26. sep, 2018

December. Tijd van de “donkere dagen voor Kerst”. Het maakt niet wie je bent of wat je doet, er is niemand die niet door die speciale sfeer wordt geraakt.

Vrijdag 24 december. Rotterdam Centraal, spoor 8/9. GertJan zit op een bank en staart voor zich uit. Zijn werkweek zit erop, hij kan naar huis. Niet alleen dat, hij heeft tot en met 2 januari vrij. Maar GertJan wil helemaal niet naar huis. Er is daar niets dat op hem wacht, hij is alleen. Zijn vrouw is bij hem weg. De kinderen zijn de deur uit. Die hebben de kant van hun moeder gekozen, hij zal ze dus deze Kerst niet zien. Zijn ouders zijn allang dood en vrienden heeft hij niet. Nee, deze tijd van het jaar met zijn valse gezelligheid en hypocriete vrolijkheid kan hem gestolen worden. Hij wil niet naar huis. Hij wil dat er definitief een einde aan komt.

In de aanloop naar deze periode heeft hij nagedacht over hoe het met hem zover kon komen. Het vertrek van zijn vrouw is zijn schuld, weet hij. Waarom kon hij niet gewoon met haar praten over wat hem dwarszit? Waarom kan hij daar pas nadat ze weg is over nadenken? GertJan laat alles nog eens de revue passeren.

Hij werkt al meer dan dertig jaar voor hetzelfde dienstverlenende bedrijf. In die tijd heeft hij alles zien veranderen, de maatschappij, de werkwijzen, maar ook de klanten. Klanten zijn mondiger, veeleisender geworden. Natuurlijk is de klant koning maar gedraagt zich, vindt GertJan, steeds meer als een keizer. De klant eist het onmogelijke en als dat niet tijdig gebeurt, is de klant boos, en de medewerker de klos. Als tijdens het werk de telefoon gaat, gieren GertJan dan ook de zenuwen door de keel: welke klant zal hem nu weer aanspreken, waarom, en zal hij de huizenhoge verwachtingen wel kunnen waarmaken? En als dat niet lukt, wat zijn dan de gevolgen? Staat zijn baan op de tocht? Daar komt bij dat het management met het opleggen van doelstellingen de werkdruk ook nog eens enorm opschroeft. Doelstellingen die op niets anders gebaseerd lijken dan de mededeling dat ‘de klant het zo wil’.

Hij heeft al verscheidene malen en in verschillende vormen geprobeerd duidelijk te maken dat, en waarom, hij hier ongelukkig mee is, maar steeds zonder resultaat. De enige reactie is dat het ‘nu eenmaal overal zo is’. GertJan, toch al geen toonbeeld van innerlijke rust, is daardoor steeds nerveuzer geworden. De veeleisende klanten en het feit dat het management geen oor voor zijn argumenten heeft of wil hebben maken dat hij zich bij alles wat hij doet onder een druk voelt staan die hij steeds minder goed aankan en die nu in een zware depressie is uitgemond.

Het feit dat GertJan psychologisch onherstelbaar beschadigd is, doet daar ook geen goed aan.

Vanaf zijn vroegste jeugd heeft GertJan geprobeerd ‘erbij te horen’. Altijd is hij een buitenbeentje gebleven. Klasgenootjes op de kleuterschool en de lagere school lachten hem uit en plaagden hem om het feit dat hij al vroeg een bril droeg en er dus anders uitzag of omdat hij niet goed in sport was. Dat hij er niet bij hoorde voelde hij nog het meest als er op het schoolplein gevoetbald werd en er ‘partijtjes’ gekozen werden. Twee klasgenootjes, de beste sporters uit de klas, kozen dan uit een rij ieder steeds één teamlid. GertJan bleef altijd als laatste over, en de beide aanvoerders maakten ruzie over wie hem ‘moest nemen’. GertJan leerde zo dat hij voor anderen van geen enkele waarde was, integendeel. Om erger te voorkomen koos hij zelf voor het isolement.

Op het VWO was het niet anders. Klasgenoten ontdekten het zelfgekozen isolement en dat maakte hem al snel tot onderwerp van een nieuw soort pestgedrag. Niet meer lichamelijk, zoals de vechtpartijtjes op de lagere school, nee, deze plaaggeesten hadden er plezier in hem vooral psychologisch te treiteren en te kleineren. Het laatste beetje eigenwaarde en zelfvertrouwen dat GertJan nog bezat werd op die manier vakkundig en volledig vernietigd, samen met het vermogen om ooit nog vertrouwen in mensen te hebben.

In de loop van zijn leven bouwde GertJan dus een denkwereld op waarin hij zich misschien niet gelukkig, maar in ieder geval wel veilig voelde: mensen waren niet te vertrouwen. Ze waren er alleen maar op uit je gevoelens te krenken of ten koste van jou lol te maken. Je kon mensen maar beter uit de buurt blijven. Vrienden had hij door zijn zelfgekozen isolement nooit gehad. De enkele keer dat hem werd gevraagd of hij vriendschap dan niet miste kroop hij direct in zijn veilige schulp: “wat je nooit hebt gehad kun je niet missen”.

Zijn vrouw was heel anders, die trad de wereld bijna roekeloos tegemoet. Ze verweet hem zijn depressiviteit, vond hem te zwaar op de hand. Dan wilde hij wel uitleggen hoe zijn denkwereld in elkaar zat en waarom dat zo was, maar dat lukte nooit. Dat hij ooit aan haar was blijven hangen had hem überhaupt verbaasd. Maar hij was zelfs met haar getrouwd, had twee schitterende kinderen gekregen en was daar heel blij en redelijk gelukkig mee geweest. Hij had alles geprobeerd om dat zo te houden. Tevergeefs.

En nu zit hij hier. Zijn vrouw is weg, de kinderen zal hij wel nooit meer zien. Allemaal omdat hij niet kan uitleggen waarom hij is wie hij is, doet wat hij doet en voelt wat hij voelt. Om dat uit te leggen moet hij mensen vertrouwen en dat kan hij niet meer, nooit meer. Zelfs zijn dierbaren vertrouwt hij niet volledig. Dat breekt hem nu in laatste instantie op. Hij heeft niets meer om naar te verlangen. Hij heeft geen zin in Kerstmis, hij wil eruit. Voorgoed.

GertJan staat op. Zijn besluit staat vast. Hij weet een hoog gebouw in de buurt en hij zal er daar een eind aan maken.

Als hij door de reizigerstunnel naar het Stationsplein loopt, hoort hij een stem. “GertJan, ben jij het?” Hij draait zich om kijkt in het gezicht van Irma Joustra, een klasgenote van het VWO. Hij herkent haar meteen. Ze is ouder geworden natuurlijk, maar nog steeds even mooi. Lang blond haar rond een regelmatig gezicht. Een goed gevormd lichaam, ondersteund door oneindig lange benen. Korte rok, hoge hakken. Op school was hij stiekem verliefd op haar, maar Irma hoorde bij de populaire meiden en was daarmee, zeker voor iemand als hij, onbereikbaar. Zijn ingebakken wantrouwen tegen de medemens gaat nu met hem op de loop. Waarom spreekt ze hem aan? Ze kan toch wel beter vinden? Daar moet iets achter zitten. Hij is op zijn hoede.

Irma nodigt hem uit voor een drankje en hij neemt dat aan. Waarom weet hij niet. Ze vertelt dat ze hem al vanaf de middelbare school zoekt. Ze heeft hem altijd stiekem bewonderd: steeds die pesterijen en toch geen enkele les gemist. “Ben je getrouwd?”, waagt GertJan te vragen. Nee, is het antwoord, dat is er nooit van gekomen. Wat doet ze hier, wil hij weten. Ze heeft een moeilijke periode achter de rug, zit financieel aan de grond. Haar huis is net verkocht en ze heeft nu geen onderdak. Ze wil een vriendin hier in Rotterdam vragen of ze mag logeren. In een opwelling vraagt hij of ze misschien de Kerst bij hem...? “Ja”, zegt ze.

Samen lopen ze terug naar het station. Onderweg valt het GertJan op hoe mooi alle winkels op de Lijnbaan verlicht en versierd zijn. Natuurlijk: Kerstmis. Hij ziet nu ook de heldere zwarte hemel en hoe mooi de sterren zijn: net als de lichtjes in de etalages. Het is koud. Irma rilt. Ze slaat haar arm om hem heen en trekt hem dicht tegen zich aan.

Op het perron staat hij zichzelf, ondanks alles, toe hoop te hebben. Misschien wordt deze Kerst toch anders dan hij zich had voorgesteld. Misschien dat Irma, juist omdat ze een deel van zijn verleden is, zijn vernietigde vertrouwen in mensen enigszins kan herstellen. Misschien dat...

De trein komt gierend en sissend binnen. De deuren gaan open. GertJan voelt Irma’s hand in de zijne. Hun ogen ontmoeten elkaar en ze stappen in. De conducteur fluit. Ze heeft haar hoofd op zijn schouder gelegd en is in slaap gevallen. Als ze vertrekken en de Millennium Toren uit het zicht verdwijnt, bijt GertJan op zijn lip. Hij weet dat hij een paar uur geleden dat gebouw in gedachten had en ook waarom. Hij kijkt strak uit het raam en vecht tegen de brandende tranen. Hoe en waarom juist op dit moment Irma in zijn leven gekomen is weet hij niet, maar ze is wat hem betreft van harte welkom, voor nu en altijd. Als, bij station Schiedam Centrum, ook GertJan door alle doorstane emoties in slaap valt, schiet hem een ‘tegeltjeswijsheid’ te binnen:

 “ALS DE NOOD HET HOOGST IS, IS DE REDDING NABIJ.”

 

© copyright by Cees Geluk, november 2010

11. mrt, 2018

Dit kamertje was de enige ruimte die hij nog in gebruik had. Samen met het keukentje en de slaapkamer. De andere vertrekken had hij niet nodig. Bovendien kon hij alle kamers niet verwarmen, dat was te duur. Tegen een van de muren stond de tweezits met de salontafel ervoor, tegen de andere muur de eettafel met twee stoelen. Meer paste niet. Hij had er meer dan genoeg aan. De vloerbedekking had zichtbaar betere tijden gekend, vandaar dat de tweezits stond waar hij stond. Op de eettafel stelde de blèrende tv vandaag een daad van zinloos verzet tegen de verveling en vooral de eenzaamheid. Hij keek niet vaak, moest de energierekening zo laag mogelijk zien te houden. Aan de muur fladderde een los geraakte vergeelde reep behang in de tocht die door het gebarsten vensterglas kwam. Op de salontafel stond het vaasje verlepte fresia’s, haar bruidsbloemen. Hij had ze, net als ieder jaar, op hun trouwdag gekocht. Na achtendertig jaar kon hij van die traditie geen afscheid nemen. Niet dat ook nog. Het was eigenlijk teveel, zeker omdat hij het boeketje vanwege zijn steeds vaker dienst weigerende benen moest laten bezorgen. Maar de vriendelijke mensen van de voedselbank kenden hem, hij kwam er immers al jaren. En dus zat er in het pakket van deze week iets extra’s. Zo hoefde hij zich over deze aankoop niet schuldig te voelen. De schaamte over het afhankelijk zijn van dat soort liefdadigheid werd er echter niet minder door.

Zijn bezoek zat achterstevoren op één van de hoge stoelen. De armen lagen op de leuning, de kin rustte daarop. Hij zat wijdbeens, zijn buik tegen de leuning. Zijn T-shirt was te kort, gunde zo de gastheer een blik op een donkerbehaarde buik waarin de navel als een zwart gat alle aandacht naar zich toe trok. Paul dwong bewust zijn blik ervandaan. Aan het ronde, kale hoofd van de bezoeker vielen de oorringen op. Ze weerkaatsten het laatste daglicht met een vaal gele gloed. Door het gewicht waren de gaten in de oorlellen uitgezakt. Paul dacht onwillekeurig aan het beeld van een Chinese Boeddha dat hij ooit eens had gezien.

Op de salontafel lagen zijn dierbaarste bezittingen uitgestald. Die wilde hij verkopen, zodat hij financieel weer wat lucht zou krijgen. Hij haalde zijn hand door het stro op zijn hoofd en keek zijn gast met waterige, fletsbruine ogen hoopvol aan. De handelaar blikte brutaal en zelfverzekerd terug.

‘Nee, opaatje, ik ken niks foor je betekene. Er is gewoon geen mart meer voor die soort spulle. Ik raak het sellufs aan de straatstene nog niet kwijt, laat staan dat ik d’r een stuiver an verdient.’

Hij liet zijn worstvingers over het ringetje gaan. Paul zag de verzameling gouden en zilveren ringen die ze nog dikker deden lijken. De hand pakte het ringetje op, bracht het naar het dikke hoofd met de ronde neus en de kleine oogjes. Net ‘Animal Farm’, dacht Paul met een glimlach. De handelaar bekeek het sieraad ogenschijnlijk aandachtig.

 -.-.-.-

Ze staan samen bij de juwelier, Emmy en Paul. Drie weken geleden hebben ze elkaar voor het eerst echt ontmoet. Emmy was ‘Maid of Honor’ op de bruiloft van Marja, Pauls zus. Logisch, ze zijn beste vriendinnen en onafscheidelijk. Waar Emmy is, is Marja en andersom. Paul heeft Emmy daarom al wel vaker gezien, maar daar nooit bij stilgestaan. Emmy is gewoon onderdeel van zijn omgeving thuis. Op de bruiloft ging hij, als broer van de bruid en ceremoniemeester, als tweede koppel na het bruidspaar, met de ‘Maid of Honor’ de dansvloer op. Toen hij zijn arm om haar middel legde en haar hand de zijne vond kregen beiden het gevoel dat er iets speciaals gebeurde. Emmy had onder zijn arm een stevig lichaam, en ze danste verrukkelijk. In elkaars ogen zagen ze dat dit goed was: ze hoorden bij elkaar.

Hij wil met een ring hun prille relatie bezegelen en weet precies welke: het moet een Claddagh-ring zijn, de Ierse liefdes-ring. De juwelier legt Paul uit hoe hij de ring straks om moet doen: aan haar rechterhand en met de punt van het door twee handen vastgehouden gekroonde hart naar haar toe. Dat betekent dat ze verliefd is. Op hem. Emmy kijkt Paul aan met die diepbruine ogen waarin hij verdrinkt en kust hem.

‘Dank je wel, schat, ik hou van je.’

‘En ik van jou.’

Paul rekent af, neemt het doosje met de ring van de juwelier aan en steekt het in zijn zak. Hij en Emmy hebben afgesproken dat ‘het moment van de ring’ heel speciaal zal zijn. Ze lopen samen naar haar het huis waar ze al sinds haar achttiende alleen woont. Emmy heeft Paul altijd wel leuk gevonden maar nooit gedacht dat dat wederzijds zou zijn. Tot die dans. Nu lopen ze samen, arm in arm, en zal ze van hem een ring krijgen. Straks. Eenmaal in haar huiskamer valt ze hem wild in de armen.

‘Schat, ik wil je. Nu.’

Paul had iets anders bedacht voor dit speciale moment, maar Emmy is niet te stuiten. Ze trekt hem mee de slaapkamer in. In een mum van tijd heeft ze haar jas op de grond laten vallen, haar schoenen uitgeschopt, haar broek en trui uitgegooid en staat ze in haar lingerie voor hem.

‘Jij ook.’

Paul weet niet goed hoe te reageren, aarzelt. Emmy huppelt van ongeduld.

‘Toe nou!’

Hij kan niet anders, haar ogen dwingen hem. Het is niet dat hij haar niet wil, maar hij had dit nog niet verwacht. Het is immers nog maar drie weken officieel? Toch begint hij aan de rits van zijn jas te trekken. Het lukt niet, het ding loopt vast op de stof.

‘Hier, laat me je helpen.’

Ze komt dichterbij. Paul wordt overvallen door de geur die van haar lichaam komt. Zo zoet, zo uitnodigend, zo... alsof ze dit al van te voren heeft gepland. Ze laat de rits zonder enige moeite naar beneden glijden en tilt de jas van zijn schouders. Het lukt hem zelf het overhemd en de jeans uit te doen en dan staat ook hij in zijn ondergoed. Hij ziet haar voor het eerst zo. Ze ziet er bedwelmend uit. Haar donkere ogen, het platinablonde haar, de volle borsten, de platte buik met de snel op en neer gaande navel... Terwijl Pauls ogen de reis naar beneden maken heeft Emmy haar bh uitgedaan. De ogen gaan weer naar boven, naar de strak vooruit staande tepels en de chocolade tepelhoven. Zwaartekracht bestaat niet.

‘Kom,’ zegt ze en voegt de daad bij het woord, neemt zijn hand en trekt hem naar het bed. Vlak voor zijn knieën het begeven heeft ze zijn boxershort met een simpel rukje op zijn hielen gekregen. Ongemakkelijk omdat hij zijn lichaam niet meer onder controle heeft vált hij meer op bed dan dat hij gaat liggen. Emmy heeft inmiddels ook haar slipje verloren en kruipt op haar knieën naar hem toe. De blik op de driehoek tussen haar benen, een echo van de kleur van haar hoofdhaar, wordt Paul teveel. Hij kan nauwelijks meer normaal ademen.

‘Maar...’

‘Ik weet het, schatje,’ zegt ze, ‘Blijf maar rustig liggen. Dit is wat ik al veel eerder had moeten doen. Laten we elkaar nu eindelijk heerlijk verwennen.’

Drie uur en vier hoogtepunten later liggen ze naast elkaar. Pauls hand rust op haar haar, dát haar, Emmy heeft nog steeds zijn aanhangsel vast. Ze zwijgen, weten dat dit eigenlijk nooit anders kon aflopen. Hij draait zich om, reikt naar zijn jas, vindt het doosje met de ring en schuift die, precies zoals de juwelier heeft uitgelegd, om haar rechter ringvinger.

‘Bedankt, schat,’ zegt hij.

‘Ik laat je nooit meer alleen,’ antwoordt zij.

 -.-.-.-

‘Nee, opaatje, wat mot ik hier nou voor prijs mee make?’

Paul schoot uit zijn mijmering en zag de handelaar de ring bekijken die hij om het eerste kootje van zijn pink had gedaan.

‘Ik weet het nie, hoor.’

‘Hoeft ook niet,’ zei Paul ineens, ‘die ring wil ik eigenlijk helemaal niet verkopen.’

‘Nou, dan niet. Wat anders dan. Dat kruis-ding?’

De worstvingers grepen naar het grootste sieraad op de salontafel. Een zware zilveren ketting met een crucifix van vijf bij tien centimeter. De Jezus-figuur is versierd met smaragdjes om het hoofd en robijntjes op handen, voeten en in de zij.

‘Kijk, dát zou ik nou wél kenne slijte,’ wist de dikke. Hij haalde uit de zak van zijn trainingsjasje een kleine juweliersloep en gluurde naar de ledematen van het figuurtje.

‘Ik wip die juweeltjes eruit, dáár ken ik wel kleingeld van make.’

-.-.-.- 

Het ziekenhuis. Hier heeft Paul zichzelf beloofd nooit meer te komen. Niet sinds hier Jacco geboren is. Hij was hier immers ook toen zijn vader, zijn moeder en zijn zus stierven. Maar hij moet nu wel bij Jacco op bezoek. Al zal Jacco hem niet zien, niet horen. Nooit meer. Hij moet ook bij Emmy langs. Emmy leeft nog, al is dat een wonder.

Vanmorgen ging de bel. Paul was thuis, het was zijn vaste ‘thuiswerkdag’. Aan de deur stonden twee hem onbekende heren. Ze stonden hem zwijgend aan te kijken. Paul dacht aan geloofsfanaten die hem wilden bekeren en wilde de deur al dichtsmijten maar de oudste van de twee stak letterlijk een voet tussen de deur.

‘Bent u meneer Gravenstein?’

‘Ja?’

‘Ik heb slecht nieuws voor u,’ hernam de oudere ‘we hebben uw naam en adres uit de mobiele telefoon van uw echtgenote. Ze is hier vlakbij aangereden en in kritieke toestand naar het ziekenhuis afgevoerd. De jongen waarmee ze samen was hebben we van de foto’s herkend als uw zoon. Ook die is naar het ziekenhuis gebracht maar bij aankomst daar is zijn dood vastgesteld. Het spijt me u dit te moeten vertellen.’

De grond zakte onder Paul’s voeten weg.

‘Hoe... wat...?’

‘Ik denk dat u het beste zo snel mogelijk naar het ziekenhuis kunt gaan. Als u wilt kunnen we u brengen.’

En nu loopt hij hier verweesd rond, onzeker welk bezoek hij eerst af moet leggen. Aan het mortuarium, om Jacco officieel te identificeren, of naar Emmy, om haar bij te staan. De agenten in burger konden hem alleen maar bij hoofdingang afzetten: ze waren met spoed ergens anders opgeroepen. Het leven gaat door, ook al staat het zijne nu volkomen stil.

‘Kan ik u helpen?’

Een verpleegster in uniform. Ze lijkt op Emmy, verdomme!

‘Ja, mijn vrouw, mijn zoon.... een ongeluk...’

‘Ik begrijp het, ik heb de opname van uw vrouw gedaan. Ik zal met u meegaan.’

Door een wirwar van gangen en trappen daalt Paul achter de zuster af in de catacomben van het ziekenhuis. Kennelijk vindt men het hier belangrijker te weten wie de doden zijn.

‘Als u hier even wacht, zal ik vragen of ze uw zoon voor u willen halen.’

Na een minuut of tien komt de verpleegster terug. Ze neemt Paul bij de schouder en loopt met hem naar de overkant van de gang. Voor een raam dat hem eerst niet was opgevallen worden gordijnen weggeschoven en komt de blik vrij op een rijdende brancard met daarop een vorm onder een laken. Er is geen fantasie voor nodig om te zien dat die vorm een mens is. Of was. Een man in witte jas loopt om de baar heen en licht een hoek van het laken op, zodat het hoofd eronder zichtbaar wordt.

De verpleegster vraagt: ‘Kent u deze jongen?’

Hij heeft de platinablonde kop van zijn moeder. Ook de rest van zijn gezicht is een kopie van het hare. Een schok gaat door Pauls lijf: hij kijkt naar het lijk van zijn zoon! Bij die gedachte wordt alles vloeibaar. De wanden bewegen, de grond golft en zuigt aan hem, alles wordt zwart...

Als hij zijn ogen weer opent zit hij in een stoel, een beker water in zijn hand.

‘U bent even weggeweest, meneer...?’

‘Gravenstein,’ antwoordt Paul de verpleegster automatisch.

‘We zullen de identificatie van uw zoon als afgedaan beschouwen. Na de autopsie geven we het lichaam vrij voor de uitvaart. Kunt u het al aan om naar uw vrouw te gaan? Ik moet u wel waarschuwen: haar toestand is kritiek en ze ligt op onze intensive care.’

‘Ja..., ja... Emmy. Laten we maar gaan.’

Als in een droom volgt Paul opnieuw de zuster. Gang uit, lift in. Lift uit, gang in, deur door. Een chaos van draden, slangen, schermen, piepjes en ergens in het midden daarvan een blond kapsel. Emmy. Ze ziet hem, herkent hem, glimlacht bijna achter haar zuurstofmasker.

‘Dag schat,’ zegt hij, ‘hoe is ’t nou met je?’

Stom! Hij kan toch zien hoe het met haar is! Ze houdt een legioen aan apparaten aan de gang!

Emmy praat niet, maar gebaart. Naar het tafeltje dat naast het bed staat.

‘Die hanger moesten we afdoen,’ zegt een broeder en hij drukt Paul het sieraad in de hand, ‘het zat ons werk in de weg. U vrouw bleef maar protesteren en zeggen dat we die aan Paul moesten geven. U bent Paul, neem ik aan?’

‘Ja...’

Opeens verandert de kamer in een wervelstorm van rennende verpleging. Piepjes worden irritante constante tonen, er gaan alarmbellen af. Op de schermen gaan golflijntjes over in strepen. De verpleger duwt Paul enigszins ruw uit de weg: ‘Even ruimte maken, meneer, dan kunnen we ons werk doen.’

Na een half uur is ook Emmy er niet meer. Bezweken aan haar verwondingen.

 -.-.-.-

Paul schrok wakker uit zijn droom. Hij had zich dit niet willen herinneren, wist nog hoe het verder ging. Een dubbele uitvaart, veel genodigden. Daarna een periode van veel aandacht en ongeveer een jaar daarna, alsof het afgesproken werk was, niets meer. Paul had het allemaal niet aangekund, was aan drank ten prooi gevallen, had zijn werk verwaarloosd en was ontslagen. Hij had zijn spaargeld vergokt in een poging de bijstandsuitkering aan te vullen, maar het had hem alleen maar verder aan lager wal gebracht.

Tegenover hem zat nog steeds die vetvlek met zijn varkenshoofd en worstvingers de herinnering aan wat ooit Pauls leven was te bepotelen.

‘Nou wat sullen we segge...,’ wil de dikke weten, ‘Een meiertje voor dat kruissie?’

‘Nee, laat maar.... het spijt me dat ik u heb laten komen. Ik heb eigenlijk besloten toch maar helemaal niets te verkopen.’

‘Nou, seg, dat is ook een mooie! Kom ik hier uit de goeiigheid van me hart om je te hellupe, opaatje, en dan krijg ik dát? Stank foor dank? Wie denk je eigelijk wel dat je ben, joh?!’

Paul zei niets meer, zag ook niets meer. Zijn toch al fletse ogen verloren bij die uitbarsting alle kleur. De handelaar foeterde nog even verder, zag daarna wat er aan de hand was: Paul was van de tweezits op de grond gezakt. Hij zag zijn kans, griste de kleinoden van de salontafel en stopte ze in de zak van zijn broek. Na nog een blik op Pauls zielloze lichaam draaide hij zich om, de kamer uit, de gang uit en de voordeur door. Hij trok die zorgvuldig achter zich dicht en stak over. Toen hij in zijn auto stapte speelde een glimlach om zijn lippen.

‘Is dat opaatje er toch nog lekker van afgekomme...,’ zei hij bij zichzelf.

 

© Cees Geluk, Maart 2018

6. jan, 2018

‘Dus we zijn het eens?’

De voorzitter staat met zijn rug naar de vergadertafel, staart uit het raam en ziet de rivier traag voorbij komen, zoals ze dat al sinds de Romeinse tijd doet. Dan ontwaakt hij uit zijn mijmering, draait zich om en kijkt de aanwezigen indringend aan. Allen steken hun hand op.

‘Mooi. Ik had niet anders verwacht. Ze zijn alle twee zo gek als een deur, dus zo gevaarlijk als wat en moeten dus gestopt. Onze veiligheid is in het geding. En misschien zelfs de veiligheid van de hele wereld. De gevolgen van wat ze uitdenken, ieder apart al, laat staan dat ze tegen elkaar op gaan bieden, kunnen desastreus zijn voor onze belangen in de wereld. Volgende punt: wie gaan we hiervoor inzetten?’

Na een dikke minuut stilte schraapt een vrouw haar keel. De voorzitter kijkt haar verwachtingsvol aan. Deze generaal heeft het commando over de geheime ‘assets’.

‘Ik stel voor,’ zegt ze enigszins timide, ‘dat we “Inverness” gebruiken.’

‘Uitstekend idee,’ buldert de voorzitter ten antwoord, ‘Pleeg de nodige voorbereidingen. Bedoeling is om ons besluit zo snel en efficiënt mogelijk ten uitvoer te leggen, als het even kan twee vliegen in één klap te slaan. Kunnen we daarbij ook op de overkant rekenen?’ De voorzitter draait zich naar het midden van de blinde muur waar, op een flat screen, een heer in kostuum de vergadering volgt.

‘Vanzelfsprekend,’ klinkt het uit de luidspreker, ‘zodra we de route weten geven we dat door.’

‘Mooi,’ zegt de voorzitter, ‘dan valt er niets meer te zeggen en is deze bijeenkomst beëindigd. Onthoud dat uiterste geheimhouding van levensbelang is, zowel voor het slagen van de operatie als voor “Inverness”. Goede jacht!’

Hij pakt de tumbler, heft het glas, richt het naar alle aanwezigen en neemt een grote slok whisky. De anderen staan op, volgen zijn voorbeeld en gaan hun eigen weg. De vergadering is over.

-o-o-o-o-o-o-o-

Hier lig ik goed, denkt Seamus. Vanaf deze plek kan ik alles overzien. Als ze straks langskomen zal ik ze bij wijze van spreken kunnen aanraken. Seamus’ droom wordt werkelijkheid vandaag: eindelijk is hij in een positie om uit te voeren waar hij zijn hele loopbaan voor heeft getraind. Om zijn taak goed te kunnen doen moet hij ze allebei kunnen zien, van heel dichtbij. ‘Ze’: het is pas kortgeleden dat hij de namen kreeg van zijn twee doelen. Seamus McBride is een gelukkig mens. In Inverness zullen zijn kameraden stinkend jaloers zijn dat hij deze kans heeft gekregen. Het bericht uit Londen dat hij de reis hierheen zou maken en dat hij, Seamus, de ‘opdracht’ kreeg sloeg bij hen in als een bom. Hij nam het vliegticket dat bij zijn orders zat en landde drie dagen geleden. Het hotel waar kamer 9 al voor hem was gereserveerd vond hij zonder moeite. Ze hebben alles verdomd goed voorbereid, weet hij. Het is dan ook niet de eerste de beste opdracht. Het moest per se kamer 9 zijn, omdat die ten opzichte van de route ideaal ligt. En het ís kamer 9, zijn superieuren hebben niet gefaald. Nu mag hij dat ook niet doen.

De afgelopen dagen heeft hij zich uitgebreid georiënteerd. Hij heeft de omgeving van het hotel goed in zich opgenomen, hij weet precies waar hij is en waar zijn slachtoffers straks zullen zijn. Misschien niet heel erg toevallig heeft hij in Inverness, en later in Londen in het huis aan de Theems, met zijn kameraden maquettes van precies deze omgeving bestudeerd. Ze hebben kaarten van deze wijk bestudeerd, alle straten en eventuele obstakels in de buurt benoemd. Alles om... nou ja, om maar zo goed mogelijk voorbereid te zijn.

Een uur geleden heeft hij het meubilair in zijn hotelkamer verplaatst en het kingsize tweepersoonsbed met het voeteneind voor het raam gezet. Dat ging perfect: het voetenbord past precies onder de vensterbank. Hij moest natuurlijk wel voorzichtig zijn, wilde geen geluid maken. Hij zou, zo midden op de dag, niemand wakker gemaakt hebben, zeker niet met het bijna hysterische feestgedruis buiten, maar hij wilde niet het risico lopen dat personeel van het hotel toch op een geluid af zou komen en hem zou vragen het bed weer op z’n plaats te zetten. Dat zou de boel verpesten. Nu kan hij, met zijn voeten op het hoofdkussen en op zijn buik liggend, in alle rust het schouwspel op straat tot zich nemen. Hij heeft zijn koffer naast zich neergelegd, daar kan hij straks op leunen. Hij is er helemaal klaar voor. Seamus staat zichzelf toe even te ontspannen, even de ogen rust te gunnen voordat hij...

Verdomme! Hij is tóch in slaap gevallen! De herrie van het feest buiten is sterker geworden, ‘ze’ zullen in aantocht zijn. Dat heeft hem gewekt. Zou hij bijna zijn plicht hebben verzaakt, zeg! Gelukkig dat ze hier zo idolaat van ‘die twee’ zijn anders was het misschien mis gegaan. McBride wrijft zich de ogen uit en doet werktuigelijk wat hij zichzelf tijdens al die maanden en jaren training eigen heeft gemaakt. De koffer gaat open en hij verbaast zich erover dat het metaal, zelfs door de rubber handschoenen heen, zo koud aanvoelt, ook al is het midden op de dag en hoogzomer. Het moet hier in de kamer toch zeker dertig graden zijn, als het niet meer is. Geen tijd om daar over na te denken, hij moet doorwerken. Hij weet alle onderdelen blindelings te vinden en in elkaar te zetten. Tijdens zijn carrière heeft hij dat honderden keren zelfs geblinddoekt gedaan. Als hij klaar is sluit hij de koffer, legt die tegen het voetbord, het nu geassembleerde wapen erop en wacht op wat er komen gaat.

Buiten begint de menigte zo mogelijk nog uitzinniger te worden. Ze juichen, zwaaien met vlaggetjes, springen op en neer. Toch heeft Seamus vrij uitzicht: het hotel staat op een talud waarop voor de gelegenheid bloemen en struiken zijn geplant. En het voetpad is breed, zodat de straat, zelfs over de hoofden van de mensen heen, over de volle breedte goed zichtbaar is. Bovendien zal de stoet het midden van de weg houden, zodat ‘ze’ nergens achter schuil zullen kunnen gaan. Een militaire kapel komt voorbij, gevolgd door strak paraderende troepen. Het neerkomen van honderden laarzen op precies hetzelfde moment doet de aarde bijna trillen. Dan volgt een leegte. De militairen zijn voorbij, zijn doelen zijn er nog niet. De mensen aan de weg zijn stilgevallen, hoewel stilte bij dit soort gelegenheden normaal gesproken niet toegestaan is: niet juichen op dit soort dagen en bij parades staat hier gelijk aan landverraad.

Dan, alsof Seamus’ bespiegelingen een commando waren, begint de menigte weer uitzinnig te schreeuwen en vanuit zijn linker ooghoek ziet hij een zwarte vlek. De limo. Het is, ziet Seamus tot zijn tevredenheid, de open wagen die altijd gebruikt wordt. Links, achter de chauffeur, staat de kleine gezette man die hij van de foto’s kent. Met die voor hem zo typische haardracht. Het kapsel dat hem wereldwijd tot mikpunt van zoveel spot maakt. Een bespottelijk uiterlijk waar menigeen zich op verkeken heeft. Want met deze Opperste Leider valt niet te spotten, dat blijkt vandaag. Hij staat daar als een standbeeld, neemt de toejuichingen van zijn volk als vanzelfsprekend in ontvangst. Hij zwaait niet, maar houdt zijn hand als in een militaire groet schuin voor het hoofd. Het mooiste is echter dat er een andere man naast hem staat. De president. Deze parade is georganiseerd omdat hun beider landen eindelijk een vredesakkoord gaan ondertekenen. Vele tientallen jaren hebben ze, alleen gescheiden door een wapenstilstandsovereenkomst, in feite steeds op voet van oorlog met elkaar gestaan. Maar na lange en vooral diep geheime onderhandelingen gaan beide heren straks hun handtekeningen zetten. En nu staan ze naast elkaar in deze open limousine. Seamus kan ze goed zien.

McBride legt de kolf van het wapen tegen zijn schouder, grijpt het stevig vast en concentreert zich. Het moet in één keer goed. Langzaam, heel langzaam komt de auto dichterbij totdat hij precies loodrecht voor het raam van kamer 9 rijdt. In het telescopisch vizier ziet Seamus het hoofd van de president en daarachter het hoofd van de Opperste Leider. In een flits denkt Seamus aan alle grappen die over de beide leiders zijn gemaakt. Het volkomen belachelijke kapsel van de oosterling en de al even bespottelijke huidskleur en tweets van de ‘Leider van de Vrije Wereld’. McBride ziet dat beide hoofden in de kijker langzaam tot één hoofd versmelten. Ze bewegen zich, vanuit Seamus’ positie, tot precies in het verlengde van de loop. Concentreren, concentreren, nog niet, nog niet, bijna...

Er klinkt niet meer dan een zachte ‘plop’ door de kamer als Seamus afdrukt. De geluidsdemper is van de beste kwaliteit. Uiteraard. Zijn eenheid heeft vanwege de vele geheime opdrachten recht op het beste van het beste. Op straat is het effect des te groter. In de auto lijkt het alsof de president de Grote Leider een zijdelingse kopstoot geeft. De ander beweegt zijn hoofd alsof hij hetzelfde bij de Amerikaan wil doen. Langzaam kleurt het lichte haar van de president donker, daarna rood. Over het gezicht van de Leider lopen twee, drie rode strepen. McBride heeft zijn missie volbracht. Op straat breekt blinde paniek uit. Mannen en vrouwen in traditionele kledij gillen en schreeuwen om de aanblik van hun getroffen Leider.

Seamus weet dat hij van de gelegenheid gebruik moet maken om weg te komen, dat heeft hij in River House honderden keren getraind. Hij demonteert het wapen en bergt het methodisch op in de koffer. Hij draagt handschoenen en heeft dat in deze kamer altijd gedaan dus vingerafdrukken zullen er niet zijn. Toch neemt hij een handdoek uit de badkamer en veegt alle oppervlakken die hij de afgelopen dagen zou kunnen hebben aangeraakt schoon. Dan zet hij het bed terug, kijkt nog één keer de kamer rond, neemt zijn koffer en verlaat de kamer. Via de keuken en de achteruitgang bereikt hij een steeg. Hij sprint weg van de hoofdweg waar nu de chaos compleet is. Volgens de maquette die hij uit het hoofd kent moet hij aan het eind van de steeg de eerste straat links en dan de derde rechts hebben. Daar, zo is hem verzekerd, zal een auto hem opwachten, bestuurd door een kameraad die hem het land uit zal helpen. Links, derde rechts... verdomme! De auto staat er niet! Seamus heeft genoeg ervaring binnen de SAS om te weten wat dit betekent: het extractieplan is mislukt, hij staat er alleen voor, zijn missie is een zelfmoordcommando geworden. In een fractie van een seconde neemt hij een besluit: hij zal zich in volle zicht verstoppen. Daarbij heeft hij zijn koffer niet meer nodig, die zet hij tegen de muur. In zijn binnenzak voelt hij zijn handwapen, dat neemt hij in zijn handen.

Hij draait zich om en loopt precies in de richting van alle tumult, dringt zich door de massa heen en rent op de limousine af, die zich veel te traag een weg probeert te banen door alle krioelende en hysterische mensen. Dan bereikt hij zijn doel: een groepje mannen van de geheime dienst die als beveiligers van de president zijn meegereisd.

‘Waar kwam dat schot vandaan?’ vraagt hij, om een band te krijgen.

‘En wie ben jij dan wel?’ wil één van de mannen weten.

‘Seamus McBride,’ antwoordt Seamus naar waarheid. Het heeft geen zin er nu om te gaan staan liegen, dan kan hij zich later ook niet vergissen.

‘CIA,’ voegt de Schot eraan toe. Dat is dan weer wel gelogen, maar voor de mannen van de geheime dienst normaliter een volkomen logische verklaring voor de aanwezigheid van vreemden op hun terrein: de CIA heeft overal in de wereld immers vrij spel.

‘Connors, Geheime Dienst,’ stelt de ander zich voor.

‘Hoe gaan we dit aanpakken?’

‘Nou, Seamus, we gaan met deze auto naar het vredespark, daar laten we hem staan om de beide lijken uit te laten laden. En dan gaan jij en ik in een helikopter en naar de Ambassade in het Zuiden. En dan bedoel ik jullie Ambassade, en niet de onze.’

‘Hoezo: “niet de onze”?’

‘McBride, ik weet wie je bent, waar je vandaan komt en wat je hebt gedaan. Mijn superieuren hebben me vanmorgen ingelicht. Je missie is, zoals je ziet, geslaagd. Bij ons zal de vice-president eenzelfde behandeling krijgen zodat de minister van Defensie beëdigd kan worden. En wat ze met de opvolging van die spleetoog doen moeten ze hier maar uitzoeken. Hoofdzaak is dat jij je missie hebt volbracht en uiteindelijk in Londen rapport gaat uitbrengen.’

‘Wie weten er nog meer van?’

‘Ik ben de enige. Daarom ben je voor nu inderdaad iemand van de CIA. Eén raad: blijf dicht bij me en probeer zo min mogelijk te praten. Dat accent gaat je de kop kosten.’

-o-o-o-o-o-o-o-

Sir David Whitbread staat met zijn rug naar de vergaderkamer en staart uit het raam. Hij ziet de Theems traag voorbij komen, zoals ze dat al sinds de Romeinse tijd doet. Dan ontwaakt hij uit zijn mijmering, draait zich om en kijkt de twee aanwezigen indringend aan. Eén ervan kent hij het is generaal Sheila Connors die met haar Amerikaanse neef dit plan heeft bedacht en prachtig heeft uitgevoerd. De ander ziet hij voor het eerst. Seamus McBride draagt het gala-uniform van zijn ‘thuis-eenheid’ de ‘Black Watch’, compleet met kilt.

‘Seamus’, begint Whitbread, ‘Je zult begrijpen dat ik in een onmogelijke positie ben. Ik zou je moeten feliciteren maar dat doe ik niet. Het was namelijk nooit de bedoeling dat wij elkaar zouden zien. Jij hebt zowel de Grote Leider van Noord-Korea als de president van de Verenigde Staten omgebracht. Overigens met een fenomenaal schot. Maar jij zou, en dat zal je niet verbazen, daar in Azië hebben moeten blijven. Dit was altijd al opgezet als een zelfmoordmissie. Dat je teruggekomen bent levert problemen op. Ik kan niet anders dan je overplaatsen naar een ver en onherbergzaam oord, bijvoorbeeld de Falklands en je bij aankomst daar ontslaan uit de dienst.’

Seamus kijkt naar rechts, naar de generaal. Die heeft hem dus gewoon belazerd! Hij heeft altijd begrepen dat er een, weliswaar heel kleine, kans was dat hij dit zou overleven. Dat blijkt nu een leugen, hij had niet mogen terugkomen.

‘Ik begrijp het, sir,’ zegt hij, ‘u moet vooral doen wat u goeddunkt. Dan doe ik dat ook.’

Daarmee grijpt hij in de sporran die hij aan zijn kilt draagt en haalt er een wapen uit. Zijn eigen dienstwapen. In zijn andere hand neemt hij zijn Smartphone en begint te filmen. Hij richt het wapen op zijn slaap, kijkt het hoofd van MI6 recht in de ogen en zegt: ‘Dit is wat mij nu goeddunkt. Deze telefoon is rechtstreeks verbonden met een journalist van The Sun. John, ze hebben me bedonderd, zoals ik je had voorspeld!’ Dan drukt hij af, voordat Sir David of generaal Connors iets kunnen doen. De Schot valt dood neer, geveld door een schot uit zijn eigen wapen.

© Cees Geluk, Jan. 2018

23. apr, 2017

Donderdag

‘Juf!’

‘Ja?’

‘Heeft Jezus echt bestaan?’

‘Waarom vraag je dat?’

‘Omdat mijn papa zegt dat het niet kan. Als je dood bent, ben je dood.’

Het verhaal van Pasen had al vaker dit soort vragen opgeroepen. Kinderen, ook al zaten ze nog in het basisonderwijs, waren verbazingwekkend goed in het signaleren van tegenstrijdigheden in verhalen. En deze groep acht was pienterder dan ze sinds het begin van haar loopbaan had gehad. Normaal waren vragen naar aanleiding van wat ze vertelde geen probleem, ze was creatief genoeg om haar verhalen een acceptabele draai te geven. Maar omdat de school een Christelijke signatuur had moest ze extra goed opletten dat ze door haar antwoorden geen kiem van twijfel in de hoofden van de kinderen zou zaaien. De kinderen, zeker deze kinderen, zouden dat met hun ouders delen (sommige zelfs verplicht). Het zou haar via de schoolleiding door de soms streng Gereformeerde ouders kwalijk genomen worden dat ze zich niet aan de strikte uitleg van het Bijbelverhaal (‘de Bijbel is Gods Woord’) had gehouden en omdat ze nog steeds op een tijdelijk contract ‘stond’ was haar positie toch al niet zo sterk. Bovendien was de vragensteller, Kevin, nu net de zoon van een ouderpaar dat niets met het Geloof in het algemeen en met de strenge variant van sommige ouders in het bijzonder had. En die hadden daar al eerder de confrontatie over gezocht. Uitkijken dus.

‘Mag ik daar na het weekend op terugkomen? Dan kan ik het nog even precies nakijken.’

Gelukkig accepteerde de klas haar uitvlucht. Dat betekende niet dat ze nu achterover kon leunen: de leerlingen zouden een bull-terriër nog in vasthoudendheid naar de kroon kunnen steken. Ze zou dus dit weekend aan de bak moeten. Eerst maar eens haar licht opsteken bij de collega’s. Ze wenste haar klas een goed Paasweekend, begeleide ze naar het hek en de wachtende ouders en ging weer naar binnen.

‘Jeetje, wat zie jij eruit!’ Carola, haar collega uit de parallelklas, trok bijna wit weg toen ze na het opruimen van de klas de teamkamer binnenstapte voor de nabespreking van de week. ‘Kan ik een kop thee voor je inschenken?

‘Nee, dank je, het gaat wel,’ stelde ze haar gerust, ‘Kevin stelde vraagtekens bij de waarheid achter het Paasverhaal. Ik heb gezegd dat ik het dit weekend zou uitzoeken maar alles bibliotheken zijn natuurlijk dit weekend dicht.’

‘Zeker weten dat het Kevin was die de vraag stelde en dat hij niet zijn vader nabauwde,’ vroeg Carola, ‘die Van Wameren zoekt immers altijd de confrontatie op religieus gebied. Het lijkt soms wel een heilige oorlog, maar dan één die tot ontkerkelijking van de hele wereld moet leiden. Begrijp niet dat we Kevin ooit als leerling hebben toegelaten.’

‘Als het aan mij had gelegen was dat ook niet gebeurd.’ Wim, de directeur van de Ds. W.E. den Hertogschool, had in de deuropening van de teamkamer staan luisteren. ‘Maar toen de vorige directeur twee jaar geleden met pensioen ging zat Kevin van Wameren hier al op school en om een kind nu van school te verwijderen omdat de denkbeelden van de ouders ons niet aanstaan gaat wat ver. Vooral ook omdat de resultaten van Kevin daar totaal geen aanleiding toe geven.’

‘Hoe lang sta jij daar al,’ wilde Carola weten.

‘Lang genoeg om te weten dat Kelly hier een uitdaging heeft,’ gaf Wim terug, ‘Kelly, ik kan je alleen maar aanraden om je uitleg zo strak mogelijk tegen het verhaal van de Bijbel te construeren. Als je wilt heb ik nog wel wat documentatie voor je.’

‘Graag,’ bedankte Kelly.

Wim beende weg en kwam even later terug met twee boodschappentassen. ‘Hier,’ zei hij, ‘Uit mijn eigen collectie. Uitleg van het Bijbelverhaal, maar ook informatie over de maatschappij waarin Jezus leefde, zowel religieus als politiek. Kun je in het weekend even bijlezen. Dames, een vrolijk Pasen gewenst, tot dinsdag.’

En hij vertrok, Carola en Kelly verbaasd achterlatend.

‘Ben je echt van plan dat allemaal te gaan lezen,’ vroeg Carola, zich bijna vertillend aan de beide tassen.

‘Heb ik keus, dan?’ wilde Kelly weten.

‘Nee, ik denk dat je gelijk hebt. Staat je auto een beetje in de buurt, dan help ik je even die tassen inladen.’

‘Ja, toevallig hier voor de deur. Dank je.’

Ieder met een tas aan de arm liepen ze naar buiten. Carola zette haar tas in de bagageruimte van Kelly’s auto, Kelly zette haar last ernaast, wenste haar collega een prettig weekend, stapte in en vertrok.

Goede Vrijdag, Stille Zaterdag

Kelly had bij aankomst alle boeken uit de tassen gehaald en ze stuk voor stuk bekeken. Vijfendertig dikke pillen in diverse talen met uiteenlopende onderwerpen. Wim had haar goed voorzien. Ze had de boeken gesorteerd naar onderwerp Er waren geschiedenisboeken over de Joodse maatschappij rond het begin van de jaartelling, maar ook een uitgebreide vergelijkende exegese van het Bijbelverhaal. Verder een aantal boeken over de historische figuren van Jezus, Herodes, Pontius Pilatus, en Kajafas, de hogepriester. Verder een lijvig boek over de Romeinse rechtspraak en het strafrecht. Kortom, voldoende informatie om de vraag van Kevin afdoende en onderbouwd te kunnen beantwoorden en zich daarbij de kritiek van de ouders van het lijf te houden. Ze was begonnen met lezen en had doorlopend aantekeningen gemaakt. Zo kon ze zich, de volgende keer als er vragen kwamen, daarop baseren in plaats van de vijfendertig boeken nog eens te moeten doorworstelen. Vrijdagavond kwam ze erachter dat ze het, als ze gewoon zou doorlezen, niet zou redden: het was gewoon teveel informatie om binnen één weekend door te nemen. Maar omdat ze Kevin had beloofd dat ze dinsdag met een antwoord op zijn vraag zou komen en ze de gevolgen voor haar contract vreesde als ze niet beslagen ten ijs zou komen, trok ze de nacht van vrijdag op zaterdag door. Eigenlijk had ze daar niet eens zo’n moeite mee: tijdens haar studie aan de PaBo had ze vaak genoeg nachten door geblokt. Dit was niet anders dan zo’n nacht. Uiteindelijk, om twee uur in de nacht van zaterdag op zondag, had ze er de brui aan gegeven was ze volkomen uitgeput naar bed gegaan.

‘Esther!’

‘Ik kom, Baba.’

‘Haast je, mijn kind.’

Zo snel haar benen haar wilden dragen snelde Esther naar Baba, zoals ze haar overgrootmoeder noemde. Ze had de verzorging van de oude vrouw op zich genomen toen haar moeder was overleden. Grootmoeder leefde allang niet meer. Die was met de Zeloten naar Massada meegegaan en daar omgekomen. Baba had niet mee gewild en was met haar klein- en achterkleindochter voor het Romeinse geweld gevlucht. Ze hadden lang gezworven en waren neergestreken bij Caesarea.

‘Hier ben ik, Baba.’

‘Ik zal niet lang meer leven, mijn kind, en ik wil je voor ik naar mijn voorouders ga nog iets meegeven. Kun je me die bundel boekrollen eens aanreiken?’

Esther deed wat er van haar gevraagd werd.

‘Hiertussen,’ zei Baba, en haar vingers zochten in één van de rollen, ‘heb ik een verhaal verstopt dat ik heb opgeschreven. Het is het verhaal van hoe mijn meester met zijn geweten heeft geworsteld.’

‘Meester, Baba? Maar hoe...’

‘Rustig, kind, alles op zijn tijd. Eerst wil ik graag iets drinken.’

Esther schonk uit een Amfora wat water in een beker en gaf dat haar overgrootmoeder. Die dronk gulzig en begon.

‘Je moet weten, lieve kind, dat ik niet altijd vrij ben geweest. Mijn vader had nauwelijks geld om zijn gezin te voeden en daarom had hij me als slavin verkocht aan een Romeinse soldaat. Omdat de soldaten nogal stevig gokten en verloren kwam ik dan bij de één, dan weer bij de ander in bezit. Na verloop van tijd had mijn Meester er genoeg van en verbood het gokken. Iedereen die, net als ik, van hand tot hand waren gegaan, kwamen in zijn dienst terecht. Het was, hoe vreemd het ook moge klinken, een verbetering. Want hoewel ik niet vrij was, was het toch een rust dat ik niet meer van het ene op het andere moment een andere meester kreeg.

‘In die tijd kwam er onrust over het land. Er was een rabbi die, naar men zei, nogal radicale ideeën predikte. En het ergste voor mijn meester was: onze landgenoten liepen massaal achter die man aan. Het gerucht ging zelfs dat hij wonderen deed. Dat heb ik zelf nooit gezien, maar het waren hardnekkige geruchten.

‘Op een dag, het zal nu zo’n vijftig of zestig jaar geleden zijn – ik hou op mijn leeftijd de tijd niet meer zo bij – was het, net als ieder jaar, Pesach. Die keer kwamen de leiders van ons volk bij mijn meester. De hele binnenplaats van zijn paleis stond vol volk. Allemaal roepend en schreeuwend dat ze van die ‘Jeshua’ niets moesten hebben, dat mijn meester hem ter dood moest veroordelen. Ze duwden ‘Jeshua’ naar voren, tot voor de meester. Het was een zielig figuur: hij stond daar maar, deed niets. Mijn meester had geloof ik medelijden met hem, want hij zei tegen de mensen dat hij geen bewijs van een strafbaar feit had gehoord, laat staan van iets dat de doodstraf verdiende. Maar ze bleven roepen dat hun gevangene een oproerkraaier was die zowel hun positie alsook die van mijn meester en zijn meester, de Keizer in Rome, in gevaar bracht met zijn praatjes. En dat hij dat al vanaf Galilea had gedaan. Toen mijn meester Galilea hoorde was hij blij: Herodes, soort van koning die door de Romeinen werd getolereerd, had zeggenschap over Galilea en was toevallig in de stad. Dus liet hij het hele gezelschap naar Herodes gaan. Die moest maar beslissen.

‘Een uur later stonden ze er weer. Herodes, zo zeiden ze, kon en mocht geen doodvonnis uitspreken, dat moest mijn meester doen. Wat mijn meester ook probeerde, tot en met geseling aan toe, ze waren niet op andere gedachten te brengen. De rabbi moest dood, hoe dan ook. Als mijn meester het doodvonnis niet wilde uitspreken, dan zouden ze zich over zijn hoofd tot de keizer wenden. Op dat moment keek mijn meester mij aan. Ik had al die tijd achteraf ergens gestaan. ‘Breng mij water!’ schreeuwde hij. Ik hield hem een schaal voor en hij doopte zijn handen erin. ‘Ik wil hier niets mee te maken hebben,’ zei hij, ‘doe met hem wat je wilt, wat mij betreft hang je hem op of zo, maar laat mij er verder buiten.’ Ze grepen hem vast, bloedend en verzwakt van de zweepslagen, en gingen met hem de stad uit. Die avond kwam er een rijke man bij mijn meester vragen om het lichaam van de rabbi. Het was niet goed, zei hij, dat het lichaam van een mens op Sjabbat zo bleef hangen. Mijn meester gaf toe: ‘neem hem maar mee en doe wat je moet doen.’

‘Twee dagen daarna was er weer gedoe in het paleis. Twee soldaten werden ervan beschuldigd op wacht te hebben geslapen. Om de één of andere reden had mijn meester goed gevonden dat er bij het graf van de rabbi wachten waren geposteerd en nu was dat graf leeggehaald. De soldaten bezwoeren bij hoog en bij laag dat ze niet hadden geslapen maar dat ze ook geen idee hadden hoe het graf leeg kwam. Voordat mijn meester een straf kon uitspreken waren daar weer de mensen die de rabbi voor hem hadden gebracht. ‘Laat die soldaten gaan, we weten dat de vrienden van de rabbi zijn lichaam hebben meegenomen. Wij nemen dit verder wel voor onze rekening,’ waarna mijn meester opnieuw toegaf en de soldaten met hun verdedigers vertrokken.’

‘Maar Baba...’

‘Ja, kind?’

‘Dat verhaal heb ik nog nooit gehoord.’

‘Geloof me, kindje, dat verhaal zal nog heel lang verteld worden. Mensen zullen zich afvragen of het allemaal wel echt zo gegaan is. Hier,’ en ze gaf Esther een stuk papyrus, ‘staat het verhaal zoals mijn meester dat heeft opgeschreven. Ik was erbij en ik weet dat het de waarheid is.’

‘Maar... waar was het lichaam van die rabbi dan?’

‘Geen idee, kindje. Dat is nooit duidelijk geworden. Het is ook nooit teruggevonden. Er zijn mensen die beweren dat de rabbi niet écht dood was, er zijn er die ervan overtuigd zijn dat hij wel dood was maar weer levend is geworden. Wat er waar is, weet ik niet. Maar het was een vreemde tijd, het waren bijzondere dagen waarin de hele natuur van slag leek, zeker die vrijdag. Het enige dat ik zeker weet is dat toen ik die schaal water voor mijn meester vasthield, de rabbi nog geen twee el bij me vandaan stond. En dat ik heel rustig werd toen ik in zijn ogen keek. Hij had ogen die op een heel prettige manier dwars door je heen keken, zelfs toen hij voor de tweede keer, na de zweepslagen, werd weggevoerd.’

Baba kuchte even, legde haar voeten terug op het bed en leek in slaap te vallen.

‘Baba?’

Geen reactie.

‘Baba!’

Geen reactie.

Esther legde de deken over het hoofd van haar overgrootmoeder. Ze zou zo snel mogelijk de begrafenis regelen. Ze voelde het stuk papyrus dat Baba haar in handen had gedrukt en bekeek het. Bovenaan stond: ‘Pontius Pilatus aan Tiberius Ceasar’.

Dinsdag

Toen de wekker ging was Kelly volkomen uitgeslapen en helder. Ze had weliswaar het hele weekend doorgewerkt, maar was tevreden over het resultaat daarvan. In alle boeken had ze niet het enig juiste antwoord op Kevin’s vraag gevonden, maar ze had wel het antwoord bedacht dat ze zou geven. Het maakte haar niet meer uit of dat betekende dat ze op school geen plek meer had, dit was het enige antwoord dat ze wilde geven.

In de klas werd het stil. Kelly begon haar les met een kringgesprek.

‘Kevin, vorige week donderdag vroeg je me of Jezus echt bestaan heeft. Het antwoord is; ja, dat heeft hij. Er zijn genoeg dingen opgeschreven, ook al in die tijd, die aangeven dat Jezus echt bestaan moet hebben. Je zei ook dat je vader vond dat opstaan uit de dood niet kon. Daar heeft je vader gelijk in. Dat kan ook niet. Maar waarom is dat zo belangrijk? Het verhaal van Jezus is niet alleen maar het verhaal van Kerst of het verhaal van Pasen. Het is het verhaal van een man die vond dat je best mag twijfelen of wat de mensen met macht doen wel goed is. En dat je, als je daar heel erg in gelooft, bereid moet zijn om de straf voor dat twijfelen te dragen. Dát is het verhaal van Jezus. En daar geloof ik in.’

 Die middag kreeg Kelly haar vaste aanstelling.

‘Ik heb je vanmorgen in je klas bezig gezien,’ zei Wim, ‘en erg veel christelijker dan wat jij deed kun je niet worden. Gewoon praktisch, geen gedoe. Knap gedaan!’

In gedachten bedankte Kelly Esther en vooral Baba, die haar in de nacht van Stille Zaterdag op Paaszondag op het juiste spoor hadden gezet.

 

© Cees Geluk, april 2017

22. jan, 2017

In de nacht van woensdag 4 op donderdag 5 maart was in het huis van mijn ouders een enorme klap te horen. Op weg naar bed na een toiletbezoek had mijn moeder haar evenwicht verloren en was gevallen. In paniek had mijn vader nog tevergeefs geprobeerd haar overeind te krijgen. Het ontbrak de bejaarde man (hij was 83, zij 84) simpelweg aan kracht. Met behulp van de buren lukte het uiteindelijk toch. De volgende ochtend werd de huisarts gebeld en die aarzelde geen moment: mijn moeder had een longontsteking, de val was mede veroorzaakt door zuurstofgebrek en ze moest opgenomen worden.

Zaterdag 7 maart, de 58e huwelijksdag van mijn ouders. Mijn vader hing ‘s morgens vroeg al aan de lijn. “Het gaat opeens heel slecht met je moeder,” zei hij met een door tranen verstikte stem. “Gistermiddag zakte ze weg en toen hebben ze haar naar een andere afdeling verhuisd.” Ik zei dat ik me nog moest aankleden (zaterdag: uitslapen) en dat ik er zo snel mogelijk aan zou komen. Kort daarna ging de telefoon opnieuw: mijn broer, vanuit het ziekenhuis. Blijkbar ad mijn vader hem eerst gebeld en was hij al onderweg geweest. “Ik denk dat het handig is als je hierheen komt,” zei hij, “Het gaat ècht niet goed met Ma”. Ik kleedde me in allerijl aan en ging, gesteund door mijn vrouw, naar het ziekenhuis. Daar bleek dat mijn broer volkomen gelijk had gehad: mama lag op een aparte kamer, en van enig bewustzijn leek geen sprake meer. Het meest opvallend toen ik de kamer binnenkwam vond ik de manier waarop ze lag te ‘pompen’: iedere ademtocht leek ze voor de poorten van de hel te moeten wegslepen. We hebben daar de hele zaterdag gezeten, met z’n vijven: mijn vader, mijn broer, zijn vriendin, mijn vrouw en ik. Kijkend naar een ogenschijnlijk slapend lichaam. Maar dit was mijn moeder en wat op slapen leek, werd me pas in de loop van de dag duidelijk, was het proces dat onvermijdelijk tot haar dood zou leiden. Ik begon bij iedere ademhaling nu te hopen dat het de laatste zou zijn, dat mijn moeder uit haar lijden verlost zou worden. Dat gebeurde niet. Het was een ellendig beeld de vrouw die me had grootgebracht zo te moeten zien knokken voor haar leven. De verpleging probeerde haar (en ons?) te helpen door een beetje morfine in te spuiten en haar anders, comfortabeler, neer te leggen. Het mocht allemaal niet baten.

De dag werd avond, de avond werd nacht. Rond 01:00 keken we elkaar aan. Mijn broer was de eerste die de vraag die we allemaal hadden stelde en ook beantwoordde. “Ik geloof dat het weinig zin heeft hier de hele nacht te blijven zitten,” vond hij. “Laten we naar huis gaan en morgen verder kijken hoe het gaat.” Ik had mijn bedenkingen maar was op dat moment, na een hele dag wachten op het onvermijdelijke, niet meer in staat en ook niet bereid met hem in discussie te gaan. We vertrokken, gaven de nachtdienst onze telefoonnummers voor het geval dat nodig mocht zijn en gingen weg. We spraken af de volgende ochtend rond een uur of negen weer present te zijn. Ik weet nog dat ik, toen ik m’n bed instapte, twijfelde of ik wel zou kunnen slapen. Toch lukte dat. Het lichaam vindt kennelijk altijd wegen om te krijgen wat het nodig heeft.

Zondag 8 maart. Ik werd rond 08:00 wakker. Mijn vrouw wilde nog even ontbijten, ik niet. Ik heb nooit ontbeten en nu kreeg ik al helemaal geen hap door mijn keel. Rond kwart voor negen vertrokken we, ingesteld op een nieuwe dag van kijken naar een stervend lichaam, wachten op het onvermijdelijke. Dat bleek anders. Toen we aankwamen was mijn broer er al, druk telefonerend. Zijn vriendin lichtte ons in: aan het leven van mijn moeder was al een einde gekomen.

Een week na de uitvaart kwam het. Het besef dat noch mijn vader, noch mijn broer, noch ik bij mijn moeder waren in haar laatste uren, minuten, seconden. Hebben we haar daarmee in de steek gelaten? Misschien. We zullen nooit weten of ze in haar laatste ogenblikken nog behoefte heeft gehad aan de steun van haar man, haar zoons. Ik maak me daar nu verwijten over. Had ik niet toch..? Hoe mijn broer daarover denkt weet ik niet. Ik heb niet de moed hem daarnaar te vragen. Ik ken hem als een even groot ‘ijskonijn’ als mijn vader, met een even kort lotje.

Inmiddels gaat het met mijn vader langzaam maar zeker ook steeds verder bergaf, zowel lichamelijk als geestelijk. Zijn geheugen laat hem steeds vaker en steeds ernstiger in de steek. Hij gebruikt bijvoorbeeld de draadloze huistelefoon als afstandsbediening om de tv uit te zetten, is bij tijd en wijle zijn gevoel voor datum en tijd volledig kwijt en haalt ook de namen van zijn zoons, schoondochters en kleinkinderen door elkaar. Daarbij is hij, vanwege een kunstheup en zijn leeftijd, niet meer zo stabiel en valt regelmatig in huis. Soms met lelijke plekken en verwondingen tot gevolg. Ik woon het dichtst bij en dus zijn mijn vrouw en ik vaak de aangewezen personen om op te komen draven als hij weer eens gevallen is. Dat vind ik aan één kant niet erg: hij heeft, samen met mijn moeder, zevenentwintig jaar voor me gezorgd en het is niet meer dan billijk dat ik dan op die manier wat terug doe. Aan de andere kant knaagt het: wat als we op die achtste maart wèl bij mijn moeder aan het bed hadden kunnen zijn op het ultieme moment? Zou de wereld, mijn wereld, ónze wereld, er dan ook zo hebben uitgezien? Zouden we dan nu ook aan het wachten zijn totdat mijn vader voor de laatste keer valt? Of dat we gebeld worden dat hij gevonden is?

Gisteren zijn mijn vrouw, mijn kinderen en ik in het Tropenmuseum geweest. De tentoonstelling over Boeddha. Daarbij viel me ergens het woord ‘Karma’ op. ‘Karma’, dat wat mij betreft het best te vergelijken valt met het gezegde ‘Wie goed doet, goed ontmoet’. En dus: ‘wie slecht doet, slecht ontmoet’. Is dat het? Straft de Kosmos me nu omdat ik het niet kon opbrengen een nacht met mijn moeder te waken? De vraag die ik me nu ook stel is: als de situatie waarin we ons nu bevinden inderdaad Karma is, hoe kan ik het dan verhelpen? Wat kan ik doen om dat slechte Karma om te zetten in een goed? Of om het slechte Karma in ieder geval te stoppen? Ik weet het niet, ben nog niet zo thuis in het Boeddhisme. Misschien is dat een eerste stap: me verdiepen in de leer van Boeddha om me zo vrij te pleiten van de straf die de Kosmos me oplegt. Mijn vader zal ik er niet beter door maken, dat Karma zal ik tot het eind toe moeten dragen. Maar misschien kan ik, door me in het Boeddhisme te verdiepen, mijn vrouw en kinderen het nodige besparen. En op die manier goed Karma voor mezelf verzamelen als tegenwicht.

© Cees Geluk, januari. 2017