25. dec, 2009

ZAKAT (BARMHARTIGHEID)

Een kerstverhaal

Johan Alverman had niets met ‘Kerstmis’. Hij kon niet tegen het opgeklopte, in zijn ogen hypocriete sfeertje. “Vrede op Aarde” kreeg hij niet uit zijn keel: juist in de Kersttijd leken de verschillende geloofsovertuigingen en culturen elkaar meer naar het leven te staan dan anders. Bovendien was de ‘Kerstgedachte’ alleen maar iets dat mensen hadden rond Kerstmis en de jaarwisseling. Zodra een nieuw jaar begonnen was lieten mensen elkaar al snel weer egoïstisch links liggen. Hij kon Charles Dickens wel begrijpen als die Scrooge hartgrondig “Bah, humbug!” liet uitroepen.

Johan had een goede reden voor die houding, vond hij. Het noodlot had volgens hem bedacht dat hij met Kerstmis niet, en nooit, gelukkig zou zijn. Zijn vrouw was uitgerekend op Eerste Kerstdag overleden bij de geboorte van hun dochtertje. Hij had het kind naar haar vernoemd: Anna Elisabeth, roepnaam: Annebeth. Zijn dochtertje leek als twee druppels water op jeugdfoto’s van zijn vrouw. Iedere keer dat hij Annebeth zag, miste hij dus ook haar moeder. Alsof dat nog niet genoeg was had men bij Annebeth een ziekte vastgesteld waarvoor specialisten geen verklaring, laat staan een behandeling hadden. De ziekte tastte longen, nieren en darmen progressief aan. Ook dat was vlak voor Kerst geweest en zijn kindje was bijna vijf. Voor hem was Kerstmis daarna alleen nog maar synoniem met het gemis van zijn vrouw en de zorg voor zijn dochter.

Annebeth was drie jaar ziek toen Johan’s wereld instortte. Begin december kwam zijn baan door een reorganisatie te vervallen. De kwakkelende economie en zijn leeftijd zorgden ervoor dat er op de arbeidsmarkt voor hem geen plaats was. Hij zou per 1 januari werkloos worden en uiteindelijk van een uitkering moeten rondkomen. De specialistische zorg die de steeds zwakker wordende Annebeth nodig had zou hij op den duur niet meer kunnen betalen. Op 20 december kreeg hij van de behandelend artsen ook nog eens te horen dat ze niets meer voor zijn dochter konden doen. Hij kreeg haar mee naar huis zodat ze in een vertrouwde omgeving kon sterven. Johan meed haar kamer zoveel hij kon. Hij kon haar angstige, niet begrijpende blikken niet verdragen. Het was hem allemaal te veel.

Die Kerstavond had hij zijn moeder gevraagd op Annebeth te passen zodat hij naar de kerk kon. Hij had al in geen jaren een kerk van binnen gezien, wist ook niet wat hem nu trok. Tijdens de mis herinnerde hij zich waarom hij al die jaren niet was geweest. De preek van de priester deed hem totaal niets. De herbergier in het Kerstverhaal had volgens de geestelijke een Christelijk werk van Barmhartigheid aan Jozef en Maria betoond door ze in de stal te laten, zodat Jezus geboren kon worden. “De vreemdelingen herbergen” heette dat werk. De priester betoogde dat de huidige egocentrische maatschappij daar een puntje aan kon zuigen. En dat het, in deze tijd van culturele spanningen,  goed was om te constateren dat Christendom en Islam nauwelijks van elkaar verschilden. Eén van de pijlers van Islam was immers “Zakat”, het geven van aalmoezen. Vrij vertaald kon dat ook als Barmhartigheid worden uitgelegd. De voorganger eindigde met een uitspraak van Jezus: “In zoverre u dat aan één van deze kleinen heeft gedaan, heeft u dat ook aan mij gedaan.” Wie Barmhartigheid toonde aan zijn medemensen deed dat dus via hen ook aan God of Allah. Johan was ziedend. Wat een onzin! Hij had al die jaren alles alleen opgeknapt, zonder dat iemand ook maar een vinger had uitgestoken. En nu moest hij Barmhartigheid tonen? Het mocht wat!

Emotioneel leeg en mentaal onbevredigd kwam hij thuis. Hij bedankte zijn moeder, sloot het huis af en maakte zich op om naar bed te gaan. Hij was op het ergste voorbereid: gezien zijn ervaring met Kerstmis verwachtte hij dat Annebeth er de volgende ochtend niet meer zou zijn. Terwijl hij in de keuken het licht uitdeed, zag hij beweging in de tuin. Hij ging naar buiten en zag tegen de schuur een vrouwenfiguur gehurkt zitten. De vrouw keek hem met angstige, vragende ogen aan. “Wilt u mij alstublieft helpen?” bracht ze uit. Johan keek om zich heen, op zijn hoede omdat dit een bekende inbrekerstruc was om binnen te komen. Hij kon echter zo gauw geen handlangers ontdekken. Truc of niet, ze kon hier niet in de kou blijven. Hij besloot de vrouw binnen te laten en wees haar de huiskamer.

Binnen wilde de vrouw hem meteen uitgebreid bedanken, maar Johan bracht zijn vinger aan de mond: “Mijn dochtertje is ernstig ziek, ze slaapt. Zachtjes.” De vrouw keek hem aan. Ze had een mooi gezicht dat door lang diepbruin haar werd omlijst. Het leek alsof ze met haar bijna zwarte ogen door hem heen keek. “Ik weet het”, zei ze. Er ging een schok door Johan heen. Hoe kon ze dat weten? Nee, dat kon ze niet, hij moest haar verkeerd verstaan hebben. Hij ging naar de keuken en zette een kop thee voor haar. Ze leek zich nu meer op haar gemak te voelen en vertelde dat ze was gevlucht voor haar man. Ze had contact gehad met niet-moslims, mannen nog wel, en daar was haar man achter gekomen. Hij had haar toegeschreeuwd dat hiermee de familie-eer was aangetast. Ze had het op een lopen gezet. Eerwraak betekende immers haar dood. Haar man had haar vastgegrepen maar ze had zich weten los te rukken. Nu pas viel het Johan op dat ze blootsvoets was en dat haar kleren als rafels om haar lijf hingen. “Ik heb nog wel wat kleren voor je”, zei hij. De vrouw volgde hem naar de slaapkamer. In de garderobekast had hij nog wat kleding van zijn vrouw bewaard, als tastbaar aandenken. Daar zag hij nu op de één of ander manier het nut niet meer van in. Hij gaf haar de kleren en zei: “Misschien past dit?” Ze dankte hem en hij vertrok, zodat ze zich kon omkleden.

Enige tijd later kwam ze terug in de huiskamer. De kleren pasten alsof ze voor haar gemaakt waren. Ze had ook schoenen in haar maat gevonden. Ze zei dat ze de badkamer had gevonden en zich ook nog wat had opgefrist. “Uw vrouw moet een lief schepsel zijn geweest. U zult haar wel erg missen. Uw dochtertje lijkt erg op haar.” Johan wist niet hoe hij het had. Ze moest op Annebeth’s kamertje zijn geweest. Daar had ze helemaal niets te zoeken! Hij wilde haar daarover aanspreken, maar met een enkel handgebaar belette ze hem dat. “Mag ik alstublieft uw telefoon gebruiken? Het is beter dat ik nu wegga, ook voor u. Ik zou graag een opvanghuis bellen.” Johan wees haar werktuigelijk de telefoon. Hij kon niets uitbrengen, haar gebaar leek zijn tong te hebben verlamd. Na een half uur werd ze opgehaald door twee heren in een bruine bestelbus. Ze liep naar buiten en in het passeren fluisterde ze: “Dank voor uw Zakat. Insha’Allah zult u beloond worden.” Daarop stapte ze in en verdween uit zijn leven. Johan ging naar bed. Hij kon er niet echt een vinger achter krijgen, maar op de een of andere manier was er iets speciaals met die vrouw. Nog voor zijn hoofd het kussen raakte viel hij in een diepe slaap.

De volgende morgen werd Johan wakker omdat iemand aan zijn schouder schudde. Het was Annebeth. “Papa, papa, ik ben jarig! Wat heb je voor cadeautjes voor me?” Hij wreef zich de ogen uit. Zijn dochtertje! Gisteren had hij zich nog op haar dood voorbereid en nu stond ze voor hem! Hij moest weten hoe dit zat. “Hoe is het met je?”, vroeg hij. “Goed hoor”, zei Annebeth. “Een lieve mevrouw met mooie haren heeft alle beestjes uit mijn lijf gehaald. Ze was heel aardig en zei dat ze mijn mama over mij ging vertellen. Wie was die mevrouw, papa?” Johan had wel een idee: het moest de vrouw van gisteravond zijn. Hij herinnerde zich de preek van de priester. Had hij, door haar te helpen, via haar Barmhartigheid getoond aan God of Allah? Het zou hem worst zijn, hij had zijn dochtertje terug, het evenbeeld van zijn overleden vrouw! Hij drukte haar tegen zich aan en gaf haar de cadeautjes.

De ziekte van Annebeth verdween even onverklaarbaar als hij gekomen was. En net als aan het begin stonden ook nu de specialisten voor een raadsel. Johan heeft nooit kunnen achterhalen wie de mysterieuze vrouw van die Kerstavond was. Hij heeft nog jaren gezocht en met opvanginstanties gebeld, maar zonder resultaat. Hij en Annebeth gaan tegenwoordig vol overtuiging het ene jaar naar de Kerstnachtmis, het andere jaar op de vrijdag voor Kerst naar de Moskee. Op die manier willen ze de vrouw, wie ze ook was en wat ze ook geloofde, symbolisch bedanken. Ze heeft hen er beiden van overtuigd dat de waarde van een mens niet afhangt van een geloofsopvatting, maar van zijn of haar daden. En niet alleen dat: Johan brengt de barmhartigheid uit het Kerstverhaal nu dagelijks in de praktijk. Hij werkt met veel plezier voor het COOA, het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers.

© Cees Geluk, december 2009