12. apr, 2011

UIT

De stilte in de auto is te snijden. Jolanda zegt niets en ik hoef ook niet zo nodig te praten. Niet na wat ik met haar heb beleefd en al helemaal niet na wat ze me net gezegd heeft.

Het begon zo mooi. Vier jaar geleden leerden we elkaar kennen. Jolanda was zeven en een half jaar jonger dan ik, maar daar maalden we geen van tweeën om: ik had een leuke en mooie vriendin, zij een vriend en daarmee erkenning van haar vriendinnen. Na twee jaar verloofden we ons. Zij had net de opleiding tot ziekenverzorgende achter de rug en had een baan gevonden. We gaven een groot feest, misschien te groot. Het maakte niet uit. We waren dolgelukkig.

Dat veranderde na een poosje. Op vakantie in België probeerde ik haar tot seks te bewegen. Jolanda was achttien en ik vond dat ik nu lang genoeg op haar gewacht had. Al die tijd was ze te jong geweest, nu was het legaal. Haar schoonheid maakte me bijna gek van verlangen. Maar Jolanda gaf niet thuis. Verder dan een beetje met elkaar spelen kwam het niet. Nooit.

Op een gegeven moment vroeg ze me wat ik zou doen als ze een ander zou hebben. Zou dat de reden zijn dat ze me niet wilde? Ik legde haar uit dat ze die nieuwe vriend dan de eerste weken in het ziekenhuis zou moeten opzoeken omdat ik hem de benen zou breken. Ze keek me aan en zweeg verder. Tot twee maanden geleden.

Ze vroeg me weer wat ik zou doen als ze... Ik onderbrak haar en zei dat ze dat al wel wist. “Dan moet het hoge woord er maar uit”, zei ze. Wat ze me vertelde had ik totaal niet verwacht. Vanaf haar zevende had ze al seks gehad... gedwongen door en met haar broer. Ze legde me zelfs uit dat ze het met haar broer had liggen doen toen ik eens in de huiskamer zat en zij zogenaamd naar de slaapkamer moest om iets te zoeken. Ik kon me dat moment herinneren. Haar broer was na een poosje achter haar aan gegaan. Het zoeken had lang geduurd. Toen was het dus gebeurd. Ik voelde me een klungel. Waarom had ik dat niet doorgehad? Er vielen allerlei stukjes van de puzzel op hun plek. Dáárom wilde ze dus niks met me. “Wat je ook doet”, zei ze, “Je mag aan niemand laten merken dat je het weet. Daar krijg ik alleen maar moeilijkheden mee.”

Een periode van liegen en bedriegen brak aan. Mijn gezicht is een open boek en bovendien kan ik niet tegen dat stiekeme gedoe. Ik had er dan ook moeite mee mijn gezicht in de juiste plooi te houden, niemand iets te laten merken van mijn vreselijke kennis. Mijn moeder had me door. “Wat heb je, jongen?”, vroeg ze me, “Je eet bijna niks meer”. “Niks mam”, gaf ik terug. Ze vroeg niet verder en daar was ik blij mee. Ik kon, ik durfde het haar niet te vertellen. Als ik het vroeg, zou ze het wel voor zich houden, maar ik was bang dat mijn vader het weer aan háár zou merken. Mijn vader, de driftkop, zou alles kapotmaken. Dat kon, dat mocht niet gebeuren. Ik bleef dus stil en was dankbaar dat mijn moeder niet verder aandrong.

Het ergste in die periode vond ik het verlovingsfeest van wat mijn zwager zou moeten worden, de ploert. Met wat ik wist moest ik hem en zijn verloofde van harte gelukwensen. Vrolijk feestvieren, lachen om zijn schuine grappen. Zien hoe hij zijn verloofde zoende en dan weten wat hij met de mijne, zijn zus, had uitgehaald. Het viel me zwaar, ik wilde niet meer liegen. Ik vertrok veel eerder dan de bedoeling was, zonder Jolanda.

Een maand geleden leek aan alle ellende een einde te komen. Jolanda had een kamer gehuurd. Ze ging het ouderlijk huis met al zijn nare herinneringen verlaten. Enthousiast hielp ik haar de kamer in orde maken en vanochtend brachten we de laatste spulletjes over. Nu zouden we samen een leven op kunnen gaan bouwen. Als vanzelf vroeg ik haar: “Wanneer krijg ik de sleutel?” Ik wist dat ze nog niet wilde samenwonen, daar had ik begrip voor, maar ik wilde wel van tijd tot tijd op bezoek kunnen komen. Er ging een schok door me heen toen ze antwoordde: “Je krijgt geen sleutel.”

“Maar als ik je dan wil bezoeken?”

“Als je wilt komen kun je aanbellen. En nu wil ik thuis nog mijn fiets ophalen, dan heb ik die tenminste ook hier.”

Zo rijden we nu terug naar haar ouders. Zij zegt niets en ik ook niet. Ik parkeer de auto voor de deur en controleer nog even de kofferruimte. Daar ligt nog een sjaal van haar. Die geef ik haar. “Oh fijn, die is goed voor van de winter”, zegt ze. Er knapt iets in me. Heeft ze dan helemaal niet door hoe moeilijk ik het ermee heb, dat ik hiermee niet leven kan? Ziet ze dan niet dat ik er niet tegen kan dat ik voor een bezoekje toestemming moet vragen aan mijn verloofde? Verdomme, ze is mijn verloofde! Dat moet toch anders kunnen? “Ik geloof niet, dat wij nog een winter samen gaan meemaken, Jolanda”, breng ik uit.

“Hoezo niet?”

“Omdat ik het niet meer trek. Ik stop ermee”.

“Waarmee, dan?”

“Met ons. Ik heb er geen zin meer in.”

“Weet je het zeker?”

“Absoluut.”

“Ja, als je er niet meer voor wilt vechten...”

“Niet vechten? Ik? Ik ben verdomme al twee maanden voor je aan het liegen! Ik kan er niet meer tegen, ik kap er mee!”

“Kom toch nog even binnen, dan hoeven mijn ouders...”

“Nee, ik neem wel afscheid in de hal.”

Samen lopen we naar de voordeur en in de hal kijken we elkaar aan. Er schiet van alles door mijn hoofd en niets daarvan is positief.

“Wil je de ring ook terug?”, vraagt ze.

“Ja, natuurlijk. Die heb ik toch betaald?”

“Oké. Hier.”

In plaats van de ring af te doen houdt ze me haar ringvinger voor. Ik moet de ring zelf afdoen, zoals ik hem ooit ook bij haar heb omgedaan. Het kost me moeite, heel veel moeite. Niet omdat de ring zo strak zit, maar omdat ik hiermee eigenhandig en definitief een einde aan onze verloving, aan onze relatie maak.  Ik slik. “Dit doet mij meer pijn dan je kunt bedenken”, kraakt mijn stem. “Dat geloof ik niet”, zegt ze.

De ring is af, ik doe hem om mijn pink, naast mijn eigen ring. Hij past. Gek dat hij precies past. Of het zo moet zijn. We kijken elkaar weer aan. Nog een laatste kus, hoe krijg ik het voor elkaar. Dan is het tijd. Jolanda loopt de gang door, de huiskamer in. Ik hoor haar moeder enthousiast groeten: “Ha, wijffie!” Ik vraag me af wat er zou gebeuren als ik mijn nu ex-schoonmoeder de waarheid over haar dochter en vooral over haar zoon zou vertellen. Laat maar. Het is mijn probleem niet meer. Ik loop de deur uit, die achter me dichtvalt. Ik ben alleen, in minstens twee betekenissen van het woord. Ik stap in de auto en rij naar huis.

Als ik de huiskamer binnenkom zie ik mijn moeder. Mijn moeder die eigenlijk al vanaf het begin wist dat er iets mis was. Ze kijkt me aan, lijkt van me te schrikken.

“Jongen, ga zitten, je ziet zo wit als een doek. Wil je wat drinken?” “

“Ja graag, een cola tic, alstublieft. Met rum.”

Zonder de gebruikelijke protesten en preken over alcohol gaat ze de keuken in en brengt me een glas.

“Jongen, wat is er met je, zeg toch wat...”

Ik kijk mijn moeder aan, de schat. Ik zie de diepe bezorgdheid in haar gezicht. Dan kan ik me niet meer beheersen. Ik laat mijn tranen de vrije loop en schreeuw bijna: “Het is UIT!”

© Cees Geluk, april. 2011