4. okt, 2020

Hij is in maanden niet zo besluiteloos geweest. Zal hij nu wel of niet op ‘zenden’ drukken? Het pijltje van de cursor staat verwachtingsvol op de juiste plek en zijn hand ligt op de muis, de wijsvinger rust links naast het wieltje. Eén klik en het is over. Maar de gedachte aan die klik brengt juist op dit moment aarzeling. Tien jaar geleden hoefde hij geen moment na te denken. Hij had die mail gewoon verstuurd. Zijn moeder wilde immers zielsgraag dat haar twee zoons goed met elkaar overweg zouden kunnen.
Dat was al heel lang niet meer zo. De twee jongens rolden niet vechtend met elkaar over straat en kwamen elkaar bij verjaardagen bij hun ouders thuis tegen, maar er was altijd die spanning, die ‘olifant in de kamer’, voor iedereen zichtbaar, waar niemand over wilde praten. Niemand, ook zijn ouders niet, kon zich meer herinneren waar het mis gegaan was. Voor hemzelf was het ook een raadsel. Als hij erover nadacht waren er wel vage aanwijzingen, maar een aanleiding, laat staan de échte oorzaak bleef ongrijpbaar.
Hij was de oudste, zijn broer kwam toen hij 4 jaar was. En al vanaf dat moment werd hem duidelijk dat hij nu niet meer zo in de belangstelling stond als daarvoor. Toen moeder de kleine de borst gaf zoals in die tijd gebruikelijk was stuurde de kraamverpleegster hem resoluut de kamer uit: ‘Ga jij maar even ergens anders spelen!’ Waar dat dan moest als alle speelgoed in de huiskamer lag waar moeder aanstalten maakte om zijn broer te voeden vertelde ze hem niet. Maar dat hij hier niet gewenst was, werd hem glashelder gemaakt. Moeder wilde misschien wel iets zeggen, hem misschien juist wél toestaan om toch bij dat intieme moment aanwezig te zijn maar kreeg de kans niet. De kraamhulp was onverbiddelijk: ‘Weg jij, laat je moeder en je broertje met rust!’
De jongste kreeg, dat werd in de loop der jaren duidelijk, veel meer vrijheid dan hij als oudste ooit had gekend. Natuurlijk, hij had altijd aan zijn moeders rokken gehangen en ‘die kleine’, zoals zijn vader het broertje altijd noemde, was veel ondernemender, maar toch: Jeroen kreeg het voor elkaar dat hij lid mocht worden van een voetbalvereniging. Hij, Chris, mocht dat niet. Dat voortrekken, zoals hij dat beleefde, werd er vaak de oorzaak van dat er felle ruzies tussen hen ontstonden: hij wilde dan zijn positie als oudste ten opzichte van Jeroen duidelijk maken, hem in een meer aan hem ondergeschikte rol krijgen maar dat lukte nooit. Moeder haalde beide kemphanen dan uit elkaar en had steevast een standje voor hem, want als jongste wist Jeroen altijd haar sympathie op te wekken en de situatie zo voor te stellen dat Chris als oudste en grootste de agressor was geweest. ‘Jij bent de oudste, wees dan ook alsjeblieft de wijste en hou op met dat ruziemaken.’
De jaren gingen voorbij en de twee broers groeiden verder uit elkaar. Na een verhuizing kregen ze elk een eigen kamer, wat de toenadering ook in de weg zat, ze hoefden elkaar immers niet meer te ontmoeten. Chris ging naar de middelbare school, een afdeling Atheneum van de scholengemeenschap in de buurt. Jeroen ging vier jaar later ook naar de middelbare, maar naar een wat verder weg gelegen Gymnasium dat géén onderdeel was van een scholengemeenschap. En waar Chris zich verloren voelde in de massa van meer dan tweeduizend leerlingen en daardoor steeds meer in een schulp kroop, bloeide Jeroen als persoon juist verder op tussen nog geen vierhonderd studiegenoten.
Chris haalde het diploma Atheneum, vervulde zijn militaire dienstplicht en kreeg een baan. Een baan die hij niet als eindpunt zag, hij wilde eigenlijk iets anders, al wist hij nog niet wat. Maar vader had gezegd dat hij geacht werd te gaan werken, ‘want parasieten die bij de samenleving hun hand ophouden voor een WW-uitkering zijn er genoeg’. Jeroen daarentegen besloot het laatste jaar van het Gymnasium eraan te geven om met de pas gescheiden buurvrouw samen te gaan wonen. Dat deed moeder ontzettend veel verdriet en ook vader was daar niet over te spreken, maar om Chris nu als voorbeeld aan Jeroen voor te houden? Nee. Dat gebeurde niet.
Jeroen moest in zijn eigen levensonderhoud voorzien en ook in dat van zijn vriendin. Hij deed dat door overdag op de lokale groenteveiling te gaan werken en in de avonduren het diploma rijinstructeur te halen, op kosten van de rijschool waar hij vijf jaar zo moeten blijven werken. Chris bleef trouw naar zijn werk gaan. Hij moest wel, ook al vond hij er niets aan: er was nauwelijks een kans om ergens anders aan de bak te komen. Nadat Jeroen zijn contract met de rijschool had uitgediend begon hij voor zichzelf. Hij was succesvol en verdiende geld als water, zo kwam het tenminste op Chris over. Hij vond dat oneerlijk: als oudste was hij, vond hij, altijd de wijste geweest, had zich keurig aan alle regels van wellevendheid en fatsoen gehouden. Maar hij had niks bereikt. Sterker: alles wat hij had geprobeerd om succes af te dwingen was bij zijn vingers afgebroken. En Jeroen, die schuinsmarcheerder, die zijn ouders zoveel verdriet had gedaan door de school niet af te maken, leefde er maar op los, had succes en deed alsof dat zo hoorde. Alsof hij daar recht op had omdat hij nu eenmaal Jeroen was. Het was meer dan Chris kon en wilde dragen. Vanaf dat moment was de relatie tussen de broers, áls die er nog was, verworden tot de plichtmatige ontmoetingen bij de verjaardagen van hun ouders.
Eén poging ondernam Chris nog, nu tien jaar geleden. Om de wens van hun moeder voor een goede relatie tussen haar zoons in vervulling te doen gaan stuurde hij een mail aan zijn broer. Een mail waarin hij zich, vond hij, blootgaf en zich kwetsbaar opstelde. Hij wist, schreef hij, niet meer waarom de broers uit elkaar gegroeid waren, maar omwille van hun moeder stelde hij voor om het verleden het verleden te laten en samen opnieuw te beginnen. Hij gaf die mail de titel ‘Mijn uitgestoken hand’. Het antwoord kwam snel en was vernietigend. Jeroen had helemaal geen zin om opnieuw te beginnen. ‘We zijn in de loop der jaren twee verschillende mensen geworden,’ schreef hij, ‘je moet geen relatie willen bouwen waar die niet meer bestaat’. En daarmee was voor Jeroen de kous af.
Chris kijkt weer naar het scherm. De cursor wacht nog steeds op een opdracht. Inmiddels is hun moeder vijf jaar geleden overleden aan een dubbele longontsteking, waarbij een zware griep haar de genadeklap gaf. Hij, zijn vrouw, Jeroen, inmiddels gescheiden en met een nieuwe vriendin, hebben toen een dag bij haar sterfbed zitten wachten op het onvermijdelijke. Chris heeft voor de uitvaart de muziek uitgekozen en de grafrede geschreven en uitgesproken. Ook hun vader is er niet meer. Die is kortgeleden onderdeel geworden van de Corona-statistieken. Opnieuw heeft Chris voor de muziek en de grafrede gezorgd. Omdat hij vond dat hij daartoe verplicht was. Jeroen heeft hem nooit iets over gezegd, nooit het talent en vakmanschap dat daarvoor nodig was erkend, vond het blijkbaar wel goed zo. En nu Jeroen de afwikkeling van het laatste overlijden heeft afgerond en Chris zijn deel van de nalatenschap heeft ontvangen is er geen enkele reden meer voor de broers om nog ooit bij elkaar te komen. Je moet immers geen relatie proberen te bouwen waar die al jaren niet meer bestaat?
Dat heeft Chris doen besluiten deze laatste mail op te stellen. Eén die eindigt met de woorden: ‘Het ga je goed. Tot nooit meer ziens. Vaarwel.’ Maar nu het zover is, weet hij niet meer of dit nu écht is wat hij wil, écht is wat hij moet doen. De praktijk is immers toch al dat hij zijn broer nooit meer zal zien. Moet hij, Chris, dat dan met zoveel woorden nog eens in een mail bevestigen? Wat maakt hij daarmee dan los? Hij is vastbesloten Jeroen niet meer te ontmoeten, zal ook niet meer reageren in het onwaarschijnlijke geval dat Jeroen contact zoekt. Jeroen zal er naar Chris’ vaste overtuiging precies hetzelfde over denken. Dus wat voor zin heeft die mail?
Onwillekeurig kijkt Chris opzij. Links van hem hangt een foto van zijn moeder, dezelfde foto die op haar kist heeft gestaan. Erboven de trouwfoto van zijn ouders. Een foto van zijn vader hangt er nog niet, die moet hij nog regelen. Zijn besluiteloosheid wordt door die aanblik opgelost. Hij heeft geen idee wat er op het moment van de dood met een mens gebeurt, maar hij wil uit alle macht, al is het tegen beter weten in, geloven dat dat moment niet het laatste is. Dat er daarna nog iets is, wat dan ook. En hij weet dat áls dat zo is, hij zijn moeder voor eeuwig ontzettend veel verdriet doet als hij op deze manier definitief met zijn broer breekt.
De cursor gaat op reis. Omhoog, naar rechtsboven, komt tot stilstand boven het schuine kruisje. Chris volgt het pijltje, zucht diep, kijkt nog een keer naar links en drukt dan zijn wijsvinger naar beneden. Even later nog een keer om te bevestigen dat hij zeker weet dat hij de mail wil verwijderen.
Misschien, mama, komt het toch nog een keer goed met Jeroen, denkt hij.

© Cees Geluk, Okt. 2020

1. dec, 2019

De reis had nog wel wat voeten in de aarde gehad, maar ze wilden er per se bij zijn. Ze had-den hun klasgenoten van de VWO-examenklas al in geen jaren gezien en wilden die kans niet missen. Volgens de uitnodiging was de reünie bij één van de klasgenoten thuis en dat huis stond in een dorpje ergens voorbij Boskoop, in het Groene Hart. En het aan het eind van de middag, zo laat in het jaar was het niet bepaald licht. De jongste had dan ook al haar rij-vaardigheid moeten inzetten om niet links of rechts van de weg te raken en in een greppel te belanden. Of erger. Maar het was gelukt: de navigatie had de auto naar het opgegeven adres geleid en ze had gerustgesteld een plekje voor de auto op de parkeerplaats gevonden.
Een beetje vreemd was het wel: Barend, die de reünie had georganiseerd, bleek niet een woonhuis als ontmoetingsplaats opgegeven te hebben, maar een hotel-restaurant. Des te be-ter, dacht ze, dan kon ze hier misschien overnachten en morgenochtend bij daglicht terugrij-den. Ze ging er daarbij van uit dat haar passagier het daarmee eens zou zijn, maar ze had geen reden om daaraan te twijfelen: ze woonden immers al jaren samen.
De warmte kwam hen in de deuropening tegemoet, een weldadig contrast met de midwinter-temperatuur van het open polderlandschap. Ze moesten zich in het halfdonker van de recep-tieruimte even oriënteren en zoeken waar de reünie precies was, maar dat mysterie werd snel opgelost. Een streep licht die hen eerst had verblind bleek vanachter een dubbel gordijn te komen dat dienstdeed als ‘toegangsdeur’ tot de feestzaal. Vanuit die richting klonken im-mers vrolijke stemmen en bekende muziek. Vooral de muziek, de hits van toen, brachten hen terug naar het examenfeest in 2009. De jongste spreidde de twee gordijnhelften, liet haar metgezel voorgaan en ze betraden de ruimte. Na even aan het getwinkel van een disco-bol gewend te hebben konden ze niet anders dan concluderen dat Barend de perfecte illusie had neergezet: de zaal was een bijna niet van echt te onderscheiden replica van de plek waar ze het behalen van hun Lyceum-diploma hadden gevierd: de aula van het ‘Segwaertcollege voor Mavo, Havo en VWO’ aan de Rozenstoklaan in hun geboortestad.

Ze hadden afgesproken dat ze op dit feest ieder hun eigen weg zouden gaan, zoals ze dat ook destijds op school gewend waren geweest. De oudste had tussen de mensen het buffet ontdekt en ging meteen die kant op, de jongste bleef nog even bij de ‘gordijn-deur’. Ze stond er wat verweesd bij, zocht in de menigte vergeefs naar bekende gezichten. Ze was zo op het zoeken naar klasgenoten gefixeerd dat er een rilling van schrik door haar heen ging toen achter haar een mannenstem haar naam in haar oor schreeuwde.
‘Verdorie, Cathryn, ben jij het?!’
Ze draaide zich om en keek Barend recht in het gezicht. Hij greep haar bij de schouders en begroette haar met een kus op elke wang. Barend was altijd al de organisator en ‘ritselaar’ van de klas geweest, het was dus niet vreemd dat juist híj dit feest bedacht en in elkaar gezet had. Ze herkende hem meteen aan de ‘tunnel’ in beide oren en de felgroene kleur van zijn asymmetrisch gekapte lange haar. Hij had altijd al een aparte smaak gehad als het om zijn uiterlijk ging, herinnerde ze zich. Ook op de vrolijke grijze ogen en de sensuele mond met de uitnodigende lippen had de tijd geen vat gekregen: Barend zag er nog steeds goed uit. En toen hij weer sprak hoorde ze ook dat hij het licht-Groningse accent nog had dat zo opgeval-len was toen hij vanuit de Martini-stad verhuisd was en op het ‘Segwaert’ was gekomen.
‘Ben je alleen, is Sharon er niet?’.
‘Natuurlijk ben ik niet alleen,’ gaf Cathryn terug, ‘Ik ga toch niet zonder mijn tweelingzus naar de reünie waar we samen voor zijn uitgenodigd? Sharon is bij het buffet, denk ik. Ik heb eigenlijk ook wel trek. Ga je mee?’
Ze beende zonder op antwoord te wachten richting het catering-gedeelte van de zaal. Nu ze had uitgesproken dat ze trek had, duldde haar maag geen enkel uitstel meer. Barend volgde haar op de voet.

De lange tafel kreunde bijna hoorbaar onder de onwaarschijnlijke lading hapjes en drankjes die hij moest torsen. Gelukkig was er ook frisdrank. Cathryn had het niet op alcohol, Sharon evenmin. Ze vonden het niet lekker en bovendien volkomen onnodig om het gezellig te ma-ken. Water en frisdrank waren eigenlijk de enige vloeistoffen die hen over de lippen kwa-men. Cathryn nam een bord en begon langs de diverse delen van de buffet-tafel te gaan, hier en daar een hapje op haar bord stapelend. Ondertussen begon ze Barend uit te vragen.
‘Volgens de uitnodiging zou de reünie bij jou thuis zijn. Maar dit is toch niet “thuis”, dit is een hotel. Had je er toch geen zin in, zo’n groot feest in je huis?’
‘Nee, Cathryn, je vergist je. Dit is wel degelijk “thuis”. Ik woon hier. Ik heb dit hotel-restaurant in 2010 van mijn vader geërfd en tot een jaar of twee geleden samen met mijn partner gerund. Zij verdween uit beeld en nu doe ik het alleen.’
‘Zo, is het gezellig, jongens?’
Sharon had haar jongere zus en de ceremoniemeester van over de buffettafel gadegeslagen en vond het tijd het gezelliger wordende samenzijn even te onderbreken.
‘Sharon, welkom op het feest!’ Barend reikte naar haar hand en drukte er een kus op.
‘Zeg,’ begon Barend, ‘Ik heb een idee. Ik heb jullie niet meer gezien sinds we in 2009 slaag-den. Dat is langer dan wie dan ook hier in de zaal en ik wil jullie opnieuw een beetje leren kennen. Zullen we naar één van de kamers gaan en daar bijpraten?’
Sharon vond het een goed idee, zei ze.
‘Dan hebben we geen last van het rumoer en de muziek hier.’
‘Mooi,’ zei Barend, ‘Dan pak ik even een sleutel bij de receptie en neem jullie mee. Volg mij maar,’ en hij voegde de daad bij het woord.

Barend liep vooruit door een doolhof van gangen. De zussen volgden hem op een afstandje. Onderweg bauwde Cathryn haar zus sarcastisch na: ‘“Goh, Barend, wat een goed idee.” Hoe-zo, een goed idee? Ben je soms iets met Barend van plan of zo? Ik heb je nog nooit zo kalfs-verliefd zien doen. Is er misschien iets dat ik moet weten?’
‘Nee, hoe kom je erbij? Ik vond het gewoon inderdaad een goed idee. Even wat jaren bijpra-ten in de rust van een hotelkamer, weg van de herrie van al die mensen en die keiharde mu-ziek. Da’s toch niet vreemd?’
‘Precies dat: een hotelkamer,’ bitste de jongste, ‘Wie weet wat hij daar straks allemaal met ons van plan is.’
‘Nou zeg, het lijkt verdorie wel of je bang bent! We kunnen hem samen echt wel van ons afslaan als dat nodig is. Laten we nou maar gewoon met Barend meegaan en dan zien wat er gebeurt.’
Cathryn had nog van alles in haar hoofd om Sharon toe te voegen maar Barend hield stil voor een deur. Hij duwde een key-card in de sleuf en haalde hem er weer uit. Het lampje werd groen en ze konden de schoot van het slot weg horen schuiven. Met een weids gebaar opende hun gastheer de deur en stapte opzij: ‘Welkom!’

De kamer bleek een luxe suite, misschien wel de beste in het hotel. De deur gaf toegang tot een slaapruimte met een king-size bed in het midden. Door een openstaande deur links van het bed konden ze de luxueuze badkamer zien en aan de andere kant ontwaarden ze door de halfopen tussendeur een kantoor met volledig uitgerust bureau en een zithoek. Barend liep naar het kantoor alsof hij thuis was. Waarschijnlijk, realiseerde Cathryn zich, was dat ook zo. Hij had immers gezegd dat hij hier ook woonde? Barend opende de minibar, schonk zichzelf wat in en nam plaats op één van twee stoelen.
‘Maak het jezelf gemakkelijk, dames. Neem wat te drinken, doe die verschrikkelijke dikke jassen uit en kom zitten.’
Nu Barend hun jassen noemde schrokken de zussen. Hadden ze echt al die tijd met hun win-terjassen aan rondgelopen, ook in de feestzaal, ook aan de buffettafel? Nou, dan was het mis-schien maar beter dat hij hen beneden had weggehaald! Wat zouden de andere gasten gela-chen hebben! Sharon was de eerste die haar schroom overwon. Ze deed haar jas uit, liep naar de slaapkamer en legde hem op het bed. Eenmaal terug keek ze in de minibar, zag twee fles-jes Sprite, nam ze allebei, gaf haar zus er één en ging op de bank zitten, tegenover Barend. Cathryn volgde haar voorbeeld, legde haar jas over de rugleuning van de bank, nam het fles-je van haar zus aan en zakte naast haar neer.
Barend keek hen geamuseerd aan. Hij legde zijn linkerbeen over het rechter en vroeg: ‘Goh, hoe lang is het nou geleden dat we elkaar voor het laatst gezien hebben? Ik denk toch zeker een jaar of tien, als het niet langer is. Hoe gaat het met jullie?’
De dames waren nog te verbouwereerd van de snelheid waarmee Barend hen naar deze ka-mer had meegetroond en kregen geen van beide een woord over hun lippen. Hij zag het en nam het gesprek weer over.
‘Nou, weet je, dan begin ik maar. Na ons examenfeest wilde ik in Leiden studeren. Ik wilde iets in de techniek gaan doen, ingenieur worden of zo, maar ik hoorde al snel dat mijn vader ernstig ziek was. Ik heb de studie op een laag pitje gezet en hem zo goed en zo kwaad als ik kon verpleegd, maar het was vanaf het begin een verloren strijd. Nog geen half jaar nadat ik hier in het hotel bij hem was ingetrokken overleed hij en ik erfde de zaak. Het personeel was geweldig. Ze vingen me op en hebben me van de grond af het hotelvak bijgebracht. Een deel van dat personeel werkt hier nog steeds en ik heb ze stuk voor stuk gedeeltelijk mede-eigenaar van het hotel gemaakt. Als dank voor wat ze voor me betekend hebben. Een jaar of drie daarna ontmoette ik mijn partner en van lieverlee runden we samen de onderneming. Ik deed de gasten, de promotie en de verzorging, zij ontfermde zich over de administratie en de geldzaken. Alles ging goed totdat ze achter mijn regeling met het personeel kwam. Ze was niet blij, wilde weten waarom de hulpjes wel mede-eigenaar van het hotel waren en zij als CFO en mijn echtgenote niet. We kregen er een langlopende ruzie over en een jaar of twee geleden zijn we gescheiden. Ik wilde haar de helft van mijn eigendomsrecht geven maar daar moest ze niets meer van hebben. Dat vond ze te weinig en te laat. Ze is daarna met de noor-derzon vertrokken, ik heb haar nooit meer gezien. Gelukkig hadden we geen kinderen, an-ders was het misschien op een vechtscheiding uitgelopen. Hoe dan ook, dat is waar ik nu sta. Ik run dit hotel alleen, dat wil zeggen: samen met de mensen die al die tijd al bij me zijn. De zaken gaan goed, al zou ik het best beter willen. We zitten namelijk niet op een toplocatie maar dat laat ik maar voor wat het is. Ik kan er goed van leven en mijn mede-eigenaren ook. Zou ik weer een partner willen? Geen idee. Het heeft niet zoveel zin daarover na te denken want dat zit er voorlopig toch niet in, vrees ik. Ik heb het gewoon te druk met de zaak. Zo. Nu zijn jullie aan de beurt. Wat zijn jullie na het ‘Segwaert’ gaan doen?’

De zussen keken elkaar aan, alsof ze stilzwijgend afspraken maakten wie wat zou gaan zeg-gen. Sharon begon.
‘Wij hebben na het VWO allebei de PaBo gedaan en zijn met goed resultaat afgestudeerd. We staan al een jaar of wat zelfstandig voor de klas. Cathryn staat in een groep 1/2, ik geef les aan een groep 4.’
Sharon wilde nog meer vertellen maar kreeg daar de kans niet voor: nog voor ze het laatste woord had gezegd lag Barend met de slappe lach over de armleuning van zijn stoel.
‘Be.... Bedoel je... dat je... JUF bent?! Hahaha, dat méén je toch niet?! Nee, die is goed zeg, ze hebben een Lyceum-diploma gehaald, en naar ik me herinner met geweldige cijfers, ze konden naar de universiteit maar in plaats daarvan hebben ze het makkelijkste baantje geko-zen dat er bestaat: juf. Nee, wacht: één van de twee is KLEUTERjuf! Wat een giller! Ik kan niet wachten om dat beneden te vertellen. Hahahahaha! KLEUTERjuf...’
Barend stond op, veegde de tranen uit zijn ogen en wankelde naar de deur. Cathryn versperde hem de weg. Met alle woede die ze kon verzamelen gaf ze Barend een duw, zodat hij zijn evenwicht verloor en achteruit wankelde, terug zijn stoel in.
‘En wat is er mis met kleuterjuf zijn?!’ schreeuwde ze in zijn gezicht.
Barend moest even bekomen van die uitbarsting maar deed dat in rap tempo.
‘Nou, daar kun je toch geen voldoening uit halen? Zeg nou zelf, een kleuterjuf doet niet veel meer dan fijn met de kindjes knippen en plakken, als het nodig is hun luiers verschonen en heerlijk in het zonnetje kijken hoe ze buiten aan het spelen zijn. Echt leren doen die kleintjes nog niet. Dat begint pas in groep 3 en zelfs dan nog maar heel geleidelijk. En jij, Sharon staat in groep 4, zeg je. Wat zit daar nou voor uitdaging in?’
‘Nou, Barend, meer dan in een beetje hotelgasten voeren,’ zei Sharon.
Nu voelde Barend zich in zijn beroepseer gekwetst.
‘Ik zal je vertellen dat ik maaltijden van de hoogste kwaliteit serveer. Dit hotel heeft bijna een Michelin-ster gekregen. Mijn uitdaging is het de gasten iedere dag naar de zin te maken. Jij praat een beetje met ouders en kinderen over ‘plus’ en ‘min’, over ‘keer’ en misschien over ‘gedeeld door’, maar dat is het dan wel zo’n beetje. Oh ja, je helpt kinderen ook de meest eenvoudige woordjes te lezen en hun eerste hanenpootjes kalken. Niet echt uitdagend, lijkt me. Toch? En dan ook nog op het Malieveld gaan zeuren over meer geld en dat de werkdruk zo hoog is. Mens, bedenk toch dat er mensen met een échte baan zijn voor wie elke werkdag écht een uitdaging is, van maandag tot en met vrijdag, acht of negen uur lang en soms nog langer.’

Sharon dacht terug aan het afgelopen schooljaar. Ze herinnerde zich zoveel van wat ze alle-maal had meegemaakt en wat ze eigenlijk al een plaatsje had gegeven. Ze móest Barend van repliek dienen, maar dan moest ze haar stem in het gareel krijgen. Ze slikte een brok weg en keek Barend met omfloerste ogen aan.
‘Dus juf zijn van een groep 4 is niet uitdagend? Ik heb in mijn groep dit jaar een kind gehad, een meisje. Een schattig lief kind dat het middelpunt van de groep was. Ze had veel vriendjes en vriendinnetjes. Maar ze werd ziek, kreeg een hersentumor. Ik heb samen met haar moeder een videolink geregeld, zodat ze tóch in de klas aanwezig kon zijn, tóch met haar klasge-nootjes mee kon doen. Omdat ze dat zo dolgraag wilde. Ik heb bij haar aan een ziekenhuis-bed gezeten. Ik kreeg toen ik op vakantie was te horen dat ze was overleden. Ik heb na die vakantie voor een uitgelaten groep kinderen gestaan, stuk voor stuk vol van de avonturen die ze hadden meegemaakt en die ze met me wilden delen. Maar ik moest ze uitleggen dat hun vriendinnetje niet meer terug zou komen. Ik heb ze moeten uitleggen wat ‘dood’ is. Ik heb haar uitvaart moeten meemaken en daar ook nog wat over haar moeten zeggen. Eén van de ouders van mijn groep heeft van lappen stof een enorme, bijna levensgrote knuffel gemaakt die we Boogy hebben genoemd. Daar prikken de kinderen briefjes op met dingen die ze aan hun dode klasgenootje hebben geschreven. Dat helpt ze het overlijden te verwerken. Boogy zit nu nog steeds in mijn lokaal en gaat met de groep mee totdat ze in groep 8 van school gaan. Daarna gaat Boogy naar de moeder van Bernadette. En weet je wat het ergste is, Ba-rend? Dat meisje en die groep, het zijn kinderen van ZEVEN! Stel je dat voor: een kind van zeven moeten vertellen dat er iemand dood is. Ik heb dat allemaal moeten meemaken en doen. Dus kom me als–je–blieft niet aan met de smoes dat mijn baan in groep 4 niet uitda-gend is!’

Cathryn viel haar zus bij. Ze kende het verhaal van het dode kind en wist hoe Sharon ermee geworsteld had. Als vanzelf vormden ze nu één front. Omdat tweelingen dat nu eenmaal zo doen.
‘Ik ben die kleuterjuf waar jij zo vreselijk om moet lachen. Jij vindt dat mijn baan gemakke-lijk is omdat ik kinderen toch niets hoef te leren. Ik weet ook dat jullie buiten het onderwijs het idee hebben dat kleuterjuffen nooit een andere groep zullen kunnen lesgeven. Maar ik heb een HBO-opleiding voltooid. Ik kan lesgeven van groep 1/2 tot groep 8, ik mag zelfs de eerste klassen van het VMBO lesgeven. Maar dat doe ik niet. Omdat ik ervoor kies om aan kleuters les te geven.’
Barend maakte zich op om iets te zeggen.
‘Nee, hou je mond!’ ging Cathryn verder, ‘Ik kies daarvoor omdat ik dat het mooiste vind dat ik kan bedenken: kinderen van een jaar of vier, vijf leren hoe de maatschappij werkt, hoe je met elkaar moet omgaan. Dat is óók leren, al ziet de maatschappij dat niet zo. En geloof me, als het over ‘uitdagend’ gaat kan ik je ook nog wel het één en ander vertellen. Ga maar eens tegen ouders vertellen dat hun kind niet naar groep 3 gaat, dat het beter is om nog een jaartje door te “kleuteren”. En dat die ouders dan vinden dat hun kind, de nieuwe Newton, Darwin of Einstein, geen jaar mag “blijven zitten”. Ga dat gesprek maar eens aan. Dat is iets anders dan tegen een leverancier zeggen dat z’n Rochefort niet blauw genoeg is. Of de gasten ver-tellen dat een gerecht op de kaart niet verkrijgbaar is omdat de slager niet geleverd heeft. En over dat lekker buiten spelen: jij doet je werk met en voor volwassenen, ik doe het mijne met en voor kinderen. Kinderen van vier en vijf die op hun leeftijd zo overactief en onbereken-baar zijn als wat. En dan niet één, niet twee, maar dertig of veertig, soms vijftig ongeleide projectieltjes die op het schoolplein alle kanten op vliegen. Ik moet als juf ervoor zorgen dat er niemand een tand door z’n lip valt. Of erger, dat er niemand iets breekt. Maar ook dat er geen kinderen van het plein af lopen en zoek raken. Want ik ben daar verantwoordelijk voor. Ik ben hun moeder als hun moeder er niet is. Ik troost ze, ik knuffel ze, ik hou van ze. En ik doe dat ontzettend graag want ik krijg er het mooiste voor terug dat er bestaat: onvoorwaar-delijke liefde en respect. Er zitten nu kinderen in groep vijf, zes en zeven die ik in groep 1/2 heb gehad. En nóg komen ze naar me toe en geven me een knuffel of een hand. Omdat ze in mij de juf herkennen bij wie ze zich hun eerste spannende schooljaren veilig hebben ge-voeld. Dat zie ik jouw hotelgasten nog niet doen. Die komen één nachtje slapen en gaan daarna weer weg om nooit meer terug te komen. Ik durf wel te zeggen dat ze zich jou over drie jaar niet meer zullen herinneren. Mijn kinderen doen dat wel.’

Barend had niet op deze reactie gerekend. Hij was de eerste schrik te boven gekomen, maar nog niet bereid zich zomaar gewonnen te geven. Zijn vak was, vond hij, vele malen zwaarder dan dat van deze schooljuffen.
‘Hou nou toch alsjeblieft op, zeg! Ach gossie, “dertig, veertig, soms vijftig kinderen”. Daar heb je verdomme toch zélf voor gekozen? Dat zeg je ook zelf. Ga dan niet op het Malieveld lopen klagen dat de werkdruk zo hoog is. En dan dat zielige verhaal over een kind dat dood-gaat. Stel dát ik zoiets buitenissigs zou geloven, dan is het maar goed dat zulk soort dingen gebeuren: dan krijgen die kinderen tenminste meteen de belangrijkste les van het leven, na-melijk dat het leven eindig is. Hoe eerder ze dat leren, hoe beter. Daar hoef je geen traan om te laten, dat hoort er gewoon bij.
Al die jank-verhalen rechtvaardigen geen demonstraties op het Malieveld. Meer geld, meer onderwijzers, en dat nog op hoge toon eisen ook? Laat me niet lachen! Ga gewoon eerst eens écht werken voor je geld! Jullie verdienen immers meer dan bijvoorbeeld verplegers. Weet je, jullie krijgen naast al dat geld één ding dat ik niet heb en nooit zal hebben, en velen met mij: ongelooflijk veel vakantie. In het hotelvak zíjn we de vakantie maar hébben we nooit vakantie. Zeker niet zoveel als juffen en meesters. En dat....’
‘Ja, hoor, daar gáán we weer!’ onderbrak Sharon hem, rollend met haar ogen. ‘Wéér zo ie-mand die jaloers is op “al die vakanties” en “al die vrije tijd” die we in het onderwijs zouden hebben. Nou, laat me je even uit de droom helpen, meneer Ruftus,’ herinnerde ze zich op-eens Barends unieke en lachwekkende achternaam, ‘Wíj kunnen geen snipperdagen, geen “baaldagen” opnemen. Onze vakantieperiodes zijn door de minister vastgesteld. En dus heb-ben wij niet de luxe om buiten het hoogseizoen, lekker goedkoop, op vakantie te gaan. Wij hebben altijd te maken met “schoolgaande kinderen”. Daar komt bij dat we een groot deel van onze “vakanties” moeten besteden aan het bijhouden van literatuur over ons vak, aan het voorbereiden van de lessen voor het volgende schooljaar. En veel van onze zogezegde “vrije tijd” gaat zitten in het schrijven van de rapporten. En dat niet alleen. Oudergesprekken over die rapporten houden we in de avonduren. Als ouders niet meer op hún werk zijn, zijn wij dat juist wél. Soms tot negen of tien uur. Zonder een cent overwerkvergoeding, trouwens. Want het hoort bij ons vak. Dus ga jij nou maar lekker blij zijn met je geweldige hotelvak, wij zijn er trots op juf te zijn. TROTS, hoor je?!’
Cathryn nam het stokje naadloos van haar tweelingzus over.
‘Het enige dat we voor ons vak willen hebben is een salaris waar we van kunnen leven, vol-doende collega’s om de werkdruk een beetje binnen de perken te houden en waardering. Waardering voor de belangrijke rol die we in de maatschappij spelen. Het is onze taak de kinderen die aan ons toevertrouwd zijn de basisvaardigheden bij te brengen die ze nodig hebben in de samenleving. Niet alleen rekenen, lezen en schrijven, maar ook hoe je met el-kaar om gaat. Hoe je een samenleving máákt. Hoe je tolerant naar anderen bent. Dat je met elkaar moet delen. Dát is het mooie aan ons vak. Ik doe dat met mijn kleuters in groep 1/2, Sharon doet dat in groep 4. Dat doen we niet omdat we zo nodig moeten, maar omdat we dat heel graag willen. En ga jij je met je hotelgasten nou maar fijn belangrijk en uitgedaagd zit-ten voelen, Ruftus! Want als het allemaal zo makkelijk is, dat “juf spelen” zoals jij het noemt, kom dan gewoon gezellig eens een weekje met ons meelopen. Eens zien hoe simpel je dát vindt. Nou, wat heb je daarop te zeggen, hotelkwast?!’
De perfect ‘in tandem’ uitgeschreeuwde woede van de tweeling werd Barend teveel. Zijn ogen schoten vuur. Hij was zo ontdaan dat hij zelfs vergat zijn Groningse afkomst te verber-gen.
‘Noe bin ik ‘t zat! Ik heb jeluu uut’enodigd om een feest te vairen, nait om als het eerste het beste straetschoffie de les gelez’n te krieg’n deur een stelletje.....JUFFEN! Gae lekker snot-neuz’n poets’n, bill’n afveg’n en wat ‘ie alles nog meer dut, maar sodemieter noe mien hotel uut. Hie’ bint jullie jass’n,’ en hij smeet ze de kledingstukken in het gezicht, ‘en flikker noe op!’

Een kwartier later zaten de zussen weer in de auto onderweg naar huis. Deze keer reed Sha-ron. Dat deden ze altijd: ze wisselden taken met elkaar af.
‘Toch jammer,’ zei Cathryn.
‘Wat?’ vroeg Sharon.
‘Nou, nu moeten we in het donker dat hele stuk terugrijden en we hebben onze klasgenoten niet terug gezien. Daar waren we immers voor gekomen? Maar weet je, misschien organiseer ik zelf nog wel eens een reünie. Maar dan in een betere accommodatie, en zonder “vriend” Ruftus.’
Opeens viel de oudste een licht op dat niet van de navigatie kwam.
‘Wat ben je aan het doen?’ wilde ze van Cathryn weten.
‘Oh niks,’ was het antwoord, ‘Ik heb op m’n telefoon de website van Barends hotel gevonden en daar laat ik nu een recensie achter. Ik vertel dat het hotel het niveau van de kleuterschool nooit is ontstegen en dat de eigenaar, Barend Ruftus, eindelijk eens volwassen moet worden. Ik heb daar speciaal een account voor aangemaakt, zodat in ieder geval Barend weet wie de recensie heeft gepost: voor die website heet ik “JUF!!”...’
Glimlachend voegde Sharon in op de snelweg.

 

© Cees Geluk, Dec. 2019

26. sep, 2018

December. Tijd van de “donkere dagen voor Kerst”. Het maakt niet wie je bent of wat je doet, er is niemand die niet door die speciale sfeer wordt geraakt.

Vrijdag 24 december. Rotterdam Centraal, spoor 8/9. GertJan zit op een bank en staart voor zich uit. Zijn werkweek zit erop, hij kan naar huis. Niet alleen dat, hij heeft tot en met 2 januari vrij. Maar GertJan wil helemaal niet naar huis. Er is daar niets dat op hem wacht, hij is alleen. Zijn vrouw is bij hem weg. De kinderen zijn de deur uit. Die hebben de kant van hun moeder gekozen, hij zal ze dus deze Kerst niet zien. Zijn ouders zijn allang dood en vrienden heeft hij niet. Nee, deze tijd van het jaar met zijn valse gezelligheid en hypocriete vrolijkheid kan hem gestolen worden. Hij wil niet naar huis. Hij wil dat er definitief een einde aan komt.

In de aanloop naar deze periode heeft hij nagedacht over hoe het met hem zover kon komen. Het vertrek van zijn vrouw is zijn schuld, weet hij. Waarom kon hij niet gewoon met haar praten over wat hem dwarszit? Waarom kan hij daar pas nadat ze weg is over nadenken? GertJan laat alles nog eens de revue passeren.

Hij werkt al meer dan dertig jaar voor hetzelfde dienstverlenende bedrijf. In die tijd heeft hij alles zien veranderen, de maatschappij, de werkwijzen, maar ook de klanten. Klanten zijn mondiger, veeleisender geworden. Natuurlijk is de klant koning maar gedraagt zich, vindt GertJan, steeds meer als een keizer. De klant eist het onmogelijke en als dat niet tijdig gebeurt, is de klant boos, en de medewerker de klos. Als tijdens het werk de telefoon gaat, gieren GertJan dan ook de zenuwen door de keel: welke klant zal hem nu weer aanspreken, waarom, en zal hij de huizenhoge verwachtingen wel kunnen waarmaken? En als dat niet lukt, wat zijn dan de gevolgen? Staat zijn baan op de tocht? Daar komt bij dat het management met het opleggen van doelstellingen de werkdruk ook nog eens enorm opschroeft. Doelstellingen die op niets anders gebaseerd lijken dan de mededeling dat ‘de klant het zo wil’.

Hij heeft al verscheidene malen en in verschillende vormen geprobeerd duidelijk te maken dat, en waarom, hij hier ongelukkig mee is, maar steeds zonder resultaat. De enige reactie is dat het ‘nu eenmaal overal zo is’. GertJan, toch al geen toonbeeld van innerlijke rust, is daardoor steeds nerveuzer geworden. De veeleisende klanten en het feit dat het management geen oor voor zijn argumenten heeft of wil hebben maken dat hij zich bij alles wat hij doet onder een druk voelt staan die hij steeds minder goed aankan en die nu in een zware depressie is uitgemond.

Het feit dat GertJan psychologisch onherstelbaar beschadigd is, doet daar ook geen goed aan.

Vanaf zijn vroegste jeugd heeft GertJan geprobeerd ‘erbij te horen’. Altijd is hij een buitenbeentje gebleven. Klasgenootjes op de kleuterschool en de lagere school lachten hem uit en plaagden hem om het feit dat hij al vroeg een bril droeg en er dus anders uitzag of omdat hij niet goed in sport was. Dat hij er niet bij hoorde voelde hij nog het meest als er op het schoolplein gevoetbald werd en er ‘partijtjes’ gekozen werden. Twee klasgenootjes, de beste sporters uit de klas, kozen dan uit een rij ieder steeds één teamlid. GertJan bleef altijd als laatste over, en de beide aanvoerders maakten ruzie over wie hem ‘moest nemen’. GertJan leerde zo dat hij voor anderen van geen enkele waarde was, integendeel. Om erger te voorkomen koos hij zelf voor het isolement.

Op het VWO was het niet anders. Klasgenoten ontdekten het zelfgekozen isolement en dat maakte hem al snel tot onderwerp van een nieuw soort pestgedrag. Niet meer lichamelijk, zoals de vechtpartijtjes op de lagere school, nee, deze plaaggeesten hadden er plezier in hem vooral psychologisch te treiteren en te kleineren. Het laatste beetje eigenwaarde en zelfvertrouwen dat GertJan nog bezat werd op die manier vakkundig en volledig vernietigd, samen met het vermogen om ooit nog vertrouwen in mensen te hebben.

In de loop van zijn leven bouwde GertJan dus een denkwereld op waarin hij zich misschien niet gelukkig, maar in ieder geval wel veilig voelde: mensen waren niet te vertrouwen. Ze waren er alleen maar op uit je gevoelens te krenken of ten koste van jou lol te maken. Je kon mensen maar beter uit de buurt blijven. Vrienden had hij door zijn zelfgekozen isolement nooit gehad. De enkele keer dat hem werd gevraagd of hij vriendschap dan niet miste kroop hij direct in zijn veilige schulp: “wat je nooit hebt gehad kun je niet missen”.

Zijn vrouw was heel anders, die trad de wereld bijna roekeloos tegemoet. Ze verweet hem zijn depressiviteit, vond hem te zwaar op de hand. Dan wilde hij wel uitleggen hoe zijn denkwereld in elkaar zat en waarom dat zo was, maar dat lukte nooit. Dat hij ooit aan haar was blijven hangen had hem überhaupt verbaasd. Maar hij was zelfs met haar getrouwd, had twee schitterende kinderen gekregen en was daar heel blij en redelijk gelukkig mee geweest. Hij had alles geprobeerd om dat zo te houden. Tevergeefs.

En nu zit hij hier. Zijn vrouw is weg, de kinderen zal hij wel nooit meer zien. Allemaal omdat hij niet kan uitleggen waarom hij is wie hij is, doet wat hij doet en voelt wat hij voelt. Om dat uit te leggen moet hij mensen vertrouwen en dat kan hij niet meer, nooit meer. Zelfs zijn dierbaren vertrouwt hij niet volledig. Dat breekt hem nu in laatste instantie op. Hij heeft niets meer om naar te verlangen. Hij heeft geen zin in Kerstmis, hij wil eruit. Voorgoed.

GertJan staat op. Zijn besluit staat vast. Hij weet een hoog gebouw in de buurt en hij zal er daar een eind aan maken.

Als hij door de reizigerstunnel naar het Stationsplein loopt, hoort hij een stem. “GertJan, ben jij het?” Hij draait zich om kijkt in het gezicht van Irma Joustra, een klasgenote van het VWO. Hij herkent haar meteen. Ze is ouder geworden natuurlijk, maar nog steeds even mooi. Lang blond haar rond een regelmatig gezicht. Een goed gevormd lichaam, ondersteund door oneindig lange benen. Korte rok, hoge hakken. Op school was hij stiekem verliefd op haar, maar Irma hoorde bij de populaire meiden en was daarmee, zeker voor iemand als hij, onbereikbaar. Zijn ingebakken wantrouwen tegen de medemens gaat nu met hem op de loop. Waarom spreekt ze hem aan? Ze kan toch wel beter vinden? Daar moet iets achter zitten. Hij is op zijn hoede.

Irma nodigt hem uit voor een drankje en hij neemt dat aan. Waarom weet hij niet. Ze vertelt dat ze hem al vanaf de middelbare school zoekt. Ze heeft hem altijd stiekem bewonderd: steeds die pesterijen en toch geen enkele les gemist. “Ben je getrouwd?”, waagt GertJan te vragen. Nee, is het antwoord, dat is er nooit van gekomen. Wat doet ze hier, wil hij weten. Ze heeft een moeilijke periode achter de rug, zit financieel aan de grond. Haar huis is net verkocht en ze heeft nu geen onderdak. Ze wil een vriendin hier in Rotterdam vragen of ze mag logeren. In een opwelling vraagt hij of ze misschien de Kerst bij hem...? “Ja”, zegt ze.

Samen lopen ze terug naar het station. Onderweg valt het GertJan op hoe mooi alle winkels op de Lijnbaan verlicht en versierd zijn. Natuurlijk: Kerstmis. Hij ziet nu ook de heldere zwarte hemel en hoe mooi de sterren zijn: net als de lichtjes in de etalages. Het is koud. Irma rilt. Ze slaat haar arm om hem heen en trekt hem dicht tegen zich aan.

Op het perron staat hij zichzelf, ondanks alles, toe hoop te hebben. Misschien wordt deze Kerst toch anders dan hij zich had voorgesteld. Misschien dat Irma, juist omdat ze een deel van zijn verleden is, zijn vernietigde vertrouwen in mensen enigszins kan herstellen. Misschien dat...

De trein komt gierend en sissend binnen. De deuren gaan open. GertJan voelt Irma’s hand in de zijne. Hun ogen ontmoeten elkaar en ze stappen in. De conducteur fluit. Ze heeft haar hoofd op zijn schouder gelegd en is in slaap gevallen. Als ze vertrekken en de Millennium Toren uit het zicht verdwijnt, bijt GertJan op zijn lip. Hij weet dat hij een paar uur geleden dat gebouw in gedachten had en ook waarom. Hij kijkt strak uit het raam en vecht tegen de brandende tranen. Hoe en waarom juist op dit moment Irma in zijn leven gekomen is weet hij niet, maar ze is wat hem betreft van harte welkom, voor nu en altijd. Als, bij station Schiedam Centrum, ook GertJan door alle doorstane emoties in slaap valt, schiet hem een ‘tegeltjeswijsheid’ te binnen:

 “ALS DE NOOD HET HOOGST IS, IS DE REDDING NABIJ.”

 

© copyright by Cees Geluk, november 2010

11. mrt, 2018

Dit kamertje was de enige ruimte die hij nog in gebruik had. Samen met het keukentje en de slaapkamer. De andere vertrekken had hij niet nodig. Bovendien kon hij alle kamers niet verwarmen, dat was te duur. Tegen een van de muren stond de tweezits met de salontafel ervoor, tegen de andere muur de eettafel met twee stoelen. Meer paste niet. Hij had er meer dan genoeg aan. De vloerbedekking had zichtbaar betere tijden gekend, vandaar dat de tweezits stond waar hij stond. Op de eettafel stelde de blèrende tv vandaag een daad van zinloos verzet tegen de verveling en vooral de eenzaamheid. Hij keek niet vaak, moest de energierekening zo laag mogelijk zien te houden. Aan de muur fladderde een los geraakte vergeelde reep behang in de tocht die door het gebarsten vensterglas kwam. Op de salontafel stond het vaasje verlepte fresia’s, haar bruidsbloemen. Hij had ze, net als ieder jaar, op hun trouwdag gekocht. Na achtendertig jaar kon hij van die traditie geen afscheid nemen. Niet dat ook nog. Het was eigenlijk teveel, zeker omdat hij het boeketje vanwege zijn steeds vaker dienst weigerende benen moest laten bezorgen. Maar de vriendelijke mensen van de voedselbank kenden hem, hij kwam er immers al jaren. En dus zat er in het pakket van deze week iets extra’s. Zo hoefde hij zich over deze aankoop niet schuldig te voelen. De schaamte over het afhankelijk zijn van dat soort liefdadigheid werd er echter niet minder door.

Zijn bezoek zat achterstevoren op één van de hoge stoelen. De armen lagen op de leuning, de kin rustte daarop. Hij zat wijdbeens, zijn buik tegen de leuning. Zijn T-shirt was te kort, gunde zo de gastheer een blik op een donkerbehaarde buik waarin de navel als een zwart gat alle aandacht naar zich toe trok. Paul dwong bewust zijn blik ervandaan. Aan het ronde, kale hoofd van de bezoeker vielen de oorringen op. Ze weerkaatsten het laatste daglicht met een vaal gele gloed. Door het gewicht waren de gaten in de oorlellen uitgezakt. Paul dacht onwillekeurig aan het beeld van een Chinese Boeddha dat hij ooit eens had gezien.

Op de salontafel lagen zijn dierbaarste bezittingen uitgestald. Die wilde hij verkopen, zodat hij financieel weer wat lucht zou krijgen. Hij haalde zijn hand door het stro op zijn hoofd en keek zijn gast met waterige, fletsbruine ogen hoopvol aan. De handelaar blikte brutaal en zelfverzekerd terug.

‘Nee, opaatje, ik ken niks foor je betekene. Er is gewoon geen mart meer voor die soort spulle. Ik raak het sellufs aan de straatstene nog niet kwijt, laat staan dat ik d’r een stuiver an verdient.’

Hij liet zijn worstvingers over het ringetje gaan. Paul zag de verzameling gouden en zilveren ringen die ze nog dikker deden lijken. De hand pakte het ringetje op, bracht het naar het dikke hoofd met de ronde neus en de kleine oogjes. Net ‘Animal Farm’, dacht Paul met een glimlach. De handelaar bekeek het sieraad ogenschijnlijk aandachtig.

 -.-.-.-

Ze staan samen bij de juwelier, Emmy en Paul. Drie weken geleden hebben ze elkaar voor het eerst echt ontmoet. Emmy was ‘Maid of Honor’ op de bruiloft van Marja, Pauls zus. Logisch, ze zijn beste vriendinnen en onafscheidelijk. Waar Emmy is, is Marja en andersom. Paul heeft Emmy daarom al wel vaker gezien, maar daar nooit bij stilgestaan. Emmy is gewoon onderdeel van zijn omgeving thuis. Op de bruiloft ging hij, als broer van de bruid en ceremoniemeester, als tweede koppel na het bruidspaar, met de ‘Maid of Honor’ de dansvloer op. Toen hij zijn arm om haar middel legde en haar hand de zijne vond kregen beiden het gevoel dat er iets speciaals gebeurde. Emmy had onder zijn arm een stevig lichaam, en ze danste verrukkelijk. In elkaars ogen zagen ze dat dit goed was: ze hoorden bij elkaar.

Hij wil met een ring hun prille relatie bezegelen en weet precies welke: het moet een Claddagh-ring zijn, de Ierse liefdes-ring. De juwelier legt Paul uit hoe hij de ring straks om moet doen: aan haar rechterhand en met de punt van het door twee handen vastgehouden gekroonde hart naar haar toe. Dat betekent dat ze verliefd is. Op hem. Emmy kijkt Paul aan met die diepbruine ogen waarin hij verdrinkt en kust hem.

‘Dank je wel, schat, ik hou van je.’

‘En ik van jou.’

Paul rekent af, neemt het doosje met de ring van de juwelier aan en steekt het in zijn zak. Hij en Emmy hebben afgesproken dat ‘het moment van de ring’ heel speciaal zal zijn. Ze lopen samen naar haar het huis waar ze al sinds haar achttiende alleen woont. Emmy heeft Paul altijd wel leuk gevonden maar nooit gedacht dat dat wederzijds zou zijn. Tot die dans. Nu lopen ze samen, arm in arm, en zal ze van hem een ring krijgen. Straks. Eenmaal in haar huiskamer valt ze hem wild in de armen.

‘Schat, ik wil je. Nu.’

Paul had iets anders bedacht voor dit speciale moment, maar Emmy is niet te stuiten. Ze trekt hem mee de slaapkamer in. In een mum van tijd heeft ze haar jas op de grond laten vallen, haar schoenen uitgeschopt, haar broek en trui uitgegooid en staat ze in haar lingerie voor hem.

‘Jij ook.’

Paul weet niet goed hoe te reageren, aarzelt. Emmy huppelt van ongeduld.

‘Toe nou!’

Hij kan niet anders, haar ogen dwingen hem. Het is niet dat hij haar niet wil, maar hij had dit nog niet verwacht. Het is immers nog maar drie weken officieel? Toch begint hij aan de rits van zijn jas te trekken. Het lukt niet, het ding loopt vast op de stof.

‘Hier, laat me je helpen.’

Ze komt dichterbij. Paul wordt overvallen door de geur die van haar lichaam komt. Zo zoet, zo uitnodigend, zo... alsof ze dit al van te voren heeft gepland. Ze laat de rits zonder enige moeite naar beneden glijden en tilt de jas van zijn schouders. Het lukt hem zelf het overhemd en de jeans uit te doen en dan staat ook hij in zijn ondergoed. Hij ziet haar voor het eerst zo. Ze ziet er bedwelmend uit. Haar donkere ogen, het platinablonde haar, de volle borsten, de platte buik met de snel op en neer gaande navel... Terwijl Pauls ogen de reis naar beneden maken heeft Emmy haar bh uitgedaan. De ogen gaan weer naar boven, naar de strak vooruit staande tepels en de chocolade tepelhoven. Zwaartekracht bestaat niet.

‘Kom,’ zegt ze en voegt de daad bij het woord, neemt zijn hand en trekt hem naar het bed. Vlak voor zijn knieën het begeven heeft ze zijn boxershort met een simpel rukje op zijn hielen gekregen. Ongemakkelijk omdat hij zijn lichaam niet meer onder controle heeft vált hij meer op bed dan dat hij gaat liggen. Emmy heeft inmiddels ook haar slipje verloren en kruipt op haar knieën naar hem toe. De blik op de driehoek tussen haar benen, een echo van de kleur van haar hoofdhaar, wordt Paul teveel. Hij kan nauwelijks meer normaal ademen.

‘Maar...’

‘Ik weet het, schatje,’ zegt ze, ‘Blijf maar rustig liggen. Dit is wat ik al veel eerder had moeten doen. Laten we elkaar nu eindelijk heerlijk verwennen.’

Drie uur en vier hoogtepunten later liggen ze naast elkaar. Pauls hand rust op haar haar, dát haar, Emmy heeft nog steeds zijn aanhangsel vast. Ze zwijgen, weten dat dit eigenlijk nooit anders kon aflopen. Hij draait zich om, reikt naar zijn jas, vindt het doosje met de ring en schuift die, precies zoals de juwelier heeft uitgelegd, om haar rechter ringvinger.

‘Bedankt, schat,’ zegt hij.

‘Ik laat je nooit meer alleen,’ antwoordt zij.

 -.-.-.-

‘Nee, opaatje, wat mot ik hier nou voor prijs mee make?’

Paul schoot uit zijn mijmering en zag de handelaar de ring bekijken die hij om het eerste kootje van zijn pink had gedaan.

‘Ik weet het nie, hoor.’

‘Hoeft ook niet,’ zei Paul ineens, ‘die ring wil ik eigenlijk helemaal niet verkopen.’

‘Nou, dan niet. Wat anders dan. Dat kruis-ding?’

De worstvingers grepen naar het grootste sieraad op de salontafel. Een zware zilveren ketting met een crucifix van vijf bij tien centimeter. De Jezus-figuur is versierd met smaragdjes om het hoofd en robijntjes op handen, voeten en in de zij.

‘Kijk, dát zou ik nou wél kenne slijte,’ wist de dikke. Hij haalde uit de zak van zijn trainingsjasje een kleine juweliersloep en gluurde naar de ledematen van het figuurtje.

‘Ik wip die juweeltjes eruit, dáár ken ik wel kleingeld van make.’

-.-.-.- 

Het ziekenhuis. Hier heeft Paul zichzelf beloofd nooit meer te komen. Niet sinds hier Jacco geboren is. Hij was hier immers ook toen zijn vader, zijn moeder en zijn zus stierven. Maar hij moet nu wel bij Jacco op bezoek. Al zal Jacco hem niet zien, niet horen. Nooit meer. Hij moet ook bij Emmy langs. Emmy leeft nog, al is dat een wonder.

Vanmorgen ging de bel. Paul was thuis, het was zijn vaste ‘thuiswerkdag’. Aan de deur stonden twee hem onbekende heren. Ze stonden hem zwijgend aan te kijken. Paul dacht aan geloofsfanaten die hem wilden bekeren en wilde de deur al dichtsmijten maar de oudste van de twee stak letterlijk een voet tussen de deur.

‘Bent u meneer Gravenstein?’

‘Ja?’

‘Ik heb slecht nieuws voor u,’ hernam de oudere ‘we hebben uw naam en adres uit de mobiele telefoon van uw echtgenote. Ze is hier vlakbij aangereden en in kritieke toestand naar het ziekenhuis afgevoerd. De jongen waarmee ze samen was hebben we van de foto’s herkend als uw zoon. Ook die is naar het ziekenhuis gebracht maar bij aankomst daar is zijn dood vastgesteld. Het spijt me u dit te moeten vertellen.’

De grond zakte onder Paul’s voeten weg.

‘Hoe... wat...?’

‘Ik denk dat u het beste zo snel mogelijk naar het ziekenhuis kunt gaan. Als u wilt kunnen we u brengen.’

En nu loopt hij hier verweesd rond, onzeker welk bezoek hij eerst af moet leggen. Aan het mortuarium, om Jacco officieel te identificeren, of naar Emmy, om haar bij te staan. De agenten in burger konden hem alleen maar bij hoofdingang afzetten: ze waren met spoed ergens anders opgeroepen. Het leven gaat door, ook al staat het zijne nu volkomen stil.

‘Kan ik u helpen?’

Een verpleegster in uniform. Ze lijkt op Emmy, verdomme!

‘Ja, mijn vrouw, mijn zoon.... een ongeluk...’

‘Ik begrijp het, ik heb de opname van uw vrouw gedaan. Ik zal met u meegaan.’

Door een wirwar van gangen en trappen daalt Paul achter de zuster af in de catacomben van het ziekenhuis. Kennelijk vindt men het hier belangrijker te weten wie de doden zijn.

‘Als u hier even wacht, zal ik vragen of ze uw zoon voor u willen halen.’

Na een minuut of tien komt de verpleegster terug. Ze neemt Paul bij de schouder en loopt met hem naar de overkant van de gang. Voor een raam dat hem eerst niet was opgevallen worden gordijnen weggeschoven en komt de blik vrij op een rijdende brancard met daarop een vorm onder een laken. Er is geen fantasie voor nodig om te zien dat die vorm een mens is. Of was. Een man in witte jas loopt om de baar heen en licht een hoek van het laken op, zodat het hoofd eronder zichtbaar wordt.

De verpleegster vraagt: ‘Kent u deze jongen?’

Hij heeft de platinablonde kop van zijn moeder. Ook de rest van zijn gezicht is een kopie van het hare. Een schok gaat door Pauls lijf: hij kijkt naar het lijk van zijn zoon! Bij die gedachte wordt alles vloeibaar. De wanden bewegen, de grond golft en zuigt aan hem, alles wordt zwart...

Als hij zijn ogen weer opent zit hij in een stoel, een beker water in zijn hand.

‘U bent even weggeweest, meneer...?’

‘Gravenstein,’ antwoordt Paul de verpleegster automatisch.

‘We zullen de identificatie van uw zoon als afgedaan beschouwen. Na de autopsie geven we het lichaam vrij voor de uitvaart. Kunt u het al aan om naar uw vrouw te gaan? Ik moet u wel waarschuwen: haar toestand is kritiek en ze ligt op onze intensive care.’

‘Ja..., ja... Emmy. Laten we maar gaan.’

Als in een droom volgt Paul opnieuw de zuster. Gang uit, lift in. Lift uit, gang in, deur door. Een chaos van draden, slangen, schermen, piepjes en ergens in het midden daarvan een blond kapsel. Emmy. Ze ziet hem, herkent hem, glimlacht bijna achter haar zuurstofmasker.

‘Dag schat,’ zegt hij, ‘hoe is ’t nou met je?’

Stom! Hij kan toch zien hoe het met haar is! Ze houdt een legioen aan apparaten aan de gang!

Emmy praat niet, maar gebaart. Naar het tafeltje dat naast het bed staat.

‘Die hanger moesten we afdoen,’ zegt een broeder en hij drukt Paul het sieraad in de hand, ‘het zat ons werk in de weg. U vrouw bleef maar protesteren en zeggen dat we die aan Paul moesten geven. U bent Paul, neem ik aan?’

‘Ja...’

Opeens verandert de kamer in een wervelstorm van rennende verpleging. Piepjes worden irritante constante tonen, er gaan alarmbellen af. Op de schermen gaan golflijntjes over in strepen. De verpleger duwt Paul enigszins ruw uit de weg: ‘Even ruimte maken, meneer, dan kunnen we ons werk doen.’

Na een half uur is ook Emmy er niet meer. Bezweken aan haar verwondingen.

 -.-.-.-

Paul schrok wakker uit zijn droom. Hij had zich dit niet willen herinneren, wist nog hoe het verder ging. Een dubbele uitvaart, veel genodigden. Daarna een periode van veel aandacht en ongeveer een jaar daarna, alsof het afgesproken werk was, niets meer. Paul had het allemaal niet aangekund, was aan drank ten prooi gevallen, had zijn werk verwaarloosd en was ontslagen. Hij had zijn spaargeld vergokt in een poging de bijstandsuitkering aan te vullen, maar het had hem alleen maar verder aan lager wal gebracht.

Tegenover hem zat nog steeds die vetvlek met zijn varkenshoofd en worstvingers de herinnering aan wat ooit Pauls leven was te bepotelen.

‘Nou wat sullen we segge...,’ wil de dikke weten, ‘Een meiertje voor dat kruissie?’

‘Nee, laat maar.... het spijt me dat ik u heb laten komen. Ik heb eigenlijk besloten toch maar helemaal niets te verkopen.’

‘Nou, seg, dat is ook een mooie! Kom ik hier uit de goeiigheid van me hart om je te hellupe, opaatje, en dan krijg ik dát? Stank foor dank? Wie denk je eigelijk wel dat je ben, joh?!’

Paul zei niets meer, zag ook niets meer. Zijn toch al fletse ogen verloren bij die uitbarsting alle kleur. De handelaar foeterde nog even verder, zag daarna wat er aan de hand was: Paul was van de tweezits op de grond gezakt. Hij zag zijn kans, griste de kleinoden van de salontafel en stopte ze in de zak van zijn broek. Na nog een blik op Pauls zielloze lichaam draaide hij zich om, de kamer uit, de gang uit en de voordeur door. Hij trok die zorgvuldig achter zich dicht en stak over. Toen hij in zijn auto stapte speelde een glimlach om zijn lippen.

‘Is dat opaatje er toch nog lekker van afgekomme...,’ zei hij bij zichzelf.

 

© Cees Geluk, Maart 2018

6. jan, 2018

‘Dus we zijn het eens?’

De voorzitter staat met zijn rug naar de vergadertafel, staart uit het raam en ziet de rivier traag voorbij komen, zoals ze dat al sinds de Romeinse tijd doet. Dan ontwaakt hij uit zijn mijmering, draait zich om en kijkt de aanwezigen indringend aan. Allen steken hun hand op.

‘Mooi. Ik had niet anders verwacht. Ze zijn alle twee zo gek als een deur, dus zo gevaarlijk als wat en moeten dus gestopt. Onze veiligheid is in het geding. En misschien zelfs de veiligheid van de hele wereld. De gevolgen van wat ze uitdenken, ieder apart al, laat staan dat ze tegen elkaar op gaan bieden, kunnen desastreus zijn voor onze belangen in de wereld. Volgende punt: wie gaan we hiervoor inzetten?’

Na een dikke minuut stilte schraapt een vrouw haar keel. De voorzitter kijkt haar verwachtingsvol aan. Deze generaal heeft het commando over de geheime ‘assets’.

‘Ik stel voor,’ zegt ze enigszins timide, ‘dat we “Inverness” gebruiken.’

‘Uitstekend idee,’ buldert de voorzitter ten antwoord, ‘Pleeg de nodige voorbereidingen. Bedoeling is om ons besluit zo snel en efficiënt mogelijk ten uitvoer te leggen, als het even kan twee vliegen in één klap te slaan. Kunnen we daarbij ook op de overkant rekenen?’ De voorzitter draait zich naar het midden van de blinde muur waar, op een flat screen, een heer in kostuum de vergadering volgt.

‘Vanzelfsprekend,’ klinkt het uit de luidspreker, ‘zodra we de route weten geven we dat door.’

‘Mooi,’ zegt de voorzitter, ‘dan valt er niets meer te zeggen en is deze bijeenkomst beëindigd. Onthoud dat uiterste geheimhouding van levensbelang is, zowel voor het slagen van de operatie als voor “Inverness”. Goede jacht!’

Hij pakt de tumbler, heft het glas, richt het naar alle aanwezigen en neemt een grote slok whisky. De anderen staan op, volgen zijn voorbeeld en gaan hun eigen weg. De vergadering is over.

-o-o-o-o-o-o-o-

Hier lig ik goed, denkt Seamus. Vanaf deze plek kan ik alles overzien. Als ze straks langskomen zal ik ze bij wijze van spreken kunnen aanraken. Seamus’ droom wordt werkelijkheid vandaag: eindelijk is hij in een positie om uit te voeren waar hij zijn hele loopbaan voor heeft getraind. Om zijn taak goed te kunnen doen moet hij ze allebei kunnen zien, van heel dichtbij. ‘Ze’: het is pas kortgeleden dat hij de namen kreeg van zijn twee doelen. Seamus McBride is een gelukkig mens. In Inverness zullen zijn kameraden stinkend jaloers zijn dat hij deze kans heeft gekregen. Het bericht uit Londen dat hij de reis hierheen zou maken en dat hij, Seamus, de ‘opdracht’ kreeg sloeg bij hen in als een bom. Hij nam het vliegticket dat bij zijn orders zat en landde drie dagen geleden. Het hotel waar kamer 9 al voor hem was gereserveerd vond hij zonder moeite. Ze hebben alles verdomd goed voorbereid, weet hij. Het is dan ook niet de eerste de beste opdracht. Het moest per se kamer 9 zijn, omdat die ten opzichte van de route ideaal ligt. En het ís kamer 9, zijn superieuren hebben niet gefaald. Nu mag hij dat ook niet doen.

De afgelopen dagen heeft hij zich uitgebreid georiënteerd. Hij heeft de omgeving van het hotel goed in zich opgenomen, hij weet precies waar hij is en waar zijn slachtoffers straks zullen zijn. Misschien niet heel erg toevallig heeft hij in Inverness, en later in Londen in het huis aan de Theems, met zijn kameraden maquettes van precies deze omgeving bestudeerd. Ze hebben kaarten van deze wijk bestudeerd, alle straten en eventuele obstakels in de buurt benoemd. Alles om... nou ja, om maar zo goed mogelijk voorbereid te zijn.

Een uur geleden heeft hij het meubilair in zijn hotelkamer verplaatst en het kingsize tweepersoonsbed met het voeteneind voor het raam gezet. Dat ging perfect: het voetenbord past precies onder de vensterbank. Hij moest natuurlijk wel voorzichtig zijn, wilde geen geluid maken. Hij zou, zo midden op de dag, niemand wakker gemaakt hebben, zeker niet met het bijna hysterische feestgedruis buiten, maar hij wilde niet het risico lopen dat personeel van het hotel toch op een geluid af zou komen en hem zou vragen het bed weer op z’n plaats te zetten. Dat zou de boel verpesten. Nu kan hij, met zijn voeten op het hoofdkussen en op zijn buik liggend, in alle rust het schouwspel op straat tot zich nemen. Hij heeft zijn koffer naast zich neergelegd, daar kan hij straks op leunen. Hij is er helemaal klaar voor. Seamus staat zichzelf toe even te ontspannen, even de ogen rust te gunnen voordat hij...

Verdomme! Hij is tóch in slaap gevallen! De herrie van het feest buiten is sterker geworden, ‘ze’ zullen in aantocht zijn. Dat heeft hem gewekt. Zou hij bijna zijn plicht hebben verzaakt, zeg! Gelukkig dat ze hier zo idolaat van ‘die twee’ zijn anders was het misschien mis gegaan. McBride wrijft zich de ogen uit en doet werktuigelijk wat hij zichzelf tijdens al die maanden en jaren training eigen heeft gemaakt. De koffer gaat open en hij verbaast zich erover dat het metaal, zelfs door de rubber handschoenen heen, zo koud aanvoelt, ook al is het midden op de dag en hoogzomer. Het moet hier in de kamer toch zeker dertig graden zijn, als het niet meer is. Geen tijd om daar over na te denken, hij moet doorwerken. Hij weet alle onderdelen blindelings te vinden en in elkaar te zetten. Tijdens zijn carrière heeft hij dat honderden keren zelfs geblinddoekt gedaan. Als hij klaar is sluit hij de koffer, legt die tegen het voetbord, het nu geassembleerde wapen erop en wacht op wat er komen gaat.

Buiten begint de menigte zo mogelijk nog uitzinniger te worden. Ze juichen, zwaaien met vlaggetjes, springen op en neer. Toch heeft Seamus vrij uitzicht: het hotel staat op een talud waarop voor de gelegenheid bloemen en struiken zijn geplant. En het voetpad is breed, zodat de straat, zelfs over de hoofden van de mensen heen, over de volle breedte goed zichtbaar is. Bovendien zal de stoet het midden van de weg houden, zodat ‘ze’ nergens achter schuil zullen kunnen gaan. Een militaire kapel komt voorbij, gevolgd door strak paraderende troepen. Het neerkomen van honderden laarzen op precies hetzelfde moment doet de aarde bijna trillen. Dan volgt een leegte. De militairen zijn voorbij, zijn doelen zijn er nog niet. De mensen aan de weg zijn stilgevallen, hoewel stilte bij dit soort gelegenheden normaal gesproken niet toegestaan is: niet juichen op dit soort dagen en bij parades staat hier gelijk aan landverraad.

Dan, alsof Seamus’ bespiegelingen een commando waren, begint de menigte weer uitzinnig te schreeuwen en vanuit zijn linker ooghoek ziet hij een zwarte vlek. De limo. Het is, ziet Seamus tot zijn tevredenheid, de open wagen die altijd gebruikt wordt. Links, achter de chauffeur, staat de kleine gezette man die hij van de foto’s kent. Met die voor hem zo typische haardracht. Het kapsel dat hem wereldwijd tot mikpunt van zoveel spot maakt. Een bespottelijk uiterlijk waar menigeen zich op verkeken heeft. Want met deze Opperste Leider valt niet te spotten, dat blijkt vandaag. Hij staat daar als een standbeeld, neemt de toejuichingen van zijn volk als vanzelfsprekend in ontvangst. Hij zwaait niet, maar houdt zijn hand als in een militaire groet schuin voor het hoofd. Het mooiste is echter dat er een andere man naast hem staat. De president. Deze parade is georganiseerd omdat hun beider landen eindelijk een vredesakkoord gaan ondertekenen. Vele tientallen jaren hebben ze, alleen gescheiden door een wapenstilstandsovereenkomst, in feite steeds op voet van oorlog met elkaar gestaan. Maar na lange en vooral diep geheime onderhandelingen gaan beide heren straks hun handtekeningen zetten. En nu staan ze naast elkaar in deze open limousine. Seamus kan ze goed zien.

McBride legt de kolf van het wapen tegen zijn schouder, grijpt het stevig vast en concentreert zich. Het moet in één keer goed. Langzaam, heel langzaam komt de auto dichterbij totdat hij precies loodrecht voor het raam van kamer 9 rijdt. In het telescopisch vizier ziet Seamus het hoofd van de president en daarachter het hoofd van de Opperste Leider. In een flits denkt Seamus aan alle grappen die over de beide leiders zijn gemaakt. Het volkomen belachelijke kapsel van de oosterling en de al even bespottelijke huidskleur en tweets van de ‘Leider van de Vrije Wereld’. McBride ziet dat beide hoofden in de kijker langzaam tot één hoofd versmelten. Ze bewegen zich, vanuit Seamus’ positie, tot precies in het verlengde van de loop. Concentreren, concentreren, nog niet, nog niet, bijna...

Er klinkt niet meer dan een zachte ‘plop’ door de kamer als Seamus afdrukt. De geluidsdemper is van de beste kwaliteit. Uiteraard. Zijn eenheid heeft vanwege de vele geheime opdrachten recht op het beste van het beste. Op straat is het effect des te groter. In de auto lijkt het alsof de president de Grote Leider een zijdelingse kopstoot geeft. De ander beweegt zijn hoofd alsof hij hetzelfde bij de Amerikaan wil doen. Langzaam kleurt het lichte haar van de president donker, daarna rood. Over het gezicht van de Leider lopen twee, drie rode strepen. McBride heeft zijn missie volbracht. Op straat breekt blinde paniek uit. Mannen en vrouwen in traditionele kledij gillen en schreeuwen om de aanblik van hun getroffen Leider.

Seamus weet dat hij van de gelegenheid gebruik moet maken om weg te komen, dat heeft hij in River House honderden keren getraind. Hij demonteert het wapen en bergt het methodisch op in de koffer. Hij draagt handschoenen en heeft dat in deze kamer altijd gedaan dus vingerafdrukken zullen er niet zijn. Toch neemt hij een handdoek uit de badkamer en veegt alle oppervlakken die hij de afgelopen dagen zou kunnen hebben aangeraakt schoon. Dan zet hij het bed terug, kijkt nog één keer de kamer rond, neemt zijn koffer en verlaat de kamer. Via de keuken en de achteruitgang bereikt hij een steeg. Hij sprint weg van de hoofdweg waar nu de chaos compleet is. Volgens de maquette die hij uit het hoofd kent moet hij aan het eind van de steeg de eerste straat links en dan de derde rechts hebben. Daar, zo is hem verzekerd, zal een auto hem opwachten, bestuurd door een kameraad die hem het land uit zal helpen. Links, derde rechts... verdomme! De auto staat er niet! Seamus heeft genoeg ervaring binnen de SAS om te weten wat dit betekent: het extractieplan is mislukt, hij staat er alleen voor, zijn missie is een zelfmoordcommando geworden. In een fractie van een seconde neemt hij een besluit: hij zal zich in volle zicht verstoppen. Daarbij heeft hij zijn koffer niet meer nodig, die zet hij tegen de muur. In zijn binnenzak voelt hij zijn handwapen, dat neemt hij in zijn handen.

Hij draait zich om en loopt precies in de richting van alle tumult, dringt zich door de massa heen en rent op de limousine af, die zich veel te traag een weg probeert te banen door alle krioelende en hysterische mensen. Dan bereikt hij zijn doel: een groepje mannen van de geheime dienst die als beveiligers van de president zijn meegereisd.

‘Waar kwam dat schot vandaan?’ vraagt hij, om een band te krijgen.

‘En wie ben jij dan wel?’ wil één van de mannen weten.

‘Seamus McBride,’ antwoordt Seamus naar waarheid. Het heeft geen zin er nu om te gaan staan liegen, dan kan hij zich later ook niet vergissen.

‘CIA,’ voegt de Schot eraan toe. Dat is dan weer wel gelogen, maar voor de mannen van de geheime dienst normaliter een volkomen logische verklaring voor de aanwezigheid van vreemden op hun terrein: de CIA heeft overal in de wereld immers vrij spel.

‘Connors, Geheime Dienst,’ stelt de ander zich voor.

‘Hoe gaan we dit aanpakken?’

‘Nou, Seamus, we gaan met deze auto naar het vredespark, daar laten we hem staan om de beide lijken uit te laten laden. En dan gaan jij en ik in een helikopter en naar de Ambassade in het Zuiden. En dan bedoel ik jullie Ambassade, en niet de onze.’

‘Hoezo: “niet de onze”?’

‘McBride, ik weet wie je bent, waar je vandaan komt en wat je hebt gedaan. Mijn superieuren hebben me vanmorgen ingelicht. Je missie is, zoals je ziet, geslaagd. Bij ons zal de vice-president eenzelfde behandeling krijgen zodat de minister van Defensie beëdigd kan worden. En wat ze met de opvolging van die spleetoog doen moeten ze hier maar uitzoeken. Hoofdzaak is dat jij je missie hebt volbracht en uiteindelijk in Londen rapport gaat uitbrengen.’

‘Wie weten er nog meer van?’

‘Ik ben de enige. Daarom ben je voor nu inderdaad iemand van de CIA. Eén raad: blijf dicht bij me en probeer zo min mogelijk te praten. Dat accent gaat je de kop kosten.’

-o-o-o-o-o-o-o-

Sir David Whitbread staat met zijn rug naar de vergaderkamer en staart uit het raam. Hij ziet de Theems traag voorbij komen, zoals ze dat al sinds de Romeinse tijd doet. Dan ontwaakt hij uit zijn mijmering, draait zich om en kijkt de twee aanwezigen indringend aan. Eén ervan kent hij het is generaal Sheila Connors die met haar Amerikaanse neef dit plan heeft bedacht en prachtig heeft uitgevoerd. De ander ziet hij voor het eerst. Seamus McBride draagt het gala-uniform van zijn ‘thuis-eenheid’ de ‘Black Watch’, compleet met kilt.

‘Seamus’, begint Whitbread, ‘Je zult begrijpen dat ik in een onmogelijke positie ben. Ik zou je moeten feliciteren maar dat doe ik niet. Het was namelijk nooit de bedoeling dat wij elkaar zouden zien. Jij hebt zowel de Grote Leider van Noord-Korea als de president van de Verenigde Staten omgebracht. Overigens met een fenomenaal schot. Maar jij zou, en dat zal je niet verbazen, daar in Azië hebben moeten blijven. Dit was altijd al opgezet als een zelfmoordmissie. Dat je teruggekomen bent levert problemen op. Ik kan niet anders dan je overplaatsen naar een ver en onherbergzaam oord, bijvoorbeeld de Falklands en je bij aankomst daar ontslaan uit de dienst.’

Seamus kijkt naar rechts, naar de generaal. Die heeft hem dus gewoon belazerd! Hij heeft altijd begrepen dat er een, weliswaar heel kleine, kans was dat hij dit zou overleven. Dat blijkt nu een leugen, hij had niet mogen terugkomen.

‘Ik begrijp het, sir,’ zegt hij, ‘u moet vooral doen wat u goeddunkt. Dan doe ik dat ook.’

Daarmee grijpt hij in de sporran die hij aan zijn kilt draagt en haalt er een wapen uit. Zijn eigen dienstwapen. In zijn andere hand neemt hij zijn Smartphone en begint te filmen. Hij richt het wapen op zijn slaap, kijkt het hoofd van MI6 recht in de ogen en zegt: ‘Dit is wat mij nu goeddunkt. Deze telefoon is rechtstreeks verbonden met een journalist van The Sun. John, ze hebben me bedonderd, zoals ik je had voorspeld!’ Dan drukt hij af, voordat Sir David of generaal Connors iets kunnen doen. De Schot valt dood neer, geveld door een schot uit zijn eigen wapen.

© Cees Geluk, Jan. 2018