15. sep, 2009

(ON)VERWACHT

De laatste maand van haar zwangerschap was zwaar geweest. Haar buik was nu zo groot dat ze in haar bewegingen belemmerd werd. Ze had dan ook met haar man afgesproken dat ze het tot aan de geboorte van de kleine zoveel mogelijk rustig aan zou doen. Haar man steunde haar daarin, zoals in alles de afgelopen zevenendertig weken. Ze mocht niets meer doen, hij deed alles. Het enige dat ze nog wel mocht was rustig zitten in een gemakkelijke stoel die ze van zijn moeder te leen hadden gekregen. Om de verveling te verdrijven hadden ze besloten om hun lidmaatschap van de bibliotheek ten volle te benutten. Iedere week gingen ze een nieuwe lading leesvoer voor haar halen.

Zo liepen ze daar. Hij met een tas boeken aan zijn ene hand, zijn andere liefdevol om haar middel. Opeens stond ze stil en rilde. “Wat is er?”, vroeg hij. “Het wordt zo koud om mijn dijen”, zei ze. “Ach, je draagt een zomerrok, omdat die zo lekker zit, maar het is pas februari. Het zal een windvlaag zijn. Laten we nou maar gauw naar huis gaan, daar is het in ieder geval warmer dan hier.”

Thuis bleek dat haar water gebroken was. Bij iedere stap die ze deed verloor ze vocht. De geboorte was dus echt begonnen. Even sloeg de paniek toe. Teveel emoties tegelijk schreeuwden om voorrang. Maar net zo snel keerde de rust weer: er moesten zaken geregeld worden. Bellen met de verloskundige. Die had toevallig spreekuur en zei dat ze naar de praktijk konden komen. Ondertussen was zij naar boven gegaan. Hij vond haar in de slaapkamer en vroeg wat ze daar deed. “Bed verschonen”, was het antwoord. “Maar we gaan zo naar de verloskundige en daarna naar het ziekenhuis. We komen hier voorlopig vast niet meer terug.” Ze was onvermurwbaar, de bedden moesten schoon. Hij hielp haar. Ze pakten de al weken klaarstaande tas en stapten in de auto.

De wachtkamer van de verloskundigenpraktijk zat vol. Na wat een eeuwigheid leek werden ze gehaald. In de spreekkamer werd het vaste ritueel afgedraaid: bloeddruk meten, wegen en dan op de behandeltafel om met een microfoon naar het hartje te luisteren. De verloskundige zette het apparaat op de dikke buik, maar kon schijnbaar het hartje niet vinden. Bovenop, onderaan, het ging heen en weer, steeds weer. Weer paniek: geen harttoon. Was het kindje dood? Al die weken samen in verwachting voor niets? Dan, gelukkig, het hartje. Luid en krachtig. Maar het heen en weer pendelen over de buik bleef aan de gang. Eindelijk kwam het hoge woord eruit: “Ik weet het niet zeker, maar ik geloof dat het er twee zijn.” De toekomstige ouders keken naar elkaar en vervolgens ongelovig naar de verloskundige. Hij was de eerste die de stilte verbrak: “Hou jij je geintjes effe lekker voor je!” Maar de verloskundige maakte geen grap, zei ze. Niet alleen zouden ze voor de eerste keer ouders worden, maar nog van een tweeling ook!  In een waas hoorden ze de verloskundige met het ziekenhuis bellen. “Ik heb hier een mevrouw voor haar eerste bevalling, maar ze blijkt van een tweeling zwanger te zijn. Ja. Ja. Nee, begrijp ik. Goed, doe ik.” Ze draaide zich naar hen toe. “Ga maar naar het ziekenhuis, daar vangen ze jullie wel op. De gynaecoloog van dienst is er nu niet, maar hij komt zodra hij kan”.

Negen uur ’s avonds. De portier van het ziekenhuis bleek op de hoogte en kwam vanachter zijn balie met een rolstoel toen hij hen zag. Ze mocht geen stap meer lopen, ze moest in de stoel, al haar protesten ten spijt. Uit één van de gangen verscheen een verpleegster. Met de rolstoel ging het achter de verpleegster aan, gang in, gang uit, tot een brede deur opzij werd geschoven en ze in de verloskamer kwamen. Een kamer met een ziekenhuisbed, een toiletruimte en een douche, meer niet. Hier moest het dus gaan gebeuren. De verpleegster vertrok, ze waren even alleen. De paniek schoot nu in háár hoofd. “Ik wil dit niet, ik wil hier weg”, snikte ze. Hij probeerde haar zo goed hij kon te kalmeren en wonderwel lukte dat. Ze leek zich in haar lot te schikken.

Half twaalf ’s avonds. De dienstdoende gynaecoloog bleek een aardige man. Deze witte jas zou dus hun kind, nee, kinderen ter wereld brengen. Hij nam hen mee naar een halfdonker hok met een echoapparaat. De plaatjes op het scherm van die machine waren voor hen onbegrijpelijk, maar de specialist had er geen moeite mee. “Een been, nog een been, een arm... Ik zie zoveel ledematen, het kan er nooit maar eentje zijn”, zei hij en wachtte alsof hij, na een meesterlijke grap, een onbedaarlijke lachsalvo verwachtte. Maar in hun toestand konden ze er niet om lachen. Ze kregen dus niet maar één kindje, maar meer. Zover waren ze al, maar hoevéél dan?

Half twee ‘s nachts. Ieder uur was een verpleegster gekomen om naar de hartjes te luisteren en te proberen erachter te komen hoeveel kinderen er nu precies geboren gingen worden. Deze keer kwamen er twee zusters tegelijk. Vrolijk babbelend legden ze voor de vierde keer die nacht banden om de zwangere buik waarmee naast de harttonen ook de weeënactiviteit kon worden geregistreerd. Na vijf minuten wist de oudste van de twee het zeker: “het zijn er echt maar twee”. Er ging, vreemd genoeg, een golf van opluchting door hen beiden. Ze konden zich nu instellen op niet één, maar twee kinderen en gelukkig niet drie of misschien wel nog meer.

Elf uur ‘s ochtends. Hoewel aan het begin van de nacht een soort bedstoel uit een dokterskamer was verhuisd naar de verloskamer, had geen van beiden een oog dichtgedaan. Natuurlijk was er dat grote nieuws dat ze moesten verwerken: niet één kind, maar twee! Maar er was meer. Zij had het liefst schrijlings op een punt van het bed gezeten omdat ze zo de pijn in haar rug het best dragen kon. En hij had, liever dan te slapen, zijn vrouw over de rug geaaid en de weeën mee weg gepuft in een machteloze poging haar pijn in deze moeilijke uren te verzachten. De deur schoof open en de gynaecoloog stapte binnen. “Mag ik weer even plagen?” Ze wisten wat dat betekende. Benen wijd en de specialist met zijn hand ertussen om te voelen hoe ver de bevalling was. “Mooi. Volledige ontsluiting. Het feest kan beginnen. Als je moet persen, mag je dat nu gaan doen”. Maar ze moest helemaal niet persen, al heel lang niet meer. Toch was alles in orde, de hartjes gingen op een voor baby’s normale manier tekeer. “Dan maar op de ouderwetse manier”, mompelde de gynaecoloog. Een injectie in haar dijbeen. “Een stofje om persweeën op gang te brengen”, werd hen uitgelegd. Niet veel later kondigde het eerste kindje zich luidruchtig aan. Hij was nu vader, en zij moeder, van een meisje. Het kindje werd in een klaarstaande couveuse gelegd. “Niks bijzonders”, zei de kraamverpleegster. “Gewoon om het verschil in temperatuur even op te vangen.” Een blik op de klok: zestien over twaalf. Wachten op de volgende baby. Weer dat probleem: geen persweeën. Weer een injectie. Het tweede kindje, ook een meisje, werd om één minuut voor één geboren.

Al die tijd had hij aan het hoofdeind van het bed gestaan en had hij tegen haar aangepraat, haar moed ingesproken, haar nek en rug ondersteund bij het persen. Alles buiten dat kleine kringetje leek te gebeuren alsof hij er zelf niet bij was. Nu werd hij door de kraamverpleegster bij de tijd gebracht: “Kom er eens bij, je mag je kinderen best even bekijken en vasthouden, hoor!” Dat was teveel. Achter zijn ogen brandden tranen. Hij slikte ze weg. Hij mocht niet huilen, ook niet van geluk, daar had ze nu niets aan. Maar een blik op zijn twee prachtige dochters deed de waterlanders alsnog onbedwingbaar komen. Hij draaide zijn rug naar haar toe, ze mocht hem zo niet zien. Hij zag zijn dochters. Twee bundeltjes mens, samen in een couveuse. Alles erop en eraan. Niks mis mee. Hartstikke goed! Hij vermande zich, draaide zich om om haar te feliciteren en zag het gapende gat waar zijn dochters uit waren gekomen en de ravage die de geboorte van een kind, laat staan tweeling bij een vrouwenlichaam aanricht...

“Gaat het wel goed met je, Deddie?” Hij schrikt uit zijn mijmering. Zijn jongste tweelingdochter, nu achttien jaar, kijkt hem vragend aan. “Deddie”, dat is haar koosnaampje voor hem, al sinds ze een jaar of zes was. Hij kijkt mistig om zich heen en herinnert het zich weer. Ze zijn op vakantie en hij heeft heel slecht geslapen, zoals altijd de eerste nacht van huis. De kinderen en hij zijn naar de supermarkt van het bungalowpark gegaan om de boodschappen voor de komende dagen te halen. Hij wilde niet mee naar binnen en had op het naastgelegen terras een biertje besteld. Hij heeft blijkbaar even zitten suffen. Achter hem hoort hij zijn andere dochter. Ze draagt twee boodschappentassen. Ze kijkt naar zijn ogen en zegt: “Gaat-ie pap?” Het gaat. “Kunnen we naar de bungalow gaan”, vraagt hij, “mama heeft die spullen nodig om te koken”. “We kunnen”, is het antwoord, bijna tegelijk uit twee meisjesmonden. Gedrieën gaan ze op weg naar het huisje. Hij laat hen vooruit lopen, zoals altijd. Zo kan hij ongezien met zijn zakdoek zijn ogen drogen...

© Cees Geluk, september 2009