesproken. Ik steek mijn rechter arm omhoog en als afgesproken stopt mijn collega naast me. Ik zet de ‘trolley’ op de achterbank en neem plaats op de passagiers-stoel.
“Waarheen,” wil mijn collega weten.
“Park C,” is mijn korte antwoord. Dat is de locatie die ik volgens de afspraak heb opgemaakt uit de manier waarop het gesprek tussen de twee politici eindigde. Mijn collega herhaalt mijn antwoord in zijn mouw en we rijden weg.
Een half uurtje later stoppen we bij het park. De auto van de premier staat er al, ik heb de signalen dus goed begrepen. Hier zal ik mijn opdracht uitvoeren. Ik neem de ‘trolley’ van de achterbank en ga het park in. Ik weet waar ik de heren kan vinden. Twee dagen geleden ben ik hierover geïnstrueerd. Ik loop een pad in, links, rechts en weer links en dan een lange klim een heuvel op. Op de top daarvan is een uitkijktoren die al is ontruimd. ‘Vanwege de veiligheid van de premier’. Ik open de ‘trolley’. Vreemd, hoe koud het metaal toch aanvoelt, ondanks dat het best warm is. In de zak van mijn colbertje vind ik de chirurgische handschoenen. Ik wil immers geen vingerafdrukken. Snel assembleer ik mijn gereedschap en neem plaats op het bankje in de uitkijktoren. Ik leg het wapen aan mijn schouder en laat de loop op de balustrade rusten, op de zandzak die daar al voor me is neergelegd. Zo ontstaat een stabiel scherpschuttersnest vanwaar ik bijna niet kan missen. Ik controleer het vizier. Dat werkt en voor de tweede keer vandaag wacht ik.
Gelukkig hoef ik niet lang te wachten. Na wat ik denk een kwartier is (ik verlies als ik aan het werk ben altijd mijn gevoel voor tijd) zie ik ze. Druk gebarend en in hevig gesprek. Ik kan dat gesprek nu niet meer volgen maar dat is niet erg, ik weet wat me te doen staat. Precies op de afgesproken plaats gaan ze in het gras zitten. De beveiliging van beiden is op afstand gebleven, het park is immers ontruimd en afgezet. Daarmee zijn de twee heren beneden veilig. Denken ze. Ik weet dat ze net zo lang in gesprek zullen blijven als nodig is. Mijn opdrachtgever heeft dat zo geregeld. Ik heb alle tijd om aan te leggen, het beeld in mijn vizier te controleren, mijn vinger aan de trekker te brengen en langzaam, oh zo langzaam steeds harder te knijpen.
Als het wapen afgaat schrik ik daar even van. Doe ik altijd: door het steeds harder knijpen is het exacte moment van het afvuren niet helemaal te bepalen. Ik schrik niet van het geluid, de demper doet immers zijn werk, maar van de terugslag, hoe klein die ook is. Het schrikmoment duurt echter maar een fractie van een seconde, dan neemt mijn professionaliteit het weer over. In mijn vizier zie ik dat het eerste schot meteen voldoende is geweest. Eén van de heren ligt roerloos op de grond, de ander speelt zijn rol subliem: hij doet alsof hij volledig in paniek is. Hij zal worden afgevoerd naar een locatie waar hij van zijn ‘schrik’ kan bekomen. Ik haal mijn wapen uit elkaar, berg het op in de ‘trolley’ en loop op m’n dooie akkertje weg. Via een sluipweg die me is uitgelegd verlaat ik het park en loop op de auto van mijn collega af.
De hand op mijn schouder brengt me van mijn stuk. Dit is niet wat ik verwachtte, niet wat we hebben besproken. Ik zou naar het vliegveld worden gereden, waar het ticket voor de reis klaar zou liggen. Over twee dagen zou ik de rest van mijn honorarium krijgen en dan de rest van mijn dagen onder de tropenzon kunnen slijten zonder voor uitlevering te hoeven vrezen. Ik draai me om en zie een compleet onbekend gezicht.
“Mag ik eens zien wat u daar in die roltas heeft,” vraagt het gezicht dreigend. 
“Waarom,” probeer ik.
“Omdat je zojuist een belangrijk politicus hebt omgebracht, klungel, daarom! Je denkt toch zeker niet dat we dat over onze kant zouden laten gaan?”
“Ja maar ik dacht...”
“‘Dachten’ moet je aan een paard overlaten, knul, die heeft een veel grotere kop. Wat je allemaal denkt te hebben afgesproken is ons bekend. Met je vliegticket zal een dubbelganger vertrekken en het geld is van de rekening teruggeboekt naar waar het vandaan kwam. En jij? Jij gaat met ons mee naar een lekker warm hokje dat we speciaal voor figuren als jij hebben.”
Ik kijk in de auto waar ik in had zullen stappen. Op de bestuurdersstoel zit mijn collega, alsof hij nog steeds op me wacht zoals de afspraak was. Zijn hoofd staat in een onmogelijke hoek en zijn donkere overhemd ziet er in de inmiddels invallende schemering uit alsof het natgeregend is. Maar het heeft vandaag helemaal niet geregend. Ik voel hoe mijn handen achter mijn rug worden gebracht en mijn polsen doen pijn als de tie-rip hard wordt aangetrokken. Ik word zo hardhandig aan mijn armen getrokken dat mijn schouders uit de kom lijken te schieten. We lopen richting een derde wachtende auto, langs de auto van de premier. Vreemd dat de chauffeur dáárvan ook al in zo’n vreemde houding zit. In mijn hoofd springen alle mogelijkheden en onmogelijkheden als gek geworden chimpansees door elkaar. De man die me nu beet heeft hoort duidelijk niet bij mijn opdrachtgever, maar blijkbaar ook niet bij die ander. Wat dan? Wie heeft hier de touwtjes in handen? Het portier gaat open en ik word weinig ceremonieel op de achterbank gegooid. Naast me zie ik het gezicht van mijn opdrachtgever.
“Wat...”
“Dacht je nou werkelijk dat ik maar één van die twee klungels om zeep wilde hebben? Natuurlijk niet. Op dit moment leven ze al geen van tweeën meer. Waarom alletwee? Dat is voor jou van geen belang. Het mooie is namelijk dat we jouw wapen hebben om aan te tonen dat jij ze hebt omgebracht. Alleen jammer dat niemand de moordenaar ooit zal vinden. Jij gaat voor ons in allerlei verre buitenlanden dingetjes doen, vergelijkbaar met wat je net gedaan hebt. Onder streng toezicht, dat wel. We kunnen ons niet veroorloven dat je in een onbewaakt ogenblik je memoires gaat publiceren.”
“Mijn wapen? Hoezo: aantonen dat ik het was? Ik heb immers helemaal geen...”
“...vingerafdrukken achtergelaten, bedoel je? Jammer voor jou, maar die hadden we al. Toch lekker, zo’n glaasje bier op een warme dag in april, niet?”
Stom! Ik ben er volledig ingetuind! Het wachten in het café hoorde bij het plan, maar niet zoals ik had gedacht. Vanaf het begin heeft mijn opdrachtgever de bedoeling gehad mij voor de moord op beide politici op te laten draaien. En ik heb het nooit doorgehad. Wat ben ik stom geweest. Geraffineerd spel, dat moet ik toegeven.
De auto zet zich in beweging. De ramen zijn geblindeerd dus ik kan niet zien waar het heen gaat. Dat interesseert me ook niet want ik zal het hoe dan ook nooit overleven. Ooit zal één van de ‘dingetjes’ die ik blijkbaar voor deze figuur moet gaan doen me fataal worden. Het enige dat ik kan doen is iedereen op het laatste moment nog een hak te zetten.
“Okay, ik begrijp het,” zeg ik. “Het zal me ook worst zijn hoe je te werk bent gegaan en waarom. Ik overleef dit niet en dat accepteer ik, dat is het risico van het vak dat ik gekozen heb. Maar doe me één lol: maak mijn handen los wil je, want mijn neus jeukt alsof er een bende mieren doorheen loopt.”
 Mijn opdrachtgever kijkt me geamuseerd aan. “Ach, je komt toch niet weg, de deuren zijn vergrendeld.” Uit zijn zak haalt hij een mes, ik voel hoe hij de tie-rip doorsnijdt en hoe heel pijnlijk de bloedvaten van mijn handen zich weer vullen. In een fractie van een seconde pak ik mijn linker voet en draai de hak van de schoen een kwartslag. Wat een vreselijk cliché, maar wel een dat werkt: een huurmoordenaar met een zelfmoordcapsule in de hak van zijn schoen! Mijn opdrachtgever heeft me echter door. Met een beweging die in de beperkte ruimte eigenlijk niet mogelijk zou moeten zijn slaat hij de capsule uit mijn hand. “Nee, verdomme! Mijn opdrachtgever wil je levend hebben..!” Als hij de verbazing in mijn gezicht ziet zegt hij: “Ja, denk je nou werkelijk dat iemand, wie dan ook, in deze wereld alleen voor zichzelf bezig is? Natuurlijk niet. Jij werkte, dacht je, in opdracht van een politicus, maar die werkte in mijn opdracht. Ik heb zelf ook een opdrachtgever en ik maak me sterk dat hij óók weer een baas heeft. Iedereen werkt voor iedereen. Wie aan het eind van die hele rij bazen en uitvoerders uiteindelijk aan alle touwtjes trekt? Ik heb geen idee, maar waarom zouden we dat willen weten? Al die opdrachten achter elkaar zorgen immers voor een geldstroom die dagelijks bijna sneller dan het licht de hele wereld over gaat en daar pikt iedereen, groot of klein, zijn graantje van mee. En nu ga jij lekker slapen, knul...” 
Met eenzelfde soort beweging als waarmee hij de capsule uit mijn hand sloeg geeft hij me een klap op mijn achterhoofd met iets dat in het schrale schemerlicht glinstert als metaal. Voordat de sterrenregen donker wordt flitst er door m’n hoofd: waar haalt-ie dát ding nou ineens vandaan..?
 
© Cees Geluk, december 2016