10. apr, 2012

GARRICK

België, november 1916. De deur zwaaide open en de kapitein daalde de trap af, de binnenplaats op en liep naar de blinde muur en de paal ervoor. Hij werd gevolgd door de dokter, de aalmoezenier en de veroordeelde tussen zes soldaten.

De kapitein had ‘de wandeling’, zoals hij het noemde, al vaker moeten maken. Als bevelhebber van de in dit kasteeltje ingekwartierde gevangenis had hij de taak krijgsraden bij te wonen en de vonnissen uit te voeren. Voor het overgrote merendeel kwam dat gelukkig slechts neer op het gevangen houden en verzorgen van veroordeelde militairen, een enkele keer moest hij doen waartoe hij nu ook weer voorbereidingen had getroffen: een doodvonnis voltrekken.

De soldaat werd met zijn handen op de rug aan de paal vastgebonden. De aangeboden blinddoek weigerde hij. De dokter speldde de gebruikelijke witte lap op zijn borst en trok zich terug. De aalmoezenier prevelde een laatste gebed en ook hij verdween. Nu had de kapitein een taak te vervullen.

“Soldaat Matthew Garrick, u bent op 16 november 1916 door een krijgsraad veroordeeld wegens lafheid. U heeft uw regiment zonder toestemming verlaten en bent daar vier weken lang niet teruggekeerd. U heeft zich daardoor aan directe gevechtshandelingen onttrokken. Vanwege die desertie heeft de Auditeur Militair van Zijne Majesteit de doodstraf tegen u geëist. Die eis is door de krijgsraad overgenomen en dat vonnis is door veldmaarschalk Sir Douglas Haig bekrachtigd. Heeft u nog een laatste woord voordat het vonnis aan u wordt voltrokken?”

In plaats van ontkennend te schudden keek de veroordeelde de kapitein recht aan. Deze deinsde even terug. Garrick’s gezicht was door de oorlog getekend: zoals alle militairen zag hij bleek, op het witte af. En dat terwijl hij als roodharige toch al niet veel kleur had. Op zijn bovenlip was het begin te zien van een voorzichtig, donzig snorretje. Diep in dat gezicht lagen twee staalblauwe ogen als vurige kolen. Verre van schuldbewust keken die nu de kapitein bijna arrogant aan.

“Kapitein Evans, ik wil inderdaad nog wat zeggen. Ik heb dienst genomen omdat ik mijn land wilde dienen. Ik heb me ook aangemeld omdat ik wilde dat mijn Milly, mijn meisje, trots op me zou zijn. Maar wat ik hier in België heb moeten meemaken heeft niets met het dienen van mijn land te maken. Op wat ik hier heb moeten doen kan Milly nooit trots zijn. Ik heb mijn regiment niet verlaten, ik ben het kwijtgeraakt toen de vijand onze loopgraaf wilde veroveren en ons met een trommelvuur bestookte. Vier dagen en nachten regende het onophoudelijk granaten. Ik ben nog nooit zo bang geweest. Ik heb gezien hoe de vijand na dat trommelvuur mijn beste kameraden aan bajonetten reeg alsof het makrelen voor de rokerij waren. Ik heb me verscholen, ja. Ik wilde niet dood. Wie wil dat wel? Toen ik eenmaal weer bij zinnen was wilde ik mijn regiment terugvinden maar het heeft vier weken geduurd voor me dat lukte. Het regiment, het leger, vindt dat ik laf ben, dat ik me had moeten laten afmaken. U krijgt nu de kans dat recht te zetten. Ik verwijt u niets, u bewijst me een dienst. Straks hoef ik niet meer, nooit meer bang te zijn.”

Garrick zweeg, maar bleef de kapitein aankijken. Verdomme, die blauwe kijkers! Waarom kon hij niet ergens anders heen kijken?

Evans vermande zich. Het moest gebeuren.

“Vuurpeloton.... geeft.... acht!”

Zes paar soldatenlaarzen stampten tegelijk op de kasseien.

“Legt aan!”

Zes geweerlopen kwamen omhoog, gericht op het witte stuk stof.

“VUUR!”

Een eeuwigdurend ogenblik leek het alsof de blinde muur erover nadacht of dit commando wel een echo had verdiend, maar voordat daarover de beslissing viel, verscheurde het geluid van de uitvoering ervan uit zes vuurwapens de stilte. Het stukje stof werd roodgekleurd en vloog door de kracht van de kogelinslagen door de lucht. Garrick zakte door zijn knieën en kwam, de handen nog achter de paal vastgebonden, min of meer op zijn rug terecht. De dokter kwam aanlopen, zette een stethoscoop op Garrick’s borst en schudde zijn hoofd tegen Evans: nog niet. De kapitein wist wat hem te doen stond. Dit was het ergste. Hij wankelde even, beende toen naar voren, trok zijn pistool en legde aan. Over de loop richtend keek hij in de nog openstaande ogen van Garrick. Wéér dat blauw! Waarom had Garrick dan ook de blinddoek geweigerd? Evans keek weg en haalde blindelings de trekker over. Een knal en een korte, doffe plof. Het bleekwitte gezicht verdween. In plaats daarvan een snel groter wordende dieprode plas. Nu was er geen twijfel meer: Garrick was dood.

-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-

Engeland, juli 1975. Aan de Lancaster Terrace in Londen ligt het London Elizabeth Hotel. Hier heeft Harry Evans een kamer voor drie weken. Hij zit aan het ontbijt. Hij is allang geen kapitein meer, maar een gepensioneerde boekhouder. Hij is hier gekomen om schoon schip te maken. Hier moet ergens naaste familie van Matthew Garrick wonen: zijn zus, in 1916 nog een kind van vier. Met haar wil hij praten, uitleggen waarom haar broer moest sterven. Het kón immers niet anders: als Matthew niet zou zijn veroordeeld zouden vele anderen ook het idee van desertie hebben opgevat. Harry kan ze dat met de kennis van nu eigenlijk niet eens kwalijk nemen. Veel van de veroordeelden van toen hadden, weet hij nu, Post Traumatische Stress. Die dag in 1916 heeft hem nooit losgelaten. Natuurlijk kwam het wel vaker voor dat veroordeelden niet direct na het geweersalvo overleden waren en natuurlijk wist hij dat het dan aan de commandant van het vuurpeloton was om het karwei af te maken, maar die ogen!

Hij moet het voor zichzelf afsluiten, ermee in het reine komen voordat zijn lichaam hem in de steek laat. Zijn huisarts was duidelijk geweest: hij heeft nog hoogstens een jaar. Wat hij hier zoekt? Erkenning misschien van het dilemma waar hij toen voor stond, of vergiffenis voor wat onder zijn leiding plaatsvond. Dat laatste wil hij proberen van Garrick’s zus te krijgen, maar hij heeft haar nog niet kunnen vinden. Misschien dat de hotelmanager hem kan helpen.

Evans staat op en loopt naar de lobby. Achter de balie zitten, aan twee tegen elkaar gezette bureaus, de hotelmanager en zijn receptioniste. De manager herkent hem en glimlacht vriendelijk. De oude man raapt al zijn moed bij elkaar en vraagt: “Zeg, dit hotel zit al heel lang in dit gebouw, hè?”

“Jazeker, al vanaf 1935”, is het antwoord.

“En hoe lang bent u hier al?”

“Ik erfde het in 1938 van mijn vader.”

“Zou ik u mogen vragen of u Sally Garrick kent? Ze zou hier in de buurt moeten wonen en zou nu in de zestig moeten zijn.”

“Sally ken ik wel, dat was mijn buurvrouw. Maar die is allang dood. Op 4 november 1940 viel er een bom van vijftig kilo hier om de hoek, bij het Metrostation Lancaster Gate. Sally kwam net terug van een wandeling in Kensington Gardens en werd tegen het hek gesmeten. Ze was op slag dood. Ik kan me herinneren dat ze altijd wat treurig keek. Mag ik weten wat u van haar wilde?”

“Nee, laat maar... het is niet meer van belang... Mag ik de rekening en wilt u een taxi voor me bellen?”

De taxi stopt voor de deur en de chauffeur loopt de lobby binnen.

“Wie heeft een taxi besteld?”

“Deze meneer”, zegt de hotelmanager.

“Waar mag ik u naartoe brengen, meneer?”

Evans wordt wakker uit zijn sluimering en kijkt in een roodharig gezicht met twee gifblauwe ogen.

“Naar Paddington Station... Mag ik u vragen... hoe heet u?”

“Freddy Garrick, meneer, waarom wilt u dat weten?”

“Bent u misschien familie van Matthew Garrick?”

“Dat was mijn grootvader. Ze hebben me verteld dat hij in de Eerste Wereldoorlog is gefusilleerd voor desertie. Jammer dat hij nooit heeft geweten dat mijn grootmoeder toen al zwanger was van mijn vader... meneer, gaat het wel goed met u?”

Evans wordt bleek, op het witte af. Het voelt alsof iemand zijn keel heeft dichtgeknepen. Dit is de kleinzoon van Matthew Garrick! Alles kan nu goed komen! Zijn hoofd tolt, zijn lichaam gehoorzaamt niet meer aan zijn hersenen. Waarom schijnt de hotelmanager nu met dat felle licht in zijn gezicht? Oh, nee, dat is de manager niet, het is Matthew die aan het eind van een tunnel in het licht staat en hem wenkt! Dan heeft hij in 1916 niet... Matthew, wacht nog even op me, ik kom er aan!

Harry Evans is dood. Hij heeft nog geprobeerd op te staan, maar dat is mislukt. Hij is vanuit de fauteuil gevallen en heel vreemd terechtgekomen: met zijn handen achter zich min of meer op zijn rug. Als de hotelmanager de ambulance heeft gebeld en vanachter zijn balie de lobby inloopt lijkt het alsof Evans met zijn nog open ogen recht in het gezicht van Freddy Garrick kijkt.

© Cees Geluk, april 2012