5. sep, 2016

VERTROUWEN

1961.

Een toilet kon het niet genoemd worden. Het waren twee metalen bakken, één aan elke kant van de ruimte. Hier moest iedereen, dat wil zeggen de jongetjes, doen wat jongetjes er normaal gesproken doen. Hij was al klaar, wachtte totdat de juf hem en zijn klasgenootjes zou terugbrengen. De deur ging open en daar stond juf Knosse, een grote en (besefte hij veel later pas) foeilelijke vrouw. ‘Allemaal klaar?’ Tweeënwintig koppetjes gingen instemmend op en neer: ‘Ja, juf.’ Juf Knosse inspecteerde de ruimte om te zien of ze iedereen had. ‘Wat is dít nou?’ Juf brulde het bijna uit. ‘Wie heeft dít gedaan?!’ Hij stond er het dichtste bij en zag wat juf bedoelde. Op de grond, op de witte tegels, lag een plas geel gekleurd vocht. Iemand had het blijkbaar niet op kunnen houden en zijn ding gedaan nog voor hij de bak had kunnen bereiken. Hij voelde twee vingers die hard aan zijn oor trokken. ‘Jij viespeuk!’ De vingers trokken naar beneden, hij werd met zijn gezicht bijna op de grond gedrukt. ‘Als je moet plassen, doe je dat in de bakken! Nu heb je de wc vies gemaakt. Voor straf mag je hier nooit meer plassen!’

Doodongelukkig liep hij naast zijn moeder naar huis. ‘Hoe was het vandaag,’ vroeg ze. Hij zweeg. Hij was pas vier, hoe kon hij het gevoel van onrecht dat hem overweldigd had onder woorden brengen? Juf Knosse had gezegd dat hij buiten de bak had geplast, maar dat had hij niet. Toch durfde hij het zijn moeder niet vertellen, bang als hij was dat hij van haar óók straf zou krijgen. Hij zou zich stil houden en op school dan maar niet meer plassen.

 

1969.

Met vier hoopjes kleren waren aan weerszijden van het schoolplein twee ‘doelen’ gemaakt, dertig meter uit elkaar. In het midden had een groepje jongens een kring gevormd. In het centrum van die cirkel stonden twee van de jongens, de beste voetballers van de klas. Ze waren aan het ‘poten’, een ritueel dat moest worden uitgevoerd vóór er gevoetbald kon worden. Ieder zette de ene voet met de hak vóór de teen van de andere en zo kwamen ze naar elkaar toe. Degene die de laatste volle voet kon neerzetten, had ‘gewonnen’ en had de eerste keuze bij het samenstellen van zijn voetbalploeg. Om en om werden de namen van de omstanders genoemd, waarna ze zich achter hun ‘aanvoerder’ opstelden. De kring werd dunner en dunner. Totdat er nog één over was. ‘Neem jij die maar,’ zei de ene aanvoerder. ‘Nee, ik wil hem niet,’ zei de ander, ‘hij kan niet voetballen. Als ik hem neem verlies ik zeker en daar heb ik geen zin in.’ Zo werd er nog wat heen en weer geruzied.

Het onderwerp van de onenigheid had zich in de tussentijd al teruggetrokken. Hij leunde tegen de muur van de school en keek hoe de andere jongens zich vermaakten met het voetbalspel. Gelukkig, dacht hij, was hij vandaag niet ‘gepakt’, zoals dat heette. Dat gebeurde bijna iedere dag. Al bij het hek werd hij opgewacht door drie of vier klasgenoten die hem achterna zaten en hem, als ze hem ingehaald hadden, een paar rake klappen verkochten. Klappen waarvan hij wel last had, maar die niet zichtbaar waren. Ontsnappen kon hij er niet aan, hij moest immers naar school. En zijn moeder kon hij het niet vertellen. Niet meer. Hij had het wel eens gedaan maar het enige dat ze zei was: ‘Laat het nou maar, jongen. Doe er maar niets tegen. Je zult zien, als je er niet tegenin gaat, gaat de lol er vanzelf vanaf en stoppen ze wel.’ Daarna had hij het er nooit meer met haar over gehad. Hoezeer het gevoel van onrecht, van uitsluiting hem ook pijn deed, hij zou het alleen dragen.

 

1976.

De bel ging en wéér was een lesuur voorbij. Omdat er een leraar ziek was maar er die dag nog meer lessen waren ontstond er een ‘tussenuur’. Er waren klasgenoten die dat tussenuur gebruikten om huiswerk te maken of de volgende les voor te bereiden. Er waren er ook die de gelegenheid aangrepen om buiten het hek te gaan roken. Daar zag hij ze staan, de ‘populaire’ jongens en meiden. Druk met elkaar in gesprek, lachend en grappend. Hij wist dat het geen zin had ernaartoe te gaan en mee te doen. Om mee te beginnen rookte hij niet. Nog niet, al wilde hij er misschien wel mee beginnen, roken, net als zij. Maar dan zou hij alsnog niet tot die exclusieve club toegelaten worden. Hij droeg niet de juiste kleding, zijn haar zat niet zoals de anderen het droegen en hij had een ‘ouderwetse’ schooltas in plaats van het gebruikelijke vierkante ‘klm-koffertje’. Hij was bovendien niet goed in sport. Hij was een paria, een ‘outcast’. Hij zette zijn tas op de grond en ging ernaast zitten. Uit de tas haalde hij het plastic zakje met boterhammen dat hij van thuis had meegekregen. Ook al zoiets dat hem anders maakte dan de rest. Die kochten in de snackbar in de buurt belegde broodjes. In stilte at hij zijn brood. Nog twee uur hierna, dan kon hij naar huis fietsen.

Daaraan denkend keek hij angstig om zich heen: was Arie ook op school vandaag? Arie kende hij van de lagere school. Arie was samen met Kees. Het waren twee vrienden die eigenlijk niet, maar volgens de logica van de middelbare school misschien ook weer wel tot de ‘populaire’ groep behoorden. Iedere dag dreigden ze hem van zijn fiets te zullen slaan en als dat lukte schepten ze erover op bij de populaire jongens en meiden. Die hadden dan weer stof om over te lachen en te grappen. Iedere dag werd zo een martelgang want alleen het gezicht van Arie en Kees te zien betekende dat hij, in zijn beleving, na het laatste uur moest fietsen voor zijn leven. Ontsnappen kon hij niet: zijn ouders wilden hem niet van school halen. ‘Nog maar een jaartje, dan heb je je diploma en is het allemaal voorbij,’ had zijn moeder hem voorgehouden. Dat dit onrecht hem vanaf de lagere school naar deze school was gevolgd verzweeg hij dan maar. Wat wist zijn moeder nou helemaal?

 

1978.

De sfeer in de manschappenkamer was vol van verwachting. Cas, de artistiekeling van groep 1, tweede peloton, Charlie-compagnie zou een zelfgemaakte film gaan draaien. De tien zaten rond de tafel in het midden, waar de projector was neergezet. Het scherm stond aan de kant van de kamer waar ook de ramen zaten. Dat voorkwam dat het licht van de lantaarns buiten naar binnen kwam. Hij had een plaatsje apart gevonden. Hij had al zijn hele diensttijd moeite gehad zich aan te sluiten bij zijn dienstmaten. Niet alleen omdat hij hun taal niet sprak (er waren Drenten, Groningers en ook Friezen bij) maar ook omdat hij hun gevoel voor humor niet deelde. En van hun kant hadden zijn kamergenoten hem vanaf het begin duidelijk gemaakt dat ze hem op de een of andere manier vreemd vonden. Hij werd getolereerd, de diensttijd was nu eenmaal een verplichting waaraan niet te ontkomen viel, maar meer ook niet.

Op het scherm verscheen het exercitieterrein. Cas had blijkbaar zijn camera meegesmokkeld tijdens het ochtendappel en had het hele ritueel gefilmd. Maar in plaats van de gebruikelijke commando’s had hij er marsmuziek aan toegevoegd. ‘Nu,’ zei Cas, ‘moeten jullie goed opletten. Er komt nu een geweldig komisch stukje’. Het beeld versprong en zijn hart sloeg over. Op het scherm zag hij zichzelf, diep in slaap. In beeld verscheen ook de kop van een bezem waarmee door zijn haar werd gewoeld. Zijn slapende evenbeeld draaide zich om en nam in die beweging de bezemsteel mee in zijn armen, zodat het leek alsof hij die omhelsde. Als muziek had Cas ‘Je t’aime, moi non plus’ van Jane Birkin en Serge Gainsbourg gekozen. De hele kamer brulde van het lachen. ‘Goh, wat zal jouw vrouw blij met je zijn, wat kan jij goed vrijen, zeg!’ Hij hoorde het nauwelijks, zijn ogen brandden. Maar hij kon zijn gevoel van onrecht niet op die manier uiten, wist hij. Hij moest immers nog een half jaar met deze kerels doorbrengen. Hij deed of hij het ook leuk vond, lachte vrolijk mee, klopte Cas op de schouder. ‘Goeie grap, Cas, werkelijk heel goed.’ Van binnen knakte er iets.

2016.

De onterechte beschuldiging van de kleuterjuf. Het besef op de lagere school dat hij niet goed genoeg was om mee te doen. De uitsluiting op de middelbare school omdat hij niet ‘paste’. De zieke grappen en grollen van zijn dienstmaten. Het waren maar een paar van de dingen die hij in zijn leven had meegemaakt. Er was nog meer gebeurd, veel meer dan hij zich kon of wilde herinneren. En steeds was ontsnappen aan de situaties waarin dat soort dingen gebeurden, onmogelijk geweest: eerst was er de leerplicht, later de dienstplicht en weer later de verplichting om voor zijn gezin in het levensonderhoud te voorzien. Hij was er een misantroop door geworden. Hij had geen reden meer om mensen zomaar te vertrouwen. Vrienden had hij niet, ruimtes met veel mensen meed hij als de pest. En ook dat werd hem onmogelijk gemaakt want iedere dag weer moest hij met het openbaar vervoer naar zijn werk in een andere stad. En dan deed hij wat hij in de loop van zijn leven had geleerd: stil zijn, niet reageren, wachten tot het over ging.

Maar ergens in het diepst van zijn ziel wist hij dat er buiten zijn vrouw en kinderen mensen moesten zijn die hij wél kon vertrouwen. Hij besloot daarnaar op zoek te gaan. Zijn zoektocht zou lang zijn, maar hij was vastbesloten te vinden wat hij zocht. En op dat moment zou hij juf Knosse, de twee jongens op het schoolplein, Arie en Kees van de middelbare school en dienstmaat Cas uit zijn hoofd kunnen bannen, hen kunnen zeggen: ik ben wél goed genoeg, ik hoor er wél bij, ik mag er wél zijn! Morgen zou hij ermee beginnen. En met die gedachte draaide hij zich om en viel voor het eerst in jaren in een diepe en weldadige slaap.

© Cees Geluk, september 2016