7. mrt, 2016

DE EERSTE STAP

De banden waren niet pijnlijk, maar belemmerden wel de bewegingsvrijheid. Gefixeerd aan een metalen tafel, met riemen om hoofd, borst, polsen, heupen en net boven de knieën, kon hij zijn hoofd wel bewegen maar niet meer dan een paar centimeter naar links of rechts. Met zijn ogen helemaal in de hoeken kon hij, nu hij gewend was aan het zwakke schijnsel van de nachtverlichting, links de witte tegelwand zien met het metalen aanrecht met spoelbakken. Aan de andere kant bestond de wand geheel uit metalen deuren, elk ongeveer een meter breed en half zo hoog en met een centimeter of tien tussenruimte rondom. De tafel waarop hij lag was niet vlak maar liep naar het midden toe enigszins af, zodat bewegen van het lichaam, voor zover de riemen dat toelieten, lastig was. Van boven naar beneden helde de tafel ook, iets sterker dan naar het midden. Verder was hij voorzien van een afvoer, die voorkwam dat het water in de ronding van de tafel bleef staan. Jan wist waar hij was en waar hij lag: in de autopsieruimte, op een onderzoekstafel. Waarom hij hier lag was hem een compleet raadsel. Hoe hij hier terecht was gekomen had hij voor zichzelf inmiddels gereconstrueerd.

Vanochtend, – of was het gisterochtend? – had een chauffeur hem afgehaald en naar het ziekenhuis gebracht. Hij, Jan Breedijk, zou worden geïnstalleerd als het nieuwe hoofd palliatieve zorg. Zijn voorganger, met wie hij al jaren intensieve zorg verleende aan mensen in hun laatste levensfase, ging met pensioen. De installatie, kon Jan zich herinneren, was precies verlopen zoals hij zich had voorgesteld. Zijn voorganger had hem in zijn afscheidsspeech gekenschetst als iemand die gedreven was door de zorg voor juist de meest kwetsbare patiënten in hun meest kwetsbare momenten. Het feest erna herinnerde hij zich ook, zij het met moeite en dan nog schetsmatig. De aangeboden champagne had hij geweigerd, hij gaf er de voorkeur aan een simpel biertje te drinken. In tegenstelling tot alle andere afdelingshoofden kwam hij niet uit de gegoede burgerij, maar was hij een gewone ‘jongen uit het volk’. Begonnen als co-assistent was dit het summum dat Jan had kunnen bereiken en nu dus ook bereikt had. En dan smaakte een biertje hem toch beter dan wijn. Maar na twee (of drie?) biertjes voelde hij zich wat licht in het hoofd. Logisch, dacht hij, de emotie is me wat teveel geworden. Een lang gekoesterde droom was immers uitgekomen: leiding geven aan de afdeling die het verplegend personeel voor de grootste uitdaging stelde die de medische wetenschap te bieden had: zorg voor stervenden. Hij herinnerde zich nog dat hij naar het toilet was gegaan om zich wat water in het gezicht te deppen, daarna was alles zwart geworden. Hij was hier op deze tafel weer bij kennis gekomen.

 In de hoek van het vertrek, vanuit Jan’s positie boven zijn hoofd en dus voor hem onzichtbaar, zoefde de schuifdeur open, zoals dat al vier keer eerder was gebeurd. Vanuit zijn ooghoeken kon hij zien hoe de persoon in het zwart opnieuw een emmer in de spoelbak zette en die vol liet lopen. De schim draaide zich om en liep op de sectietafel af. De handdoek, nog nat van de vorige keer, werd weer over Jan’s neus en mond gelegd en gefixeerd. En langzaam, tergend langzaam, werd de volle emmer over de handdoek leeggegooid. ‘Waterboarding’ heette dat, wist Jan. Hij wist ook dat, hoezeer het er ook op leek dat hij zou verdrinken, dat niet zou gebeuren. Toch was daar de instinctieve angst voor de verdrinkingsdood, het oerinstinct tot zelfbehoud dat ervoor zorgde dat niet de ratio van het weten dat je niet zult sterven maar juist de angst voor de dood de overhand kreeg. Zijns ondanks vocht Jan tegen het water, tegen de riemen die hem al te veel beweging ontzegden. In een echt verhoor zou dit ertoe leiden dat het slachtoffer alles zou verklaren wat de dader wilde horen, als de marteling maar zou ophouden. Daarom ook was deze ondervragingstechniek zo omstreden, want de informatie was ‘van nature’ onbetrouwbaar. Maar er kwamen geen vragen. Na wat een eeuwigheid leek was de emmer leeg, werd de handdoek weggehaald en kreeg Jan de gelegenheid weer op adem te komen.

“Wie ben je en waarom ben ik hier,” bracht Jan uit. In tegenstelling tot de voorgaande vier keren draaide de zwarte figuur zich nu naar de tafel om. Het gezicht werd aan het oog onttrokken door een bivakmuts, alleen twee donkerbruine ogen en twee smalle lippen, bijna strepen, waren zichtbaar. Uit de weinige huid die door de gaten te zien was maakte Jan werktuigelijk op dat hij in handen was van een blank iemand, en dat die iemand er ontzettend bleek moest uitzien, op het witte af, mogelijk zelfs een ziekte onder de leden had. Achter het  masker knipperden de ogen langzaam. Voor het eerst produceerde de onbekende geluid.

“Wie ik ben is niet belangrijk,” klonk een donkere, hese mannenstem, “wie jij bent en wat je gedaan hebt veel meer.”

“Maar wat heb ik dan gedaan?”

“Mijn leven geruïneerd, maar dat zul je je niet herinneren, denk ik. Laat me je geheugen nog maar weer eens opfrissen.”

En daarmee liep de gemaskerde opnieuw naar de spoelbak, vulde de emmer en begon het hele ritueel opnieuw: de handdoek, het gevecht om voldoende zuurstof, de angst en de paniek, om weer te eindigen met de opluchting dat de verdrinkingsdood wéér niet had toegeslagen. De gemaskerde zette de emmer op de grond, haalde de handdoek weg en vroeg: “Je geheugen alweer een beetje op orde?”

“Ik heb geen idee wat je tegen me hebt, maar ik heb nooit de bedoeling gehad het leven van wie dan ook te ruïneren, ik begrijp echt niet wat je bedoelt.”

“Kan ik me voorstellen. Oké vooruit, ik leg het je uit. Hoe oud ben je?”

“Wat heeft dat ermee te maken?”

“Ik kan zó weer een emmer vullen, ik hou dit spelletje langer vol dan jij. Hoe oud ben je?”

Jan zag in dat het geen zin had met deze figuur in discussie te gaan. “Zevenenvijftig.”

“Dan is het precies vijftig jaar geleden dat je mijn leven hebt verpest. Een jubileum dat ik niet meer dacht te kunnen meemaken. Maar gelukkig is het me vergund.”

“Maar hoe heb ik vijftig jaar geleden... toen was ik zeven, idioot! Ik kan me van die tijd niets meer herinneren!”

“Maar ik des te meer. Stel je voor: jij en ik, beiden lid van dezelfde gymnastiekvereniging. Mijn ouders moesten kromliggen om de contributie daarvoor op te kunnen brengen. En na iedere gymles stond jij me onderweg op te wachten. Hoe je het presteerde weet ik niet, maar je was altijd eerder omgekleed dan ik en je wachtte me op.”

“Het zegt me nog steeds niets.”

“Iedere keer wachtte je me dus op, je mond vol met kraanwater. Dat spuugde je in m’n gezicht en dan rende je gierend van het lachen naar huis. Dat was het begin. Later had je vriendjes die je ertoe bracht hetzelfde te doen, zodat ik drie, vier monden water over me heen kreeg. Water en speeksel.”

Langzaam kwam de herinnering aan die tijd bij Jan terug.

“Wim? Wim van Andel, ben jij het?”

“Wie ik ben is, nogmaals, niet belangrijk. Het verhaal gaat verder. Door die constante dreiging en het niet kunnen ontsnappen aan steeds die volle monden water en speeksel werden de gymlessen een hel voor me en smeekte ik m’n ouders me van de vereniging af te halen. Vanaf dat moment heeft mijn vader me niet meer aangekeken. Ik had me aangesteld, vond hij, ik had geen doorzettingsvermogen getoond, ik was niets waard.”

“En dat verwijt je mij?”

“Kop dicht. Op de lagere school was het niet anders. We zaten immers op dezelfde school, jij een klas hoger dan ik. Jij wist jouw klasgenoten en de mijne te vertellen hoe makkelijk het was om me uit mijn evenwicht te brengen: een simpele mond water was voldoende. Ik heb van de klasgenoten geen plonzen water in mijn gezicht gehad, maar gepest ben ik zeker. En omdat ik jouw watermarteling vreesde, kon ik er weinig tegenover stellen.”

“Als je excuses wilt kun je die krijgen.”

“Te weinig en te laat. Na de lagere school was ik mentaal al zó ingesteld op het vermijden van anderen dat ook de middelbare school op zijn zachtst gezegd geen prettige periode voor me was. Ik heb weliswaar een Vwo-diploma gehaald maar een universitaire vervolgopleiding kon ik psychisch niet meer aan. Daardoor heb ik nu op de huidige neoliberale arbeidsmarkt nauwelijks tot geen kans meer op een fulltime baan. Ik ben vorige week bij een reorganisatie boventallig geworden en kan het verder als vijftigplusser zonder universitaire graad wel schudden. Ik moet zien rond te komen van een bijstandsuitkering. Mijn leven is geruïneerd.”

“Alleen maar vanwege een paar mondjes water vijftig jaar geleden? Kom op, zeg!”

“‘Iedere reis begint met een eerste stap,’ leert een oud Chinees gezegde. Die eerste stap was jouw watermarteling vijftig jaar geleden. Die gymnastiekvereniging moest ervoor zorgen dat ik meer zelfvertrouwen, meer gevoel voor eigenwaarde kreeg. Jouw pesterijen en de manier waarop je anderen ertoe bracht hetzelfde te doen hebben ervoor gezorgd dat ik daar nooit aan toegekomen ben. In die zin heb jij mijn leven verwoest en daarvoor ga je nu de prijs betalen.”

“Kom op nou, Wim! Als je vindt dat ik je leven heb verwoest dan spijt me dat ontzettend. Dat is nooit de bedoeling geweest. Het was gewoon een geintje onder vrienden. Vertel me hoe ik je kan helpen en ik doe wat ik kan.”

De figuur in het zwart zweeg verder, draaide zich om en liep weg. Jan stelde zich in op een nieuwe sessie waterboarding. Maar deze keer hoorde hij geen water lopen. En Wim stond ook bij een andere spoelbak, het verst van de tafel verwijderd. Wim draaide zich om en liep op de tafel toe.

“Geen handdoek deze keer. We doen iets anders. Zoals je ongetwijfeld weet, je bent tenslotte arts, is speeksel van zichzelf iets zurig. Dat helpt bij de eerste stap op weg naar vertering van ons voedsel. Ik heb de zuurgraad een beetje versterkt. Zo krijg je alle water en speeksel terug die ik jaren geleden van jou kreeg, met een redelijke rente...”

“Wim, wat ben je van pl...”

Voordat Jan zijn zin kon afmaken werd heel langzaam maar ook heel zeker, de emmer boven zijn hoofd omgekeerd. Druppel voor druppel voelde hij het vocht op zijn voorhoofd vallen. En met iedere druppel werd een branderig gevoel dat eerst nog te verdragen was, steeds heftiger.

“Wim, hou op, alsjeblieft! Zeg me wat je wilt en ik doe alles!”

“Dat begrijp ik, maar destijds wist je ook niet van ophouden, al wist je donders goed dat ik dat graag wilde. We gaan gewoon nog even verder. Ik wil zeker weten dat je overtuigd bent van je voornemen om alles voor me te doen.”

En weer tipte de emmer voorover. Deze keer viel het vocht op Jan’s hals en schouders. Het voelde aan alsof zijn huid één grote schaafwond was die met jodiumtinctuur bewerkt werd.

“Wim, ik smeek je, hou hiermee op! Wat moet ik doen om je te laten stoppen?!”

“Niets, Jan, de emmer zal straks leeg zijn en dan ben ik klaar. Dan heb ik jouw leven verwoest zoals jij het mijne. Nog één keertje. Oh, wacht. Dat is waar ook, dat zou ik bijna vergeten.”

Jan reikte onder de tafel naar iets dat het geluid maakte van een tas of een rugzak.

“Zo, deze kunnen we niet missen.”

Jan’s oogleden werden opengesperd met klemmen die een oogarts gebruikt om ogen open te houden bij staar-operaties.

“We kunnen natuurlijk niet hebben dat je ogen uitdrogen op deze manier. Ik heb nog wat vocht in de emmer zitten, maar dat is denk ik nét niet genoeg voor mijn doel. Ik doe er nog wat zuur bij om hem af te vullen.”

“Wim, ik smeek je, stop hiermee! Ik heb destijds toch ook niet jouw ogen vernield?”

“Nee, maar wel mijn leven en op deze manier zal jouw leven ook niets meer waard zijn. Wie wil immers een dokter die niets kan zien? En als je je vak niet meer kunt uitoefenen heb je binnen de kortst mogelijke keren geen baan meer, net als ik. Eens zien hoe jij dat gaat overleven.”

En daarmee tipte de emmer weer. Door de opengesperde ogen zag Jan de straal op zich afkomen. Uit alle macht probeerde hij, tegen de druk van de klemmen in, zijn oogleden te sluiten. Tevergeefs. De straal kwam dichter en dichterbij, alsof er een film in 'super-slo-mo' werd afgedraaid. Jan zag het vocht op zich afkomen en kon alleen maar vermoeden hoe pijnlijk het zou zijn als zijn ogen door het zuur weggevreten zouden worden.

“Jan, jongen, wat is er in godsnaam met je?!”

Gretha, Jan’s vrouw schudde Jan wakker. Kletsnat van het zweet keek hij verwilderd om zich heen. Zijn vrouw, zijn bed, zijn slaapkamer, zijn huis. Geen sectietafel, geen emmer, geen zuur, geen Wim. Hijgend van emotie kuste hij zijn Gretha.

“Ik heb een nachtmerrie gehad. Maar zó levensecht dat ik werkelijk dacht dat ik... Nou, laat maar. Ik ga even naar de huiskamer, ik moet even op adem komen.”

“Natuurlijk, schat. Heb je iets nodig, kan ik je wat brengen?”

“Nee, ga jij maar weer slapen, ik kom zo weer terug.”

In de keuken trok Jan een biertje uit de koelkast, opende het flesje en zette het aan zijn mond. Het verbaasde hem dat hij zo levensecht had gedroomd over iets dat wel was gebeurd, maar dat hij allang vergeten was. Wim van Andel. Hij kon zich dat joch nog vaag herinneren. Het was een wat zonderlinge jongen geweest en inderdaad, een makkelijke prooi voor een verveeld opgeschoten knulletje als Jan.

Het biertje was op, Onderweg terug naar bed nam hij zich voor morgen zijn secretaresse eens uit te laten zoeken of Wim van Andel nog leefde. En misschien kon ze er ook achter komen hoe het met hem ging. Jan wilde zijn excuses maken, dit stukje verleden kunnen afsluiten. Het was ooit weliswaar alleen maar als geintje bedoeld maar nóg zo’n nachtmerrie hoefde hij niet meer mee te maken. En terwijl hij zijn ogen liet dichtvallen en in slaap zakte verbaasde hij zich erover dat zijn hals zo schraal aanvoelde...

© Cees Geluk, maart 2016