26. dec, 2014

EDDIE

Eddie heette hij en hij woonde schuin boven ons. In ons portiek de trap op, en op de verdieping links was zijn voordeur. Sinds zijn vrouw en kind waren vertrokken leefde hij er alleen. Soms zagen we hem wel eens door de buurt struinen. Een wat oudere, Indonesisch ogende man. Een enkele keer koos hij het verkeerde portiek om naar huis te gaan, maar dan werd hij vriendelijk terechtgewezen. Nooit viel er een onvertogen woord, Eddie knikte iedereen in het voorbijgaan altijd stilzwijgend toe. Het vertrek van zijn gezin had hem aangeslagen, zoveel was zeker, hij was er psychisch van in de war. We lieten hem als buurt maar begaan. Niet helemaal bij de tijd, maar verder ongevaarlijk en niemand tot last. En ach, die enkele keer dat hij zich vergiste, dat kon iedereen toch gebeuren?

Mijn vrouw en ik hadden die dag andere dingen aan ons hoofd. Haar oma werd tachtig en dat moest gevierd. En dus kwamen de dochters, mijn ‘schoontantes’ bij ons om te overleggen hoe we van die verjaardag het beste een onvergetelijke gebeurtenis voor moeder of (schoon)grootmoeder konden maken. Het gesprek was geanimeerd, onder het genot van koffie met gebak werden herinneringen opgehaald en werd er hartelijk gelachen om de anekdotes uit een zo rijk verleden. Straks zouden we naar het restaurant gaan om te reserveren. We hadden er echt zin in.

De zoemer van de intercom ging. We verwachtten niemand dus nam mijn vrouw verbaasd de hoorn van de huistelefoon van de haak. Voor de afsluitbare portiekdeur stond een taxichauffeur. Hij had een oudere dame in zijn voertuig die op bezoek wilde bij haar zoon, Eddie. Het bezoek was al maanden tevoren afgesproken zei hij, moeder kwam er helemaal voor uit Indonesië. Het was dan ook vreemd dat er niemand opendeed. De chauffeur wilde niet langer wachten. Hij had zijn taak volbracht, zijn rit was bij het juiste adres geëindigd en hij had zijn passagiere daar gebracht waar ze wilde zijn.

Een buurvrouw (wier voordeur zich in het portiek tegenover de onze bevond) ontfermde zich over het oudje. Ik zag ze samen de trap op komen. Hoe oud ze ook was, de bezoekster keek met een zekere trots de wereld in. Ze was duidelijk voldaan dat ze de reis had volbracht. Ik constateerde dat alles verder in orde was en ging weer naar binnen: mijn gasten wachtten op me.

Even later stopte een politieauto voor de deur. Er werd gebeld. Alweer bij ons, maar nu aan onze voordeur. Of we toegang hadden tot het huis schuin boven. Nee, dat niet. De agente keek naar ons balkon. “Heeft u een trap, zodat ik van hieruit naar het balkon van die woning kan proberen te klimmen? We moeten echt zeker weten dat de bewoner niet thuis is.” Hoe konden we dat weigeren aan de sterke arm der wet? En terwijl mijn ‘schoontantes’, mijn echtgenote en ik toekeken, klom de politievrouw, ondersteund door haar mannelijke collega,  heel behendig vanaf de keukentrap over de balustrade naar het balkon boven het onze, het balkon van het huis van Eddie.

Ondertussen had onze buurvrouw bij haar thuis de oude moeder geïnstalleerd en van een kop thee voorzien. Ze kwam even langs om uitleg te geven. “Ik heb de politie maar gebeld, want eerlijk gezegd vertrouwde ik het al een poosje niet meer. De brievenbus puilt uit en ik heb Eddie ook al in geen dagen meer in de buurt gezien. Het zal wel niets zijn, maar het is beter dat de politie voor alle zekerheid even een kijkje neemt.”

De agente kwam weer op dezelfde manier terug als ze gegaan was. Met een wat zorgelijk gezicht gaf ze haar mannelijke collega opdracht om uit het voertuig een koevoet te gaan halen. Ze wilde zeker weten dat er niets aan de hand was en omdat de balkondeur op slot zat had ze geen keus dan in het portiek de voordeur te forceren en zich zo toegang tot de woning te verschaffen. Nog geen twee minuten later maakte een hevig gekraak en het geluid van stampende voeten duidelijk dat ze in haar opzet geslaagd was. Het duurde even voor ze had gevonden wat ze zocht. Dat kregen we in onze woning verder niet mee, wij waren weer druk doende met voorbereidingen voor het feest van oma. Tot het moment dat voor het hele portiek duidelijk werd waarom Eddie niet had opengedaan. Vanuit het huis van de buurvrouw klonk een hoge, bijna onmenselijke gil die voor het gevoel minutenlang aanhield. Zo reageerde de oude dame op het bericht dat haar zoon, haar enigst kind, dood was aangetroffen in de huiskamer van zijn woning.

Achteraf hebben we begrepen dat Eddie thuis door een hartaanval was getroffen, Hij had kennelijk nog tevergeefs geprobeerd om hulp te bellen. Hij werd gevonden met de hoorn van de telefoon in zijn handen, midden in de woonkamer, liggend op zijn buik.

De ‘schoontantes’, mijn vrouw en ik zijn daarna naar het restaurant gegaan. Het leven gaat immers door, ook al is er een overlijden te betreuren. Het etablissement bleek niet wat we ervan hadden verwacht, we hebben later een andere gelegenheid gevonden die veel beter geschikt was voor ons doel. Het feest is uiteindelijk een groot succes geworden. Inderdaad onvergetelijk voor oma. Toen we terugkwamen was de commotie over. Het lichaam van Eddie was met een ambulance afgevoerd voor sectie en de oude moeder is door haar (ex?)schoondochter opgevangen. Ik wilde me toen en wil me nu nog steeds geen voorstelling maken wat die twee met elkaar te bespreken hadden.

Ik heb me die hele verdere dag niet echt op mijn gemak gevoeld en nu ik dit verhaal neerschrijf voel ik me weer oncomfortabel. Hoe is het mogelijk dat je bijna op elkaars lip woont en toch geen rol speelt in elkaars leven? Hoe kan het dat iemand op nog geen dertig meter van jouw positie een doodsstrijd verliest, een aantal dagen dood in je nabijheid ligt en dat je daar niets, maar dan ook helemaal niets van meekrijgt? Hoe kan brievenbus uitpuilen zonder dat iemand dat als een signaal ziet dat er misschien iets mis is? In wat voor samenleving zijn we terechtgekomen als dit allemaal mogelijk is? En voor de goede orde: dit verhaal speelt zich niet gisteren of vorige week af, maar vlak nadat ik was getrouwd en dat is volgend jaar alweer dertig jaar geleden, alles bij elkaar dus nog ver vóór wat ik maar even de ‘grote neoliberale individualisering’ noem.

Wat ik hiermee wil zeggen: het kost niets om af en toe de naaste buurman of –vrouw eens te groeten. Gewoon: “Hallo, hoe gaat het?” Als we daarmee kunnen voorkomen dat een oude vrouw van de politie te horen moet krijgen dat haar enigst kind niet meer leeft, al is het maar één keer, dan heeft dit verhaal doel getroffen.

Zo moeilijk hoeft dat stukje participatiemaatschappij toch niet te zijn…?

© Cees Geluk, december 2014