24. jun, 2013

DE ZON DIE ALLES ZIET...

Ik voel warmte op mijn gezicht. Ergens heel ver weg hoor ik een vogel. Langzaam drijf ik de werkelijkheid binnen. Met tegenzin wrijf ik de slaap uit mijn ogen: ik wil nog niet wakker worden, ik lig nog zo lekker. Maar er is geen houden aan. Nu ik eenmaal zover ben, kan ik de slaap toch niet meer vatten. Ik richt me op en ga op de rand van het bed zitten.

Het eerste dat ik zie is de kier tussen de gordijnen. Die heb ik gisteravond dus niet goed dichtgetrokken. De opening laat zonlicht binnen. En die streep licht valt op hem. Het is de ochtend na onze huwelijksnacht en dit is onze hotelkamer. Indra slaapt nog, ik hoor zijn regelmatige, diepe ademhaling. Ik zie zijn gezicht met de mond die ik zo vaak hartstochtelijk gekust heb. Ik word me er voor het eerst echt goed van bewust hoe mooi zijn lichaam is, gewoon door de manier waarop het zonlicht ermee speelt. Zijn stevige borst die zonder haast op en neer beweegt. Mijn ogen dwalen af. Ik zie de ribbenboog met daaronder de gespierde buik, verdeeld in zes schitterend gevormde vierkanten. Indra heeft het warm gehad vannacht, hij heeft het dekbed van zich afgegooid, zijn lichaam is vochtig en glanst, spiegelt het binnenvallende licht. Verder dwalen mijn ogen, naar het bekken waarvan de beenderen onmiskenbaar de weg wijzen naar die plek, net onder de band van zijn slipje, waar... Ik moet aan iets anders denken. Ik wil Indra nog niet wakker maken.

Ik herinner me de dag dat we elkaar voor het eerst zagen, hier op het terras van ditzelfde hotel. Ook toen scheen de zon. Ik was nog zo groen als gras, net van de middelbare school en was met mijn eerste autootje een ritje gaan maken. Zomaar, om het begin van de zomervakantie te vieren. Ik was vrij, had mijn diploma en het leven lachte me toe. De weidsheid van het platteland had me altijd al aangetrokken en het was dan ook niet verwonderlijk dat mijn rit me hier naartoe bracht. Ik had dorst gekregen en was op dit terras neergestreken om iets te drinken. Indra had mijn bestelling opgenomen en me mijn drankje gebracht.

Het was liefde op het eerste gezicht voor mij. Zijn exotische, donkere uiterlijk, zijn ovale diepbruine ogen en het sluike gitzwarte haar waren gewoon te mooi om waar te zijn. De lange slanke vingers waarmee hij mijn betaling (en fooi) aannam en me mijn wisselgeld teruggaf, de manier waarop hij liep, alles aan hem vond ik onweerstaanbaar. Ik schrok toen ik mezelf hoorde vragen: “Mag ik vragen wanneer je vandaag vrij bent? Ik wil je graag iets te drinken aanbieden. Je hebt het zo druk en het is zo warm.” Ik schrok nog meer toen hij vriendelijk naar me lachte en op mijn uitnodiging inging. ‘s Middags om vijf uur zou zijn dienst erop zitten.

Die avond hebben we op het terras heerlijk van diverse drankjes zitten genieten. De zon speelde zijn rol goed en bleef tot heel laat voor een prettige temperatuur zorgen, om ten slotte heel romantisch als een bloedrode schijf achter de horizon weg te zakken. De hele avond hebben we gepraat, Indra en ik, over van alles en nog wat. We hadden zoveel gemeenschappelijk, het leek alsof we elkaar al jaren kenden. Op een gegeven moment zei hij: “Het is nu veel te laat voor je om nog te vertrekken. Bovendien heb je aardig wat op, het is misschien beter om niet meer achter het stuur te kruipen. Ik heb een tweepersoonskamer in het hotel, als je wilt kun je bij mij overnachten.” Na enige aarzeling stemde ik in. Waarom ik eigenlijk aarzelde kan ik me nu niet meer herinneren. Achteraf lijkt het volkomen logisch en natuurlijk dat we de nacht met elkaar zouden doorbrengen. Indra bracht de glazen weg en nam me mee naar zijn kamer. De kamer waar we ook nu weer liggen.

Mijn stoutste dromen werden waar die nacht. Ik zag zijn lijf en hij zag het mijne. Ik streelde hem en hij mij. We verkenden elkaars liefste en fijnste plekken en maakten elkaar de hele nacht het hoofd op hol. Totdat we, bij het ontwaken van de zon voor weer een nieuwe dag, vreselijk moe maar ontzettend bevredigd elkaar onze eeuwige liefde verklaarden. We beloofden dat we er altijd voor elkaar zouden zijn en dat we elkaar nooit uit het oog zouden verliezen. En de enige manier waarop we die gelofte konden bezegelen, vonden we, was met elkaar te trouwen. Simpel.

Maar zo simpel was het niet. Voor mijn ouders was het allemaal niet zo’n probleem. Hoewel het aangekondigde huwelijk als een donderslag in een zonnige hemel kwam hadden ze geen moeite met wat ze ‘die jongen’ noemden. Ze namen hem liefdevol op en zeiden dat dit huwelijk hen geen kind kostte, maar hen integendeel een zoon bezorgde. Zo lief, zo cliché, maar ook zo goed om te horen.

Van de kant van Indra´s familie waren de bezwaren veel groter. Zijn vader was en is iemand van tradities en die wilde twee dingen. Ten eerste een huwelijk voor zijn zoon dat paste in de ‘adat’, de oude Indonesische traditie. Het feit dat ik zo blank was als een lelie en dus op geen enkele manier voor Indisch kon doorgaan was het eerste bezwaar. Het tweede en veel grotere bezwaar was de religie. Indra’s familie bestond en bestaat uit moslims. Ik ben daar niet in opgegroeid. En hoewel ik vreselijk mijn best deed om vooral zijn vader ervan te overtuigen dat ik volledig bereid was tot de Islam toe te treden was de familie niet te vermurwen. Zelfs als ik naar hun geloof zou overgaan was een huwelijk niet aan de orde. Indra kreeg geen toestemming en dat was dat. Toch niet. Mijn lief werd vreselijk kwaad, heeft met deuren gesmeten en heeft me ten slotte meegenomen naar buiten, gillend en schreeuwend dat hij met mij en met niemand anders zou trouwen en als dat niet mocht wilde hij geen familie meer zijn. En zo zijn we vertrokken. We hebben zijn familie daarna niet meer gezien. Ook gisteren niet.

Gisteren zijn we getrouwd. In een plaatsje hier niet ver vandaan. Een schattig gemeentehuisje met een aardige en grappige ambtenaar. We hebben onze eigen trouwbeloftes geschreven en uitgewisseld. Allemaal heel romantisch. Net zo romantisch als het feit dat die Indra me na de plechtigheid de sleutel in mijn handen drukte van de kamer waar we elkaar voor het eerst hebben bemind en waar we ook onze huwelijksnacht hebben doorgebracht.

De zon staat alweer een stukje hoger aan de hemel. Door de kier in de gordijnen beschijnt hij nu precies dat deel van Indra’s lijf waar ik zo dol op ben: zijn ‘sixpack’ en het gedeelte ten zuiden daarvan. Net boven de band van zijn slipje zie ik nu pas de kleine, zachte, glimmende haartjes die de voorboden zijn van het struikgewas verderop, met daarin de boom die.... Verdorie! Ik moet ècht aan iets anders denken, ik wil hem niet nu al wakker maken, niet dáárvoor. Daar is straks vast nog alle tijd voor. Langzaam, heel langzaam leg ik het dekbed van me af en loop naar de badkamer. Misschien dat een koude douche me zal helpen.

Als ik door de kamer loop kijk ik onwillekeurig naar het raam. Ik hoor de vogeltjes fluiten en zie de zonneschijf door de gordijnen heen. De zon die alles heeft meegemaakt: onze ontmoeting, onze eerste avond samen, onze trouwdag en nu de eerste dag van ons huwelijk. Ik bedenk me dat het heel anders had kunnen lopen als het die eerste dag niet zonnig was geweest. Ik draai me om naar de badkamer en stoot mijn kleine teen aan de salontafel. Door de schok valt de champagnefles om die we gisteravond samen hebben gedronken. Ik kan een vloek nog net onderdrukken, maar het is al te laat: Indra is wakker. Zijn mooie ogen knijpen een beetje tegen het felle licht.
“Wat is er, wat doe je?”
“Niets, schat, ik wilde alvast een douche nemen, ga nog maar even slapen.”
“Slapen? Als jij gaat douchen? Dacht het niet! Daar wil ik bij zijn. Bovendien: samen douchen spaart de helft aan water. Wacht even, ik kom.”
Hij gaat op de rand van het bed zitten, wrijft zich de ogen uit en staat op. Dan, opeens, met een bijna onmerkbare handbeweging, laat hij zijn slipje vallen. Naakt komt hij op me af. Ik word gek. Wilde gedachten springen als chimpansees door mijn hoofd. Daar beneden brandt het.
Indra neemt me aan de hand en leidt me naar de badkamer.
“Dacht je nou echt dat je vanaf gisteren ook nog maar één dag alleen zou hoeven douchen? Nee Gerard, zo zijn we niet getrouwd. Vanaf vandaag douchen we elke dag lekker samen. Kom...”

Ik kijk nog één keer de kamer rond. De zon staat al hoog aan de hemel. Het wordt een prachtige dag.

© Cees Geluk, januari 2013