18. dec, 2012

KREUKELS

Met een diepe zucht stond Carola op. Het was tijd. Op de gang stonden ze al te wachten. Ze liep naar de deur en opende die.
“Zoek rustig een plaatsje, dan kunnen we beginnen,” zei ze. Tien minuten later waren alle plaatsen in het klaslokaal bezet en keken dertig paar ogen haar verwachtingsvol aan.

“Vandaag wil ik jullie iets laten zien. Voor je op tafel ligt een stuk papier. Maak daar een prop van.” Het duurde even voor haar toehoorders gehoor gaven aan haar verzoek, maar toen was het gekraak van papier ook niet van de lucht. “Ja, toe maar, flink proppen,” moedigde ze aan. Toen het geluid een beetje verstomd was, zei ze: “Iedereen klaar? Dan gaan we nu andersom werken. Ik wil dat jullie van die prop weer een plat en glad stuk papier maken.” Weer het gekraak van papier, nu gevolgd door het geluid van handen die wrijvende bewegingen maakten over de tafeltjes. Toen ook dat geluid verstomd was, zuchtte de juf heel diep. Nu moest het gebeuren. “Als jullie er zeker van zijn dat het papier weer helemaal hetzelfde is als voordat we er een prop van maakten, wil ik dat jullie het tegen het raam houden.” Geschuif van tafeltjes en stoeltjes. Vreemde blikken: wat wil ze toch? Maar uiteindelijk werden 30 stukken papier tegen het raam gedrukt.

Carola had haar doel bereikt. “Ik wil dat jullie goed kijken. Wat zie je?”
“Ik zie nog kreukels,” kwam een antwoord, “en ik heb toch echt mijn best gedaan om het papier weer glad te krijgen.”
“Wat jullie zien, is een gepest kind,” vertelde de leerkracht, “van buiten glad en strak, maar van binnen, waar het telt, laat het pesten kreukels achter die niet verdwijnen. Die nooit meer verdwijnen. Een gepest kind draagt zijn of haar hele leven de littekens van pestgedrag met zich mee, ook al zegt het dat niet. En dat kan hele nare gevolgen hebben. Daarvan hebben we in korte tijd twee trieste voorbeelden moeten meemaken. Bij Tim Ribberink duurde het tot zijn twintigste voordat de gevolgen van pesten hem te erg werden en hij zelfmoord pleegde, en kortgeleden is een meisje uit Staphorst voor een aanstormende trein gesprongen. Waar haar klasgenoten bij waren. En ze was pas vijftien. Vijf. Tien. Ze zou nog een heel leven moeten kunnen leven, maar ze koos de dood omdat ze niet meer met pesten kon leven. Daarom zijn jullie hier.”

De stilte was oorverdovend. Tot één van de aanwezigen het zwijgen doorbrak. “Maar daar hebben we jullie toch voor? Jullie leerkrachten moeten onze kinderen er toch op wijzen dat pesten niet kan?”
Carola kende de vragensteller. Ze wist dat het de vader was van één van de pesters. Hier had ze op gehoopt.
“Natuurlijk heeft de school een taak. En daar lopen we ook niet voor weg. Maar de school kan dat niet alleen. Daar hebben we de ouders bij nodig. Weet u bijvoorbeeld wat uw dochter hier op school heeft uitgehaald? Gisteren hoorde ik haar tegen een klasgenootje zeggen dat die dik was, en dat ze maar heel hard moest vermageren omdat ze anders nooit een man en kinderen zou krijgen. En dat, meneer, zijn kinderen van tien! Als u dit had geweten... Nee, laat ik het anders vragen. Nu u dit weet, wat gaat u nu doen?”
“Helemaal niks. Deze maatschappij is keihard. Kinderen moeten ook hard worden, anders overleven ze niet. Een beetje plagen hoort daarbij. Wie daar niet tegen kan is uitermate zielig. En dan: mijn dochter heeft kennelijk een mening uitgesproken. En voor zover ik weet hebben we hier nog steeds vrijheid van meningsuiting.”
“U maakt een denkfout meneer. Het recht op vrijheid van meningsuiting stopt waar de rechten van anderen worden ingeperkt. Het slachtoffer van uw dochter had het recht op een gevoel van veiligheid. Dat recht heeft uw dochter met voeten getreden.
“Bovendien: plagen en pesten zijn niet hetzelfde. Bij plagen zijn beide partijen aan elkaar gelijk, en is de situatie één op één. De ene keer doet de een wat, de andere keer de ander. Het kan gebeuren dat het niet prettig gevonden wordt, en er kan zelfs ruzie van komen, maar zelfs dan geven beide partijen goed lik op stuk.
“Pesten is echt anders. In tegenstelling tot plagen is er geen gelijkwaardigheid meer. De pesterijen gebeuren vaak niet één op één, maar met een hele groep tegen één of meer, dus tegen een minderheid. De gepeste kan zich niet verweren, en is altijd de sigaar. Vaak durft of kan hij of zij niet terugslaan, of is hierin niet doeltreffend. Plagen houdt na verloop van tijd op, terwijl pesten vaak voortdurend doorgaat. DAT is het verschil.”

“U denkt mij te kunnen uitleggen wat het verschil tussen plagen en pesten is,"gaf de vader terug. "En u beschuldigt mijn dochter van het laatste. Waarom zou ik u geloven? Plagen was toch één op één en u zegt net dat mijn dochter één op één iets tegen een klasgenootje zei. Dat is volgens uw eigen definitie geen pesten. En ALS het al pesten zou zijn, waarom hoor ik dan de ouders van dat gepeste kind u niet bijvallen?”
“Omdat ik die bewust niet heb uitgenodigd. Het zijn namelijk die ouders die met hun kind bij me zijn gekomen. Ik heb met hen gesproken en daarna u allemaal uitgenodigd. Want het is niet één op één. Uw dochter is de leidster, en heeft een hele rits aanhangers. Waarvan ik de ouders heb uitgenodigd. U allemaal dus. Ik wil dat dit stopt, voordat er op deze school een kind zelfmoord pleegt.”

Alle ouders riepen nu door elkaar. Er was geen logica in de reacties te ontdekken. Totdat één van hen, een Surinaamse vrouw in een kotomissie, de chaos met een schrille schreeuw onderbrak: “Stilte!!! Ik wil wat zeggen!” De vader van de leidster lachte schamper. “Nou zullen we het krijgen... onze gekleurde medemens doet een duit in het zakje. Mens ga toch terug naar je....” De aangesprokene keek de man zo vernietigend aan dat die de laatste opmerking verder inslikte.
“Ik vind uw racistische opmerking niet eens een antwoord waard. Wat ik wel kwijt wil is dat juffrouw Van Geel gelijk heeft. Mijn Stanley neemt regelmatig vriendjes mee naar huis en dan hoor ik ze wel eens lachen. Ze hebben het dan bijvoorbeeld over dat Hindoestaanse meisje, hoe heet ze, Rahni. En over hoe dom die eruit ziet in haar sari. En zo zijn er nog een paar kinderen hier in de klas die steeds het mikpunt zijn. Stanley is geen pester, hij is een meeloper. Hoe kan het ook anders? Als hij niet meeloopt, wordt hij zelf gepest. Hij heeft immers een kleurtje? En als ik u zo hoor, geloof ik dat ik gelijk heb.”

Weer praatten alle ouders door elkaar en nu was het Carola die de orde wist te herstellen.
“Laten we nu eens opbouwend met elkaar praten over hoe we dit probleem kunnen oplossen. En dan bedoel ik niet landelijk of zo, maar gewoon in ons eigen kringetje, hier op school, in deze klas. Hoe gaan we er voor zorgen dat dit ophoudt en dat dat zo blijft?”

“Ik weet wel wat,” wist de zwarte moeder. “We kunnen er zijn voor onze kinderen. Als ze thuiskomen kunnen we ze vragen hoe hun dag geweest is. En dóórvragen en begrip tonen, zodat ze ons durven vertellen of er gepest is. En we kunnen dat één keer per maand met elkaar delen. Daar hoeven we niet eens voor naar hier te komen, dat kan gewoon via facebook of op de website van de school. Laten we nu eens afspreken dat we een voorbeeld willen zijn. Voor onze kinderen, voor de school en voor het hele land. Ik heb er geen zin in om betrokken te zijn bij een mogelijke zelfmoord.”

De vader zweeg, zakte onderuit op zijn stoeltje. Carola was opgetogen. Ze had eigenlijk alleen maar een stukje bewustwording willen bereiken en nu was er spontaan een anti-pest werkgroep opgericht! Nu moest ze doorpakken. “Dames en heren,” begon ze, “ik denk dat we in korte tijd een hele grote stap gezet hebben. Ik dank u daarvoor. Ik denk ook dat u hier thuis met uw kind verder over moet praten. Maar ik vind ook dat het idee van mevrouw Bosengi uitvoering verdient. Daarom wil ik u vragen bij het verlaten van het lokaal uw e-mail adres op dit stuk papier te schrijven. Dan zal ik ervoor zorgen dat we via de website van de school contact met elkaar kunnen houden. Nogmaals mijn dank voor uw medewerking.”

De klas was leeg, Carola was vol. Vol van verbazing over het goede resultaat van haar initiatief. Alle ouders hadden, zonder uitzondering, hun e-mail adres achtergelaten. Het initiatief van mevrouw Bosengi kon van start.

Ze trok haar jas aan, sloot het lokaal af, liep de gang door en verliet de school. Op het schoolplein draaide ze zich om. ‘R.K. Basisschool St. Maarten’ stond er boven de deur. Sint Maarten, die zijn mantel met een bedelaar had gedeeld. Het toonbeeld van barmhartigheid. Misschien had hij invloed op de bijeenkomst gehad...?

Carola verliet het schoolplein, onderweg naar de bus. Met een plezierig gevoel in haar hoofd en een kinderlijke huppel bij iedere stap...

© Cees Geluk, december 2012